Parlementaire vraag nr. 203 van de heer Marco Van Hees van 04.03.2015

Parlementaire vraag nr. 203 van de heer Marco Van Hees dd. 04.03.2015

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/039 dd. 24.08.2015, blz. 258

Inkomstenbelastingen. - Vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing. - Weerslag op de werkgelegenheid.

VRAAG

Sinds 2003 worden er aan de werkgevers vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing verleend (artikelen 275/1 tot 275/9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen - WIB 92). Oorspronkelijk ging het over enkele gerichte en beperkte vrijstellingen, maar jaar na jaar werd het toepassingsgebied uitgebreid en zijn de percentages gestegen. Bovendien werd er een algemene, niet-gerichte vrijstelling voor alle werkgevers uit de privésector ingevoerd. Die maatregel stuit de werknemers tegen de borst omdat ze merken dat hun werkgever een deel van hun brutoloon opstrijkt. Voor de overheidsfinanciën zijn de negatieve effecten aanzienlijk. In 2005 bedroeg het verlies voor de begroting 198 miljoen euro. In 2013 was dat al gestegen tot bijna 3 miljard euro (2.966,67 miljoen euro volgens het laatst beschikbare cijfer). Een en ander moet in het licht van een bijzonder moeilijke budgettaire context worden gezien en bovendien werden er nog andere gelijkaardige maatregelen genomen, zoals verminderingen van de sociale bijdragen en diverse verminderingen van de vennootschapsbelasting (notionele-interestaftrek, enz.). De vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing worden politiek gerechtvaardigd door de noodzaak om de lasten op arbeid te verlagen teneinde de werkgelegenheid te bevorderen. Professor Paul De Grauwe (London School of Economics) wijst er echter op dat er geen land ter wereld is waar de bedrijfsleiders niet over hoge loonkosten klagen. Eigenlijk willen de bedrijfsleiders hier en elders zeggen dat ze meer winst willen maken.

1. Bestaan er studies over de mogelijke impact van de vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing op de economie en de werkgelegenheid ?

2. Zo ja, kan u me een literatuurverwijzing bezorgen en de belangrijkste bevindingen uit die studies meedelen ?

3. Als blijkt dat die maatregel geen gunstige effecten heeft, moet die dan niet herzien of zelfs afgeschaft worden ?

ANTWOORD

Het totaal bedrag van de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedroeg inderdaad 2.966,67 miljoen euro voor het jaar 2013. Dit bedrag groepeert verschillende rubrieken. De belangrijkste zijn de vrijstellingen toegekend voor nacht- en ploegenarbeid, voor overuren, voor onderzoekers, alsmede de algemene vrijstelling voor werkgevers uit de private sector waarvan melding gemaakt werd in de vraag. Zoals bij elke vermindering van een werkgeversbijdrage of bij elke loonkostensubsidie (de vrijstellingen worden zo gekwalificeerd), is het effect ervan niet noodzakelijk een overdracht die het de werkgever louter mogelijk maakt om een deel van het brutoloon van de werknemer te recupereren. Dit zal enkel het geval zijn indien het brutoloon ongewijzigd is en als het voor 100 % in de winstmarges opgenomen wordt. Dergelijke hypotheses zijn voorbarig. De algemene vrijstelling voor werkgevers uit de private sector, waarnaar werd verwezen, werd aldus toegekend om de onderhandeling van een interprofessioneel akkoord te vergemakkelijken, en heeft enerzijds een verzoening van de eisen betreffende een beperkte groei van de loonkosten en anderzijds een herwaardering van de nettolonen mogelijk gemaakt. Dit toont goed aan dat het effect van de subsidies kan verdeeld worden tussen de werkgever en de werknemer. Deze subsidies komen dus niet automatisch en enkel bij de werkgevers terecht. De enige categorie van vrijstellingen waarvan de effecten werden onderzocht is de vrijstelling toegekend aan onderzoekers. Het Federaal Planbureau heeft een studie gepubliceerd over de doeltreffendheid van de verschillende steunmaatregelen voor onderzoek en het blijkt dat de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing tot de meest doeltreffende steunmaatregelen voor onderzoek behoort en aldus de aanwerving van onderzoekers begunstigt. De Hoge Raad van Financiën heeft in een recent verslag kort de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor overuren onderzocht. De Raad noteert dat er een zeer sterke correlatie bestaat tussen het gebruik van deze vrijstelling en de benuttingsgraad van de productiecapaciteit. De Raad concludeert hieruit derhalve dat de doelstelling werd bereikt en dat deze niet onverenigbaar is met een beleid dat erop gericht is om de werkgelegenheidsgraad te verhogen indien de arbeidsmarkt gesegmenteerd is. De Raad merkt op dat in een dergelijk geval de prestatie van overuren de indienstneming van werkzoekenden niet vervangt.