Parlementaire vraag nr. 1232 van mevrouw Pieters van 19.04.2006
VRAAG 06/1232
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 122, blz. 23791-23792
Fiscale ambtenaren - Onschendbaarheid van het briefgeheim
VRAAG
De rechtsleer leert ons dat artikel 29 van de Grondwet niet alleen de gesloten brieven beschermt, maar ook de open brieven, de briefkaarten, de drukwerken en de omzendbrieven (
cf. Wigny, P., Droit constitutionnel - TI, Brussel, Bruylant, 1952, nr. 202, blz. 320 tot 322 en Perin, F., Cours de droit public - TI, Presses universitaires de Liège, 1967, blz. 139). Algemeen kan gesteld worden dat die grondwettelijke bescherming zich uitstrekt tot wat bedoeld wordt in artikel 141, A, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (voorheen artikel 1 van de wet van 26 december 1956 op de postdiensten).
1. Kan u uitdrukkelijk bevestigen dat aan alle fiscale ambtenaren de correcte toepassing van artikel 29 van de Grondwet houdende onschendbaarheid van het briefgeheim steeds gegarandeerd wordt, wanneer er persoonlijke briefwisseling, bank- of postrekeninguittreksels en alle andere correspondentie aan hun dienstadres gericht worden ?
2. Kunnen de strafrechtelijke vervolgingen waarvan sprake in artikel 460 van het Strafwetboek, uit hoofde van de schending van het briefgeheim bovendien nog worden aangevuld door administratieve sancties bepaald in het statuut van het rijkspersoneel ?
3. Kunnen de betrokken ambtenaren (diensthoofden, economen en secretariaatsmedewerkers) die moeten instaan voor de inontvangstneming en voor de verdeling van de gewone en de aangetekende postzendingen hieromtrent worden gesensibiliseerd ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 19.05.2006)
1. Het grondwettelijk gewaarborgd briefgeheim geldt voor aan De Post toevertrouwde brieven. Zodra de brief ter bestemming is afgegeven wordt het briefgeheim tussen de burgers onderling gegarandeerd door de beginselen van het privaatrecht die verbonden zijn aan de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het recht op privacy is een fundamenteel recht dat eveneens geldt voor de fiscale ambtenaren tijdens de uitoefening van hun ambt en dat als dusdanig door de fiscale administratie wordt ondersteund.
2. Er wordt van uit gegaan dat de ambtenaren op een verantwoorde en professionele manier omgaan met alle briefwisseling hetgeen overigens kadert in de algemene verplichting om hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit te oefenen overeenkomstig de reglementering betreffende de rechten en plichten van de federale ambtenaren in het statuut van het rijkspersoneel. Elke inbreuk op de voormelde verplichtingen kan worden bestraft met een tuchtstraf. De bepaling van een bijkomende administratieve sanctie is dan ook niet aan de orde.
3. Het bij artikel 337, eerste lid, WIB 1992 ingestelde fiscaal geheim versterkt en preciseert voor de fiscale ambtenaren de algemene plicht van discretie waartoe alle rijksambtenaren krachtens hun statuut zijn gehouden. Andere fiscale wetboeken voorzien in soortgelijke bepalingen. De fiscale ambtenaar is er aldus toe verplicht uit hoofde van zijn beroepsgeheim zich ervan te onthouden geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij bij de uitoefening van zijn ambt kennis kan hebben, bekend te maken. Dit is een extra beveiliging van de privacy. Er zullen ter zake dan ook geen bijkomende administratieve onderrichtingen worden verstrekt.
Bron: FisconetPlus
