Parlementaire vraag nr. 100 van mevrouw Pieters van 10.11.2003

VRAAG 03/100

Vraag nr. 100 van mevrouw Pieters dd. 10.11.2003


Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 30, blz. 4614-4617

Gebrek aan inkohiering - Bezwaarschrift

VRAAG

In geval van vermindering van compenseerbare of overdraagbare vennootschapsverliezen wordt door de taxatieambtenaren terecht steeds een gemotiveerd bericht van wijziging van aangifte verstuurd in de zin van artikel 346, eerste lid, WIB 1992.

Toch geven ook dergelijke gemotiveerde berichten van wijziging van aangifte in de vennootschapsbelasting meermaals aanleiding tot niet-akkoorden of tot blijvende betwistingen en maken naderhand het voorwerp uit van een wederantwoord in de vorm van een aangetekende kennisgeving van beslissing tot taxatie nr. 276T.

Door tal van vennootschappen wordt thans evenwel, zonder dat er voor dat kwestieuze aanslagjaar dienaangaande ooit nog een inkohiering zal geschieden of een aanslagbiljet zal worden uitgereikt, veiligheidshalve toch een gemotiveerd en tijdig "bezwaarschrift " ingediend tegen de inhoud van die aangetekende kennisgeving waarvan sprake in artikel 346, vijfde lid, WIB 1992.

Nochtans worden bij middel van aangetekende zendingen door de administraties al dergelijke bezwaar- of verzoekschriften meteen als "voorbarig" aangemerkt, onontvankelijk verklaard en worden zulke geschillendossiers door de inspectiediensten onmiddellijk als afgehandeld en gerangschikt beschouwd. Een antwoord op een bericht van wijziging van aangifte kan immers niet als een bezwaarschrift gelden en de formaliteiten van meergenoemd artikel 346, WIB 1992 hebben juridisch niets gemeen met de bepalingen van de artikelen 365, 366 en 373, WIB 1992.

Trouwens inzake vennootschapsbelasting ontstaat het recht om een bezwaarschrift in te dienen slechts nadat het kohier uitvoerbaar werd verklaard, aangezien pas dan in hoofde van de belastingplichtige een dadelijk juridisch belang bestaat om zijn bemerkingen bij wijze van bezwaarschrift te doen gelden en is het "bedrag" van de belastingschuld pas dan zeker ter gelegenheid van het verzenden van een "aanslagbiljet ".

Nochtans rijzen terzake de volgende algemene praktische vragen.

1.

a) Moet er in dergelijke gevallen - gelet op de precieze tekstuele inhoud van het gehanteerde administratief drukwerk nr. 276T - steeds verplichtend een kennisgeving in de zin van artikel 346, vijfde lid, WIB 1992 worden verstuurd?

b) Moeten in bevestigend geval dan ook geen concrete tekstaanpassingen gebeuren vermits er geen aanslagbiljet zal worden uitgezonden en er allicht ook geen vordering voor de rechtbank zal kunnen worden ingeleid?

2. Moeten die afwijzende houdingen van de Belastingadministraties schriftelijk en verplichtend worden opgenomen in een volledig identieke "plechtige" vorm van een directoriale beslissing in de zin van artikel 375, WIB 1992 of volstaat daarentegen reeds een gewone of een aangetekende brief waarin zonder meer gesteld wordt dat het bezwaarschrift "voorbarig" is?

3.

a) Kan tegen die afwijzende directoriale beslissingen of tegen die al dan niet aangetekende kennisgevingbrieven een administratief verhaal of hoger beroep worden ingediend bij de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg en bij de hoven van beroep?

b) Zo neen, bij al welke hiërarchische oversten, op welke wettige wijze en binnen welke termijn kunnen zij hun rechten van de verdediging op passende wijze tijdig laten gelden, mede gezien in het licht van alle algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

4. Welke administratieve onderrichtingen en instructies werden of zullen ten behoeve van alle directieen geschillendiensten weldra worden uitgevaardigd om dergelijke fiscale betwistingen waarbij nooit een aanslagbiljet zal worden uitgereikt op uniforme wijze meteen praktisch en pragmatisch algemeen op te lossen?

5. Kan u, punt per punt, uw algemene ziens- en handelwijze meedelen in het kader van een performant, efficiënt en klantvriendelijk belastingbestuur?

ANTWOORD (minister van Financiën, 29.04.2004)

1.

a) Overeenkomstig artikel 346, 5e lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dient de administratie ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag een aangetekende gemotiveerde kennisgeving te versturen waarin zij meedeelt met welke opmerkingen van het antwoord op een bericht van wijziging van de aangifte zij geen rekening houdt.

b) In deze kennisgeving van beslissing van taxatie (drukwerk nr. 279T) wordt vermeld dat de belastingplichtige slechts een bezwaarschrift kan indienen bij de bevoegde gewestelijke directeur, na de ontvangst van het aanslagbiljet en dit overeenkomstig artikel 366, WIB 1992.

Voor de door het geachte lid geschetste situatie verwijs ik naar mijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 908 van 7 februari 2002 van de heer Desimpel (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2001-2002, nr. 133, blz. 16722-16723).

2. Aangaande elk bezwaarschrift moet een beslissing genomen worden overeenkomstig artikel 375, WIB 1992. Deze beslissing is niet onderworpen aan specifieke vormen.

3. Een beslissing van de directeur der belastingen genomen binnen het raam van artikel 375, WIB 1992, wordt definitief indien geen vordering in rechte wordt ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

Opgemerkt wordt dat in de regel de vordering in rechte gericht is tegen een aanslag en niet tegen de beslissing van de directeur der belastingen.

4. In het licht van het voorgaande dringen zich geen bijkomende administratieve onderrichtingen en/of instructies op.