Parlementaire vraag nr. 2609 van de heer Benoît Piedboeuf van 01.04.2019
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2018-2019, QRVA 54/186, d.d. 15.05.2019, blz. 200
Taxshelter. - Restrictieve houding van de administratie (MV 29134)
VRAAG
Ik kom terug op mijn mondelinge vraag nr. 28141 (Integraal Verslag, Kamer 2018-2019, CRIV 54, COM 1034) over de taxshelter en de restrictieve houding van de administratie met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vóór de ondertekening van de raamovereenkomst gedane uitgaven.
Financiering door middel van de taxshelter is immers een zogenaamde gap financing. Het is dan ook niet abnormaal dat een producent de middelen waarover hij al beschikt, gebruikt om de eerste uitgaven voor het audiovisuele werk te betalen en vervolgens taxsheltermiddelen ophaalt om de financiering van het werk in kwestie aan te vullen en rond te krijgen.
Opdat de vóór de ondertekening van de raamovereenkomst gedane uitgaven in aanmerking zouden kunnen worden genomen, factureerden de producenten vóór de wet van 2014 dergelijke uitgaven aan elkaar door, wat door de administratie aanvaard werd maar aanleiding kon geven tot misbruiken of excessen.
Daarom werd er bij de wet van 26 mei 2016 aan het einde van artikel 194ter, § 1, WIB 92, het volgende lid toegevoegd:
"De uitgaven gedaan binnen zes maanden voorafgaand aan de ondertekening van de raamovereenkomst voor het in aanmerking komend werk, die betrekking hebben op de productie en de exploitatie van dit in aanmerking komend werk en die beantwoorden aan alle andere in dit artikel bedoelde voorwaarden, worden als in aanmerking komende uitgaven beschouwd voor zover de betrokken Gemeenschap het werk heeft erkend overeenkomstig §7, eerste lid, 3°, eerste streepje, en voor zover de in aanmerking komende productievennootschap kan verantwoorden waarom het noodzakelijk was dat deze uitgaven moesten gedaan worden vóór en niet na de ondertekening."
Tijdens de parlementaire werkzaamheden in de Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting heeft uw voorganger het volgende verklaard:
"in uitzonderlijke gevallen kunnen de productievennootschappen uitgaven doen die voor de taxshelterfinanciering in aanmerking komen, nog voordat de fondsen worden opgenomen en binnen een periode van 6 maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst. Die mogelijkheid houdt rekening met de praktijk waarbij de producties meestal aan de seizoenen zijn gebonden (voorjaar, zomer), terwijl de middelen doorgaans worden opgenomen en de raamovereenkomsten getekend in het najaar of op het einde van het jaar" (Kamer, zitting 2015-2016, DOC 54 1737/004, blz. 4).
Het tijdsverloop tussen de productie en de fondsenverwerving werd dan ook uitdrukkelijk genoemd als de belangrijkste reden om te rechtvaardigen dat uitgaven in de zes maanden voorafgaand aan de ondertekening van de raamovereenkomst in aanmerking kunnen worden genomen.
Naar verluidt zou de cel Tax Shelter van de FOD Financiën van oordeel zijn dat die reden op zich niet volstaat om de ontvankelijkheid van de vóór de ondertekening van de raamovereenkomst gedane uitgaven te rechtvaardigen, en eist dat de producent geval per geval andere 'uitzonderlijke' redenen aanvoert, met alle subjectiviteit van dien. Het woord 'uitzonderlijk' komt echter niet voor in de tekst van de wet en vloeit enkel voort uit een toelichting die uw voorganger tijdens de werkzaamheden in de commissie verstrekt heeft. Het woord 'uitzonderlijk', dat onhandig door uw voorganger gebruikt werd, moet voorts genuanceerd worden in het licht van de rest van zijn toelichting, die hierboven volledig weergegeven is.
De interpretatie van de cel Tax Shelter, die onwettig is omdat ze aan de wet een voorwaarde toevoegt die er niet in staat (zie arrest nr. 243.790 van de Raad van State van 22 februari 2019), houdt in de praktijk dus in dat de draagwijdte van de wettekst beperkt wordt, met als gevolg dat veel producties niet gefinancierd konden worden via het taxsheltersysteem en in voorkomend geval niet in België gerealiseerd werden, zoals de pers wist te melden. Ik heb vernomen dat we zo al meer dan twaalf internationale projecten mislopen zijn, waarvoor er in België meer dan 18 miljoen euro uitgegeven zou zijn.
Kunt u dus bevestigen dat het simpele tijdsverloop tussen de producties en de fondsenverwerving overeenkomstig de wettekst op zich al een voldoende reden is om te rechtvaardigen dat die zes maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst gedane uitgaven in aanmerking genomen kunnen worden, zonder dat er een beroep op andere uitzonderlijke omstandigheden gedaan moet worden?
In voorkomend geval zou ik u namens een zeer groot aantal actoren uit de industrie willen vragen de desbetreffende FAQ waarin er voorwaarden toegevoegd worden, waarin de wetgever hoegenaamd niet voorzien heeft, eenvoudigweg te schrappen.
ANTWOORD
Wat de in aanmerking komende uitgaven betreft, voorziet het taxshelter regime als fundamenteel principe dat de uitgaven voor een audiovisueel werk binnen een termijn van 18 of 24 maanden, met ingang van de ondertekening van de raamovereenkomst, moeten gebeuren.
De wetgever heeft een uitzondering gemaakt op dit principe voor de uitgaven die gebeurd zijn binnen de zes maanden voor de ondertekening van de raamovereenkomst, voor zover de in aanmerking komende productievennootschap kan verantwoorden waarom die uitgaven moesten worden gedaan voor de bovengenoemde ondertekening en niet na.
Zoals het herhaaldelijk werd geformuleerd, voegt de FAQ 3, waarover een overleg is geweest met de filmindustrie, geen enkele voorwaarde toe aan de wet zoals u laat verstaan.
Ze beperkt zich tot het creëren van een safe harbour die de productievennootschap, in geval van naleving, toelaat de redenen waarvoor een anterioriteit van de uitgaven nodig is, niet te moeten verantwoorden.
