Parlementaire vraag nr. 36 van de heer Eerdekens van 20.07.1995

VRAAG 95/036

Vraag nr. 36 van de heer Eerdekens dd. 20.07.1995


Bull. nr. 763, pag. 1693

Beroepskosten - Niet-inwoners

Luidens artikel 54 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn interesten, retributies en bezoldigingen voor prestaties of diensten niet als beroepskosten aftrekbaar als zij worden betaald aan een niet-inwoner of een buitenlandse inrichting die in hun land ofwel niet aan de inkomstenbelastingen zijn onderworpen, ofwel aan een aanzienlijk gunstiger belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan die inkomsten in België zijn onderworpen, behalve indien de belastingplichtige bewijst dat zij verband houden met werkelijke en oprechte verrichtingen en mits zij de normale grenzen niet overschrijden.

1. Bestaat er een lijst van de landen waar de inwoners een aanzienlijk gunstigere belastingregeling genieten of niet aan de inkomstenbelastingen zijn onderworpen ? Zo neen, om welke landen gaat het ?

2. Bij wie ligt de bewijslast dat de toepassingsvoorwaarden van het artikel vervuld zijn, en hoe moet die worden geleverd ?

3. Welk bewijs moet de belastingplichtige aanvoeren om het werkelijke, oprechte en normale karakter van zijn beroepskosten aan te tonen, aangezien artikel 49 al stelt dat de belastingplichtige zijn beroepskosten moet bewijzen ?

ANTWOORD

Het geacht lid gelieve hierna het antwoord te vinden op de verschillende punten van zijn vraag.

Punt 1.

De lijst van de landen die destijds als "vluchtlanden" moesten worden beschouwd, werd gepubliceerd in het Bulletin der belastingen nr. 534.

De Administratie der directe belastingen bestudeert momenteel een actualisering van die lijst.

Bovendien heeft de administratie in het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 1991 en het Bulletin der belastingen nr. 709, wat betreft de toepassing van het stelsel van de definitief belaste inkomsten, drie niet-beperkende lijsten gepubliceerd van landen met een afwijkend stelsel inzake vennootschapsbelasting (bericht aangepast naar de huidige bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - door een bericht in het Belgisch Staatsblad van 13 mei 1995 en het Bulletin der belastingen nr. 751).

Punt 2 en 3.

De tekst van artikel 54 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt in fine dat de belastingplichtige die de aftrek van de desbetreffende uitgaven als beroepskosten wil verkrijgen, door alle rechtsmiddelen moet bewijzen:

  • dat ze verband houden met werkelijke en oprechte verrichtingen;
  • dat ze de normale grenzen niet overschrijden.
Beide voorwaarden moeten samen vervuld zijn.

Het probleem van de bewijsvoering moet in elk geval afzonderlijk aan de hand van de feitelijke gegevens worden opgelost. Het is derhalve niet mogelijk algemene toepassingsregels voor te schrijven.

De belastingplichtige mag zich evenwel niet beperken tot vage en oncontroleerbare antwoorden op de hem door de taxatieambtenaar gedane verzoeken om rechtvaardiging en verduidelijking, noch tot niet door concrete feiten gestaafde beweringen, die geenszins als het ter zake van hem geëiste positieve bewijs zouden kunnen gelden.

Evenmin kan de betrokkene de hem opgelegde verplichting naleven door slechts akten en bescheiden in de juridisch juiste vorm voor te leggen, want de wetgever heeft precies willen optreden tegen dit soort misbruik van rechtsvormen, waarbij er naar gestreefd wordt een schijn van werkelijkheid te geven aan louter fictieve verrichtingen.