Parlementaire vraag nr. 199 van de heer de Clippele van 09.09.1992

VRAAG 92/199
Bull. nr. 725, pag. 601
Fiscale aftrek. - Afschrijving van een cliëntele.
Deze vraag heeft betrekking op de fiscale aftrek als beroepskosten van de afschrijving van een cliëntele.
1. Volgens Com. WIB 44/139.2 tot 44/139.4 en 108/41 alsook het arrest Brussel 13/6/1961 schijnt een dergelijke aftrek doorgaans toegelaten te zijn.
2. Uit cassatie 3/12/58, Bergen 5/2/87, Antwerpen 9/2/88 en Cassatie 22/3/91 blijkt dat een dergelijke afschrijving enkel fiscaal aftrekbaar is in de mate dat ze met een werkelijke waardevermindering tijdens de belastbare periode overeenstemt. Die waardevermindering moet door de belastingplichtige worden aangetoond.
3. BB 691, blz. 487, rubriek cliëntele, stelt dat een cliëntele in principe afschrijfbaar is, wat laat veronderstellen dat dit niet altijd het geval is.
4. Andere referenties (parlementaire vragen, rondzendbrieven, rechtspraak, enzovoort) gaan verschillende richtingen uit.
Die uiteenlopende interpretaties leiden tot fiscale onzekerheid bij de ondernemingen die een cliëntele hebben aangeschaft (door aankoop, inbreng of quasi-inbreng), onder meer bij tal van zelfstandigen die van hun persoonlijke zaak een vennootschap hebben gemaakt.
1. Welke zijn de voorwaarden voor de aftrek van de afschrijving van een cliëntele ?
2. Welke criteria aanvaardt uw administratie inzake de waardevermindering van een cliëntele ?
3. Tegen welk percentage mag een cliëntele worden afgeschreven ? Welke criteria worden ter zake gehanteerd ?

4. Wat zegt het boekhoudkundig recht op dat vlak ?

ANTWOORD
Opdat afschrijvingen als beroepskosten zouden kunnen worden aanvaard, moet inzonderheid aan de volgende voorwaarden worden voldaan (zie de artikelen 52, 6°, 61 en 63 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).
1. Ze moeten betrekking hebben op oprichtingskosten of op immateriële en materiële vaste activa - in de zin ven de boekhoudwetgeving - waarvan de gebruiksduur beperkt is.
2. Ze moeten gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde, waaronder in de regel en volgens het geval moet worden verstaan de aanschaffingsprijs of de inbrengwaarde in de zin van diezelfde wetgeving.
3. Ze moeten noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan.
4. Immateriële vaste activa zoals cliëntele of goodwill mogen wettelijk alleen met vaste annuïteiten worden afgeschreven waarvan het aantal ten minste vijf bedraagt.
Mede gelet op de andere wettelijke bepalingen die de aftrek van beroepskosten regelen - en onder meer op het principe, vervat in artikel 49 van het voormelde wetboek, dat de belastingplichtige de echtheid en het bedrag van die kosten moet verantwoorden door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed - kunnen in verband met de door het geachte lid gestelde vragen de volgende verduidelijkingen worden verstrekt.
1. Mits wordt bewezen dat ze werkelijk bestaat en voor overdracht vatbaar is vormt een cliëntele ten name van de belastingplichtige die ze verwerft een immaterieel vast actief waarvan de gebruiksduur onbetwistbaar beperkt is zodat het gaat om een in principe afschrijfbaar bestanddeel.
2. Voor zover wordt aangetoond dat zij met de werkelijke waarde overeenstemt en derhalve niet overdreven of overschat is, moeten de jaarlijkse afschrijvingen zoals gezegd worden berekend op de aanschaffings- of beleggingswaarde.
Een bijzondere regel geldt in de gevallen waarin de aanschaffingsprijs nog niet definitief gekend is omdat hij geheel of gedeeltelijk afhangt van toekomstige gebeurtenissen (bijvoorbeeld de latere winst of omzet). Alhoewel in die gevallen de juridische overdracht van de cliëntele plaatsgrijpt bij het sluiten van de desbetreffende overeenkomst, komt de grondslag van de afschrijvingen slechts tot stand naargelang de gezegde prijs definitief wordt verschuldigd.
3. Zoals gezegd zijn de afschrijvingen in principe slechts als beroepskosten aftrekbaar indien ze samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan. Aangezien het mathematisch bewijs van die waardevermindering in de praktijk evenwel moeilijk of zelfs onmogelijk kan worden geleverd, mag de jaarlijkse afschrijving, in overleg met de administratie, op forfaitaire wijze worden bepaald. Indien ter zake geen akkoord wordt bereikt bepaalt de administratie die afschrijvingen op een redelijke wijze.
Wat de cliëntele betreft is de administratie van mening dat een afschrijving over een termijn van tien tot twaalf jaar als redelijk mag worden beschouwd.
In de onder 2, in fine, hiervoor bedoelde gevallen impliceert de forfaitaire regeling dat het bekomen lineaire afschrijvingspercent op ieder gedeelte van de tot stand gekomen afschrijvingsprijs afzonderlijk wordt toegepast.