Parlementaire vraag nr. 26 van de heer Jenne De Potter van 14.01.2009
Roerende voorheffing
Dividend
Splitsing van vennootschappen
VRAAG
Wanneer een vennootschap een bedrijfsactiviteit afsplitst door oprichting van een inbreng van een gedeelte van haar activa in een nieuwe vennootschap zonder dat de bestaande vennootschap ophoudt te bestaan, verkrijgen de aandeelhouders van de overdragende vennootschap nieuwe aandelen van de verkrijgende vennootschap. Na de verrichting zal de waarde van de aandelen van de overdragende vennootschap en die van de verkrijgende vennootschap in principe gelijk zijn aan de waarde van de aanelen van de overdragende vennootschap vóór de verrichting. De Belgische aandeelhouder zal bijgevolg twee verschillende aandelen in plaats van één aandeel bezitten zonder dat hij naar aanleiding van de verrichting een extra waarde heeft verkregen of inkomen heeft verworven. Het Wetboek van de inkomstenbelastingen merkt echter de verdeling van het maatschappelijke vermogen van een vennootschap ten gevolge van ontbinding, of enige andere redenen, aan als dividend, zijnde het positieve verschil tussen de uitkering in effecten en de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal (artikel 18, 2°ter en artikel 209 WIB 92). De belastingheffing overeenkomstig artikel 209 WIB 92 blijft achterwege voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven. Hierbij dient de verkrijgende vennootschap wel een binnenlandse vennootschap te zijn en dient de verrichting te voldoen aan de voorwaarden van het Wetboek van vennootschappen evenals aan een rechtmatige financiële of economische behoeften te beantwoorden (artikel 211 WIB 92). In uw antwoord op de vraag nr. 423 van 24 juni 2004 van de heer Pieter De Crem, verklaarde u dat er, gelet op de complexiteit van de materie, een onderzoek zou worden ingesteld door de gespecialiseerde diensten van uw administratie (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2004-2005, nr. 63, blz. 10186). In antwoord op zijn vraag nr. 762 van 2 mei 2005 deelde u mee dat het onderzoek bij de gespecialiseerde diensten van uw administratie nog niet werd afgerond op 22 maart 2006. U zou niet nalaten hem op de hoogte te brengen over de resultaten van dat onderzoek (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 114, blz. 21895). Ondertussen herhaalde zich deze problematiek in 2007. Het aandeel Tyco International, bijvoorbeeld, werd opgesplitst in drie beursgenoteerde activiteiten, met name Tyco Electronics, Covidien en Tyco International. Doordat de afgesplitste delen om en bij de 70 % van de totale waarde uitmaken moesten de Belgische aandeelhouders maar liefst 6 USD per aandeel (34 USD) aan roerende voorheffing betalen. Eenzelfde financiële aderlating dreigt voor de aangekondigde opsplitsing van Altria. De Belgische belegger zou bij de afsplitsing ruim 13 USD roerende voorheffing moeten afdragen, of maar even 17 % van de beurskoers aan 77,60 USD afgeroomd ziet zonder dat hij maar enig effectief inkomen of meerwaarde realiseert. In plaats van één aandeel krijgt hij er twee waarvan de totaalwaarde bij de afsplitsing gelijk moet zijn aan de waarde van het ene aandeel. 1.Indien het onderzoek werd afgerond, kan u de bevindingen meedelen? 2. Indien het onderzok nog niet werd afgerond, kan u meedelen: A) Betekent het dat in bovenstaande geval er geen sprake is van een dividend en bijgevolg ook geen roerende voorheffing verschuldigd is? B) Wanneer de overdragende en verkrijgende vennootschappen niet in België gevestigde vennootschappen zijn kan nooit voldaan worden aan de voorwaarde dat de verkrijgende vennootschap een binnenlandse vennotschap is. a) Dient een Belgische financiële instelling in dergelijk geval 25 % roerende voorheffing in te houden wanneer zij op de effectenrekening van haar klant het nieuwe aandeel van de verkrijgende vennootschap bijschrijft? b) Zo ja, wordt hier niet het gelijkheidsbeginsel geschonden? c) Zo ja, wanneer de overdragende en verkrijgende vennootschappen in de EER gevestigd zijn, is dit conform het vrij verkeer van kapitaal? d) Zo ja, wanneer de overdragende en verkrijgende vennotschappen Britse of USA vennootschappen zijn, is dit conform de dubbelbelastingverdragen gesloten met deze landen? 3. Kan er in het algemeen wel sprake zijn van een dividend waarop roerende voorheffing verschuldigd is aangezien de aandeelhouder geen inkomen verkrijgt? 4. Schenden deze bepalingen het realiteitsbeginsel wanneer het "dividend" waarop roerende voorheffing verschuldigd is in feite geen inkomen vertegenwoordigt?
ANTWOORD
De door het geachte Lid gestelde vraag heeft hoofdzakelijk betrekking op de toepassing van de roerende voorheffing naar aanleiding van de uitkering van aandelen van een derde vennootschap door een buitenlandse vennootschap aan haar Belgische aandeelhouders of vennoten. Rekening houdend met inzonderheid de bewoordingen van artikel 18, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) vereist een dergelijke problematiek dat geval per geval een onderzoek wordt verricht. Overeenkomstig artikel 18, eerste lid, WIB 92 omvatten dividenden inzonderheid : 1° alle voordelen toegekend door een vennootschap aan aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welken hoofde en op welke wijze ook verkregen; 2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen; 2°bis gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van uitgiftepremies en van bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen is ingeschreven, met uitzondering van terugbetalingen van bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de algemene vergadering genomen overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die van toepassing zijn op statutenwijzigingen; 2°ter uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap of van verkrijging van eigen aandelen door een dergelijke vennootschap; Bovendien voorziet artikel 210, WIB 92, onder andere, dat de bepalingen van artikel 209 eveneens van toepassing zijn bij fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichtingen. Alhoewel de bewoordingen van artikel 18, eerste lid, 2°ter, WIB 92, verwijzingen bevatten naar andere bepalingen van hetzelfde wetboek, volgt op ondubbelzinnige wijze uit die bewoordingen en uit de parlementaire stukken bij de wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, dat deze bepaling van toepassing is op verrichtingen van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of van verkrijging van eigen aandelen door buitenlandse vennootschappen. De verwijzing naar de artikelen 186, 187 en 209, WIB 92 moet worden beschouwd als zijnde nodig voor de bepaling van het belastbare inkomen (zie inzonderheid het advies van de Raad van State, DOC 50-1918/001, blz. 104). Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°ter, WIB 92, ingeval van uitkering van aandelen door een buitenlandse vennootschap naar aanleiding van een herstructureringsverrichting, ligt de moeilijkheid echter bij de bepaling van het bedrag dat eventueel belastbaar is als dividend, omdat overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 186, 187 en 209, WIB 92, waarnaar het voormeld artikel 18 verwijst, het belastbare bedrag beperkt wordt tot het gedeelte van de waarde van de aandelen dat het "gestort kapitaal" in de zin van artikel 184, WIB 92 overschrijdt en dat betrekking heeft op die aandelen. Er wordt benadrukt dat hetzelfde begrip "gestort kapitaal" eveneens geldt voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°, WIB 92, waardoor gelijkaardige toepassingsmogelijkheden zich kunnen voordoen. Om het belastbare bedrag van een toekenning van aandelen door een buitenlandse vennootschap te bepalen, zal in ieder geval de aard van de verrichting, die aan de oorsprong ligt van de uitkering van de effecten, duidelijk moeten worden vastgesteld. Het kan gaan om : ? een gewone dividenduitkering; ? een terugbetaling van het maatschappelijk kapitaal, met of zonder een kapitaalvermindering; ? een terugbetaling van uitgiftepremies of van bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen is ingeschreven; ? een fusie of een splitsing (dat betekent een omruiling van effecten en de verdwijning van de vennootschap waarvan de aandelen werden omgeruild); ? een partiële splitsing (de ontvangen aandelen zijn in principe uitgegeven naar aanleiding van de verrichting en worden onmiddellijk overgedragen aan de aandeelhouders of vennoten van de partieel gesplitste vennootschap door de verkrijgende vennootschap van de inbreng). Bij gebrek aan bewijskrachtige aanwijzingen bij elke betaling of toekenning (in geld of in natura) door een buitenlandse vennootschap aan haar aandeelhouders en meer bepaald met betrekking tot de bewegingen van de bestanddelen van het eigen vermogen ten gevolge van de verrichting, moet worden besloten dat het geheel van de betalingen of toekenningen die als dusdanig werden uitgevoerd, in beginsel voor de verkrijger een belastbaar dividend vormt overeenkomstig het interne recht. Wat betreft het begrip verrijking en vermogensaangroei ten name van de aandeelhouder en in een ruimer kader, ben ik zo vrij het geachte Lid te verwijzen naar de administratieve circulaire van 4.4.2003 (ref. Ci.RH.231/527.270), waarin de draagwijdte wordt aangetoond in geval van een uitkering van inkomsten onder de vorm van aandelen. Dienaangaande wordt de aandacht gevestigd op de bepalingen van de artikelen 20bis en 261, vijfde lid, WIB 92, met betrekking tot bijzonderheden die verbonden zijn aan de toekenning van een roerend inkomen in natura. Op principieel vlak betekent een uitkering van dividenden (in geld of in natura) altijd een verarming van de uitkerende vennootschap (de uitkering heeft in principe als gevolg dat de waarde van de aandelen vermindert) en een verrijking (in geld of in natura) van de aandeelhouder of de vennoot. Volgens de inlichtingen waarover de administratie beschikt vormen de door het geachte Lid bedoelde verrichtingen een uitkering van aandelen van een derde vennootschap door een buitenlandse vennootschap die deze aandelen vooraf in haar bezit had. Bijgevolg moet die uitkering worden beschouwd als een gewone dividenduitkering zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, 1°, WIB 92, ongeacht het fiscaal regime dat van toepassing is in het buitenland. Wat betreft de problematiek van het vrij verkeer van kapitaal, kan ik het geachte Lid meedelen dat de uitkering door een Belgische vennootschap van aandelen van een derde vennootschap die op het actief van haar balans voorkomen eveneens bedoeld worden in artikel 18, eerste lid, 1°, WIB 92.
