Parlementaire vraag nr. 813 van de heer Goovaerts van 30.01.1998

VRAAG 98/813
Vr. en Antw., Senaat, 1997-1998, nr. 1-79, blz. 4165-4166
De Fiscale Koerier 98/447
Vereffening - Aangifte
VRAAG
De commentaar op het Wetboek der inkomstenbelastingen vermeldt onder punt 305/38 dat indien een vennootschap in vereffening wordt gesteld op een datum die verschilt van de statutair vastgelegde afsluitdatum, een aangifteformulier 275.1 dient te worden ingediend met betrekking tot de periode lopend vanaf de eerste dag van het boekjaar tot op de datum van de invereffeningstelling.
Deze verplichting staat nergens in de wet te lezen en alleszins niet in artikel 305 van het Wetboek der inkomstenbelastingen waarnaar het aangehaald commentaar verwijst.
Het gaat hier dus om een administratieve creatie, die nog te begrijpen valt voor de invereffeningstelling geregeld door het regime voorafgaand aan de wettelijke regeling van 22 december 1989. Volgens de oude wetgeving ondergingen vennootschappen in vereffeningen immers een ander taxatieregime dan vennootschappen in continuïteit.
Heden bestaat er hiervoor geen grond meer omdat vennootschappen in vereffening onderworpen zijn aan hetzelfde taxatieregime als vennootschappen in continuïteit.
In het antwoord op de parlementaire vraag nr. 90 van de heer de Clippele van 9 februari 1990 verdedigt u het behoud van deze indieningsplicht, hoewel er, ik herhaal het, geen wettelijke gronden bestaan.
Het feit dat in haar bulletin nr. 110/7 de Commissie voor Boekhoudkundige Normen adviseert om rekeningen op te stellen op de datum van invereffeningstelling is evenmin een wettelijke grond, en op het eerste zicht alleszins een onvoldoende grond om zulke aangifteplicht op te dringen.
Vandaar dat ik me veroorloof aan de geachte minister volgende vragen voor te leggen:
1. Welke wettelijke gronden bestaan er om een onderneming ervan te weerhouden, tijdens het jaar van haar invereffeningstelling, slechts één aangifte 275.1 in te dienen voor de periode van het volledige boekjaar?
2. Welke economische motieven kan hij inroepen om deze aangifteplicht op datum van de invereffeningstelling te handhaven wetende dat het taxatieregime van vennootschappen in vereffening identiek is met dat van ondernemingen in continuïteit?
3. Hoe staat hij tegenover de perverse neveneffecten van deze ongefundeerde aangifteplicht? Ik denk bijvoorbeeld aan een onderneming die tijdens de eerste periode van het boekjaar, namelijk dat gedeelte dat aan de invereffeningstelling voorafgaat, winst maakt, en tijdens de periode na de invereffeningstelling, verlies maakt. Deze onderneming zal haar winst niet kunnen compenseren met de naderhand gemaakte verliezen.
Indien deze onderneming niet in vereffening werd gesteld zouden de winsten van het eerste halfjaar wel degelijk kunnen gecompenseerd worden met de verliezen van het tweede halfjaar.
Wat leidt tot de conclusie dat twee ondernemingen, die aan hetzelfde fiscale stelsel zijn onderworpen, een verschillende taxatie ondergaan.
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid mede te delen dat ik de gespecialiseerde diensten van mijn administratie de opdracht heb gegeven de door het geachte lid in zijn vragen aangehaalde problematiek opnieuw grondig te onderzoeken en eventueel voorstellen uit te werken die mij zullen worden voorgelegd om die problematiek op het wetgevende vlak te regelen.
Evenwel meen ik het geachte lid er te moeten op wijzen dat in tegenstelling met wat in de tweede vraag wordt verondersteld het belastingstelsel dat van toepassing is op vennootschappen in vereffening niet volledig identiek is aan datgene dat geldt voor vennootschappen die niet zijn ontbonden (inzonderheid kan worden verwezen naar de artikelen 208 en 209 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en de administratieve commentaar hieromtrent). Vennootschappen in vereffening blijven weliswaar aan de gewone regels van de vennootschapsbelasting onderworpen (artikel 208, eerste lid, WIB 92), maar hun winst bevat mede de naar aanleiding van de verdeling van hun vermogen verwezenlijkte of vastgestelde meerwaarden (artikel 208, tweede lid, WIB 92). Voorts dient het positieve verschil tussen enerzijds de uitkeringen in geld of in enige andere vorm en anderzijds de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, als een uitgekeerd dividend te worden aangemerkt (artikel 209, eerste lid, WIB 92) en worden de voormelde uitkeringen in beginsel achtereenvolgens geacht overeen te stemmen met de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, met de belaste reserves en met de vrijgestelde reserves (artikel 209, tweede lid, WIB 92). Bovendien is op dat dividend geen roerende voorheffing verschuldigd (artikel 264, eerste lid, 20, WIB 92).
Wat de derde vraag betreft meen ik te moeten opmerken dat er voor de betrokken vennootschappen evenzeer positieve gevolgen kunnen verbonden zijn aan de door het geachte lid in vraag gestelde aangifteplicht, zoals inzonderheid de toepassing van het in artikel 215, tweede lid, WIB 92, vermelde verminderde tarief van de vennootschapsbelasting, zulks met betrekking tot de aangifte die in de huidige stand van zaken wordt geëist voor het belastbare tijdperk dat loopt vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk tot op de datum van de ontbinding van de vennootschap.