Parlementaire vraag nr. 393 van de heer Pinxten van 21.01.1993
VRAAG 93/393
Bull. nr. 728, pag. 1688
Hypotheeklening. - Afnemend kapitaal.
Iemand ging bijvoorbeeld in 1978 een hypothecaire lening aan van 2.000.000 Belgische frank, bestemd voor de aankoop van een middelgrote woning. Die lening is gewaarborgd door een tijdelijke verzekering bij overlijden, waarbij het verzekerd bedrag steeds 2.000.000 Belgische frank bedraagt. Voor het overige is voldaan aan de voorwaarden van artikel 83 van het WIB 1992.
Indien betrokkene twee afzonderlijke verzekeringscontracten afgesloten had, die beide in hun totaliteit dezelfde risico's zouden verzekeren als het hiervoor bedoelde contract, en waarvan één een tijdelijke verzekering met afnemend kapitaal tot waarborg van een hypothecaire lening zou zijn, dan zouden in dat geval de betalingen voor de aflossing van de hypothecaire lening wel gedeeltelijk in mindering van zijn beroepsinkomen kunnen worden gebracht. Het kan toch niet worden ontkend dat in bovengenoemd geval het saldo van de schuld eveneens verzekerd is voor de hele duur van het contract.
1. Moet het begrip "afnemend kapitaal" (artikel 81, 2°, van het WIB 1992) hier in zijn engste betekenis worden geïnterpreteerd ? Of kan eronder verstaan worden dat een tijdelijke verzekering met afnemend kapitaal een minimale vereiste is ?
2. Indien het begrip "afnemend kapitaal" in zijn meest strikte betekenis dient te worden geïnterpreteerd, kan betrokkene dan, indien hij zijn contract laat splitsen in enerzijds een tijdelijke verzekering met afnemend kapitaal tot waarborg van een hypothecaire lening en anderzijds een tijdelijke verzekering bij overlijden de aflossingen van die lening vooralsnog in mindering brengen van zijn beroepsinkomen, en zelfs als het contract, na uitsplitsing, nog minder dan 10 jaar te lopen heeft ?
ANTWOORD
Wat de eerste vraag betreft, wordt erop gewezen dat zowel het thans opgeheven artikel 81, 2°, als het nieuw ingevoegde artikel 145^1, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) duidelijk stellen dat de hypothecaire lening moet gewaarborgd zijn door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal.
Dienaangaande vestig ik trouwens de aandacht van het geacht lid op de bepaling van artikel 145^17, 1°, WIB 1992, waarbij wordt beoogd in bepaalde gevallen een belastingvermindering te verlenen die gelijkaardig is aan die die voorheen (krachtens de thans opgeheven artikelen 81 tot 85, WIB 1992) bij wijze van aftrek op het inkomen zou verleend zijn en waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de in artikel 145^1, 2°, WIB 1992 beoogde levensverzekeringspremies slechts voor de verhoogde belastingvermindering voor het bouwsparen in aanmerking komen indien het verzekerde kapitaal uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening.
Dat betekent dat andere vormen van verzekering, zoals de door het geacht lid beoogde tijdelijke verzekering bij overlijden met vast kapitaal, die uiteraard andere voordelen verstrekken dan het waarborgen van de hypothecaire lening, niet aan die bepaling beantwoorden.
Om de voormelde wettelijke bepalingen te kunnen genieten zou het desbetreffende verzekeringscontract kunnen worden uitgesplitst, mits alsdan aan alle andere wettelijke voorwaarden wordt voldaan, wat inzonderheid inhoudt dat :
- vanaf de datum van de splitsing, het lenings- en het schuldsaldoverzekeringscontract een minimumlooptijd van tien jaar moeten hebben;
- het verzekerde kapitaal vanaf diezelfde datum ten minste gelijk moet zijn aan het nog terug te betalen saldo van de lening.
Bron: FisconetPlus
