Parlementaire vraag nr. 23035 van mevrouw Griet Smaers van 24.01.2018

Kamer, Integraal Verslag – Commissie voor de Financiën, 2017-2018 CRIV 54 COM 803 d.d. 24.01.2017, blz. 49

Doorsturen van de digitale boekhouding

VRAAG (van mevrouw Smaers)

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de voorbije weken werd ik door een aantal boekhouders gecontacteerd omtrent de problematiek van het doorsturen van de digitale boekhouding. Aangezien het niet om theoretische voorbeelden gaat, maar om gevallen uit de praktijk gegrepen, meen ik dat het belangrijk is om erover te kunnen discussiëren.

Er wordt gemeld dat de belastingdiensten tijdens een controle sedert kort vragen met welk boekhoudpakket een belastingplichtige of een boekhoudkantoor werkt. Blijkbaar eisen de belastingdiensten vervolgens van het boekhoudkantoor dat het volledig computerbestand van dat dossier in elektronische vorm aan de belastingdiensten wordt overgemaakt. De meeste boekhoudkantoren werken vaak met de meest courante boekhoudpakketten en die laten tot op vandaag niet toe om enkel bepaalde onderdelen, relevant voor de controle, uit een boekhoudpakket te kopiëren. Daarom kunnen de belastingplichtigen of kantoren niet anders dan de volledige boekhouding overmaken, tenzij zij niets doen en dus de vraag van de belastingdiensten niet beantwoorden. In de praktijk kunnen echter wel alle gevraagde afdrukken gemaakt worden, zoals van dagboeken of journaals van klanten en leveranciers, en aan de controlediensten worden bezorgd, maar zo'n voorstel vinden de controlediensten blijkbaar onvoldoende, waardoor de diensten toch het volledig digitaal dossier van de belastingplichtige blijven eisen.

Ik vraag mij af of een dergelijke eis wel in overeenstemming is met de artikelen 315 tot 315ter van het WIB. De betrokken boekhoudkantoren en belastingplichtigen worden door die eis de facto gedwongen om alles over te maken, hoewel die bestanden ook privacygevoelige gegevens bevatten. Bovendien bevatten deze bestanden gegevens van jaren die hetzij nog niet zijn afgesloten en dus niet aan controleplicht onderhevig zijn, hetzij niet het voorwerp van de controle uitmaken.

Artikel 315 van het WIB bepaalt dat een belastingplichtige verplicht is om alle noodzakelijke boeken en bescheiden voor te leggen als de administratie erom verzoekt, met dien verstande dat de betrokkene zich daarvoor niet hoeft te verplaatsen. De vraag kan daarbij gesteld worden of het doorsturen van een volledig digitale boekhouding wel strookt met de notie "voorleggen zonder verplaatsing". Daarnaast bepaalt artikel 315bis dat de inzage in de digitale boekhouding ter plaatse moet gebeuren door de administratie in het bijzijn van de belastingplichtige of betrokkene, voor het geval er nog vragen over de boekhouding zijn. Ten slotte stelt artikel 315ter dat de administratie geen retentierecht heeft ten aanzien van de boeken die nog niet zijn afgesloten, terwijl dat aan sommige boekhouders blijkbaar wel wordt gevraagd.

In deze context wil ik u de volgende vragen stellen.

Kunt u verklaren of u op de hoogte bent van deze gang van zaken bij belastingplichtigen en boekhouders? Hebt u daarover al vragen gekregen?

Kunt u verduidelijken of het eisen van de doorzending van de volledige digitale boekhouding evenals van mailberichten strookt met de bepalingen in artikel 315 en artikel 315bis van het WIB, waarin duidelijk staat dat de voorlegging van die gegevens zonder verplaatsing of ter plaatse moet gebeuren? Zo ja, wat is de verantwoording hiervan? Indien dit niet strookt met de bepalingen in artikel 315 en volgende, is deze eis dan verschoonbaar onder de Antigoondoctrine?

Kunt u zeggen of het eisen van een voorlegging van de volledige boekhouding strookt met artikel 315ter, zeker wanneer er ook gegevens bij zitten van nog niet afgesloten boekjaren? Zo ja, wat is hiervoor de verantwoording? Indien dit niet strookt met de bepaling van artikel 315ter, is deze eis dan ook verschoonbaar onder de Antigoondoctrine?

Aanvullend wil ik nog zeggen dat ik merk dat een aantal sectorverenigingen van boekhoudkantoren actie wil ondernemen en met deze vragen naar uw administratie zou komen. Ik neem dus aan dat dit een ruimer gedragen vraag van de sector zal worden.

ANTWOORD (van de minister)

Ik ben niet op de hoogte van de actie of het initiatief dat u hier vermeldt. Als dat zo is, zal dat te gepasten tijde en met de nodige zorg worden behandeld.

Uiteraard ben ik wel op de hoogte van de door mijn administratie gebruikte controlepraktijken, die u niet in vraag stelt maar waarover u vragen stelt.

Boeken en bescheiden werden vroeger op papier gehouden. Deze boeken en bescheiden dienen in principe bij de belastingplichtige te worden bewaard. In de gegeven omstandigheden is het dan ook logisch dat papieren boekhoudkundige stukken ter plaatse door de administratie worden gecontroleerd, teneinde de belastingplichtige of zijn mandataris zo weinig mogelijk administratieve lasten te bezorgen bij de verrichting van een fiscale controle.

Tegenwoordig wordt steeds meer met geïnformatiseerde boekhoudpakketten gewerkt en worden stukken digitaal gecreëerd en gearchiveerd. De administratie past haar controlemethodes dus ook aan deze steeds evoluerende realiteit aan.

Zoals wordt aangehaald, kan de administratie bijvoorbeeld een informeel verzoek richten tot de belastingplichtige of zijn mandataris met de vraag om bepaalde boekhoudkundige gegevens of stukken op digitale wijze toe te zenden. Er wordt evenwel steeds benadrukt dat er in voorkomend geval geen sprake is van retentie van boeken en bescheiden, gelet op het feit dat enkel kopies worden gevraagd en dus niet de originele bronbestanden. Met een dergelijke werkwijze wordt de mogelijkheid om alsnog een controle ter plaatse uit te voeren, om welke reden dan ook, niet uitgesloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen van het WIB 92 en van het Btw-Wetboek beletten niet dat de belastingplichtige de administratie digitale gegevens zou toezenden, zelfs indien de gevraagde gegevens eerder omvangrijk zouden zijn. Er wordt wel strikt op toegezien dat in dergelijke gevallen de bestaande procedureregels in verband met de voorleggingsplicht correct en integraal worden nageleefd, opdat op geen enkel moment de rechten van de belastingplichtige in het gedrang zouden kunnen komen. Aangezien het, rekening houdend met de vigerende wetgeving, aldus niet gaat om bewijs dat onrechtmatig zou worden verkregen, doet de Antigoonleer hier principieel niet ter zake.

CONCLUSIE (van mevrouw Smaers)

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Er moet toch nog eens goed worden bekeken, samen met de controlediensten, in welke mate er toch een vereenvoudiging kan komen die beantwoordt aan de juiste principes van de regelgeving. Als de controlediensten immers uit gemak – dat neem ik aan en dat lees ik ook enigszins tussen de regels van uw antwoord – het hele pakket vragen, dan moet men misschien toch zoeken naar een manier om dat anders uit te wisselen. Ik begrijp natuurlijk dat in het digitale tijdperk ook digitale boekhoudstukken kunnen worden opgevraagd, maar dan moet dat echt beperkt blijven tot de gevraagde, relevante gegevens en mag dat bijvoorbeeld geen betrekking hebben op alle informatie over niet-afgesloten boekhoudjaren, die nog volop in verwerking zijn en nog geen eindstatuut hebben gekregen. Misschien moeten daaromtrent richtlijnen worden uitgewerkt of betere afspraken worden gemaakt om te beletten dat men voor het gemak, bij het volledig toesturen van de digitale boekhouding, dingen vraagt die eigenlijk niet de bedoeling kunnen en mogen zijn, volgens de regels.

Misschien moet u dat eens bekijken en duidelijkere afspraken maken met de controlediensten, zodat het de belastingplichtige of zijn boekhouder niet ten kwade kan worden geduid wanneer deze aangeeft dat het boekjaar nog niet is afgesloten door dat pakket, en hij begrip vraagt voor het feit dat alles nog niet zomaar kan worden doorgestuurd.

Volgens mij is het aangewezen, met het oog op een klantvriendelijke administratie, om na te gaan welke de goede regels zijn die ter zake van toepassing kunnen zijn.