Parlementaire vraag nr. 1050 van de heer Vincent Scourneau van 20.02.2022
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2021-2022, QRVA 55/091 d.d. 09.09.2022, blz. 161
Elektrische voertuigen - Fiscaliteit voor de laadpalen
VRAAG (van de heer Scourneau)
Bedrijven en beoefenaars van vrije beroepen die in laadpalen voor elektrische voertuigen investeren, genieten in 2022 een verhoogde kostenaftrek van 200 %. Daarnaast is er, eveneens met het doel om de vergroening van het bedrijfswagenpark te versnellen, bepaald dat in 2026 enkel de 100 % elektrische bedrijfswagens in aanmerking zullen komen voor alle fiscale voordelen. Nadien zal de belastingaftrek dalen tot 67,5 %. Uit een online-enquête die tussen 24 maart en 29 april 2022 afgenomen werd door het magazine van wagenparkbeheerders Fleet en Aon Belgium - adviesbedrijf op het gebied van preventie en risicobeheerder voor meer dan 83.000 bedrijfswagens - bij 200 bedrijven en ondernemers komt evenwel naar voren dat 35,7 % van hen denkt dat hun wagenpark niet volledig elektrisch zal zijn tegen 2026. Dat is meer dan een op de drie bedrijven. Er worden daarvoor uiteenlopende redenen gegeven, die nu eens verband houden met de laadpaalinfrastructuur en de bijkomende kosten voor snelladen, dan weer met de leveringstermijnen voor de elektrische voertuigen en hun actieradius, en ook met de onzekerheid in verband met de policy voor de brandveiligheid en de verzekeringen. Volgens die enquête geven zeven op de tien respondenten aan dat ze voor geen van de bovenvermelde aspecten in orde zullen zijn tegen die datum en meent een derde dat de deadline van 2026 eenvoudigweg te vroeg komt.
1. Hoeveel bedraagt de belastingaftrek voor de kosten van de bovenvermelde posten in de periode dat er volop gewerkt wordt aan de elektrificatie en de vergroening van de bedrijfswagenparken, volgens de jongste cijfers waarover u beschikt?
2. Wat is uw analyse van de evolutie ervan?
3. Zult u bijkomende fiscale maatregelen nemen? Zo ja, welke?
ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en Minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding)
1 en 2. De verhoogde kostenaftrek voor de installatie van laadpalen is in werking getreden voor de gerealiseerde investeringen vanaf september 2021. De vennootschappen die in deze laadpalen hebben geïnvesteerd, zullen die in hun aangifte in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2022 moeten aangeven. Gezien dat de primaire inkohiering tot en met 30 juni 2023 loopt, zal de FOD Financiën pas over de eerste gegevens kunnen beschikken vanaf september 2023.
3. Via de wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit zijn er verschillende fiscale maatregelen genomen om de aankoop en het gebruik van elektrische wagens te ondersteunen, met inbegrip van de installatie van laadstations. Binnen de beleidsdoelstellingen en de budgettaire mogelijkheden bekijken we steeds of bijkomende maatregelen opportuun zijn. Zo wordt in het wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen dat momenteel voorligt in het Parlement een wijziging gepresenteerd met betrekking tot de verhoogde kostenaftrek voor laadstations. Wegens de internationale logistieke problemen en de gevolgen daarvan op de leverings- en installatietermijnen van laadstations wordt voorgesteld om de periode waarin de verhoogde kostenaftrek van 200 % geldt te verlengen tot 31 maart 2023. Daarnaast heb ik recent een voorontwerp van wet voorgelegd aan de regering waarin onder andere de belastingvermindering, zoals uitgewerkt in artikel 145^50, WIB 92, voor de installatie van laadstations wordt aangepast. Er wordt voorgesteld het maximumbedrag van de vermindering te verhogen van 1.500 euro naar 1.750 euro per belastingplichtige en vanaf 1 januari 2023 een specifiek maximumbedrag van 8.000 euro per belastingplichtige te voorzien voor de installatie van laadstations die bidirectioneel kunnen laden. Deze voorstellen zullen de installatie van laadstations en de omslag naar een groene mobiliteit verder ondersteunen. Afhankelijk van de budgettaire mogelijkheden, de evoluties in de uitrol van laadstations en de algemene marktomstandigheden kunnen bijkomende maatregelen onderzocht worden.
