Parlementaire vraag nr. 401 van mevrouw Pieters van 27.05.2004

VRAAG 04/401
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 097, blz. 17445-17447
Buitengewone onderzoekstermijn
VRAAG
Een blijvende betwisting inzake de rechtsgeldigheid van de uitbreiding van de onderzoekstermijn waarvan sprake in artikel 333, derde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft onbetwistbaar een geschil omtrent de toepassing van een belastingwet en kan in principe dan ook ter beoordeling aan de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg worden voorgelegd.
Voorafgaand aan het instellen van die vordering in rechte wordt overeenkomstig artikel 1385undecies, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek echter wel eerst vereist dat er een georganiseerd administratief beroep moet worden ingezet.
Zowel in de huidige juridische als administratieve stand van zaken rijzen echter wel de twee volgende algemene pertinente praktische vragen.
1. Bij welke precieze fiscale instantie(s), centrale of lokale diensten of territoriaal bevoegde hogere overheden moet een dergelijke betwisting uitsluitend met betrekking tot de toepassing van die "buitengewone" onderzoekstermijn officieel en rechtsgeldig worden voorgelegd?
2. Binnen welke aanbevolen termijn moet hieromtrent een onpartijdige en onafhankelijke administratieve uitspraak worden gedaan zodat naderhand meteen naar de rechtbank kan worden gestapt?
3. Kan u uw algemeen praktische ziens- en handelwijze meedelen in het licht van voornoemde wettelijke bepalingen en in het kader van een behoorlijk en klantvriendelijk performant belastingbestuur?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 18.10.2005)
Er bestaat in het stadium van de vestiging van de belasting geen wettelijk georganiseerd administratief beroep tegen de uitbreiding van de onderzoekstermijn.
Aangezien de uitbreiding van de onderzoekstermijn onderworpen is aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven voorwaarden dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze in kennis stelt van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het beoogde tijdperk, kan de belastingplichtige uiteraard zijn opmerkingen aan de administratie laten kennen omtrent de voorgenomen uitbreiding van de onderzoekstermijn.
Indien de administratie ondanks de opmerkingen van de belastingplichtige toch beslist de onderzoekstermijn uit te breiden kan de belastingplichtige de hieruit voortspruitende aanslag met een bezwaarschrift betwisten en dit zowel op het procedurele vlak als op het inhoudelijke vlak.
Na de beslissing of na het verstrijken van de termijn van zes of negen maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift indien geen beslissing is genomen, kan de belastingplichtige de rechtsgeldigheid van de uitbreiding van de onderzoekstermijn voorleggen aan de beoordeling door een onafhankelijk rechter.
Ten slotte kan een vordering in rechte in het stadium van het onderzoek van de belastingtoestand van een belastingplichtige worden toegelaten in het zeer uitzonderlijk geval waarin de belastingplichtige aantoont dat zij wordt ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen (toepassing van artikel 18, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).