Parlementaire vraag nr. 587 van de heer Eerdekens van 09.02.2001
VRAAG 01/587
Vraag nr. 587 van de heer Eerdekens dd. 09.02.2001
Bull. nr. 825, pag. 1264-1266
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 80, blz. 9068
Vrijgestelde stopzettingsmeerwaarden - Inbreng
VRAAG
Artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat de stopzettingsmeerwaarden als omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°, volledig worden vrijgesteld wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld, ter gelegenheid van de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen.
Is de meerwaarde die voortvloeit uit de vervreemding van de in ruil voor de inbreng verkregen aandelen belastbaar, als de belastingplichtige die de inbreng doet voornoemde aandelen niet voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid heeft aangewend?
ANTWOORD
Krachtens artikel 46, § 1, 2°, van het WIB 1992, worden stopzettingsmeerwaarden als omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°, WIB 1992, volledig maar tijdelijk vrijgesteld wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld ter gelegenheid van de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen.
Bij de inbrenger wordt de belastingheffing in feite uitgesteld tot op het ogenblik van de verwezenlijking van een meerwaarde op de aandelen die ter vergoeding van de inbreng zijn verkregen.
Dienaangaande verduidelijkt het eerste lid van § 3 van het voormelde artikel 46 dat, ter bepaling van de betrokken meerwaarden, aan de aandelen een waarde wordt toegekend gelijk aan de waarde die de ingebrachte activa, uit fiscaal oogpunt, bij de vroegere belastingplichtige hadden.
Het is terzake zonder belang of de aandelen voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt of niet.
De meerwaarden die voortvloeien uit de vervreemding van dergelijke aandelen zijn derhalve altijd belastbaar, onder voorbehoud van de vrijstelling waarvan sprake is in artikel 44, § 1, 2°, WIB 1992.
Vraag nr. 587 van de heer Eerdekens dd. 09.02.2001
Bull. nr. 825, pag. 1264-1266
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 80, blz. 9068
Vrijgestelde stopzettingsmeerwaarden - Inbreng
VRAAG
Artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat de stopzettingsmeerwaarden als omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°, volledig worden vrijgesteld wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld, ter gelegenheid van de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen.
Is de meerwaarde die voortvloeit uit de vervreemding van de in ruil voor de inbreng verkregen aandelen belastbaar, als de belastingplichtige die de inbreng doet voornoemde aandelen niet voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid heeft aangewend?
ANTWOORD
Krachtens artikel 46, § 1, 2°, van het WIB 1992, worden stopzettingsmeerwaarden als omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°, WIB 1992, volledig maar tijdelijk vrijgesteld wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld ter gelegenheid van de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen.
Bij de inbrenger wordt de belastingheffing in feite uitgesteld tot op het ogenblik van de verwezenlijking van een meerwaarde op de aandelen die ter vergoeding van de inbreng zijn verkregen.
Dienaangaande verduidelijkt het eerste lid van § 3 van het voormelde artikel 46 dat, ter bepaling van de betrokken meerwaarden, aan de aandelen een waarde wordt toegekend gelijk aan de waarde die de ingebrachte activa, uit fiscaal oogpunt, bij de vroegere belastingplichtige hadden.
Het is terzake zonder belang of de aandelen voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt of niet.
De meerwaarden die voortvloeien uit de vervreemding van dergelijke aandelen zijn derhalve altijd belastbaar, onder voorbehoud van de vrijstelling waarvan sprake is in artikel 44, § 1, 2°, WIB 1992.
Bron: FisconetPlus
