Parlementaire vraag nr. 10 van de heer Alain Mathot van 07.03.2013

Parlementaire vraag nr. 10 van de heer Alain Mathot dd. 07.03.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/142 dd. 08.01.2014, blz. 82

Veroordeling van België. - Arrest HvJEU C-233/09 - Gemeentelijke opcentiemen (MV 6201) (SV 645).

VRAAG

Naar aanleiding van een prejudiciële vraag heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in zijn arrest nr. C-233/09, de zaak-Dijkman, op 1 juli 2010 de toepassing veroordeeld van de aanvullende gemeentebelastingen op interesten en dividenden die inwoners van België rechtstreeks ontvangen van bronnen gevestigd in andere lidstaten (zonder een beroep te doen op een Belgische tussenpersoon). Volgens het Hof verschilt het fiscaal regime dat van toepassing is op interesten en dividenden ontvangen door natuurlijke personen die inwoner zijn van België naargelang deze inkomsten voortkomen uit beleggingen en investeringen in een andere staat dan wel uit beleggingen en investeringen in België. De eerstbedoelde inkomsten moeten worden aangegeven en zijn bijgevolg onderworpen aan de aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting terwijl de laatstbedoelde inkomsten, die in aanmerking komen voor een aan de bron ingehouden bevrijdende roerende voorheffing, niet moeten worden aangegeven en dus ontsnappen aan de aanvullende gemeentebelastingen. De belastingplichtigen die interesten en/of dividenden ontvangen van een buitenlandse bron kunnen de verplichting tot betaling van de aanvullende gemeentebelastingen slechts vermijden als ze zich deze inkomsten laten uitkeren door een in België gevestigde tussenpersoon, zodat zij onderworpen kunnen worden aan de bevrijdende roerende voorheffing. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat dit verschil in behandeling een belemmering vormt van het vrij verkeer van kapitaal zonder de rechtvaardigingsgronden die de Belgische Staat naar voren had gebracht te aanvaarden. De gevolgen voor België waren duidelijk :

- ten gevolge van dit arrest kan België dus geen aanvullende gemeentebelastingen meer innen op interesten en dividenden afkomstig van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte zonder zich schuldig te maken aan een ongerechtvaardigd verschil in behandeling;

- de belastingplichtigen die in de loop van de vorige jaren aanvullende gemeentebelastingen hebben moeten betalen op dergelijke inkomsten kunnen het arrest-Dijkman inroepen om de terugbetaling ervan te eisen mits indiening van een bezwaarschrift of een verzoek tot ambtshalve ontheffing.

1. Welke gevolgen op financieel vlak heeft dit arrest een jaar later voor de Rijksbegroting en de begrotingen van de gemeenten ?

2. Werd België veroordeeld tot het betalen van geldboeten ? Zo ja, hoeveel bedroegen die ?

3. Zijn er soortgelijke vorderingen geweest tegen ons land met betrekking tot inkomsten uit derde landen ?

4. Het bestaan van een bevrijdende roerende voorheffing die aan de bron wordt ingehouden en moet rechtvaardigen dat deze inkomsten niet hoeven te worden aangegeven en dus aan een aanvullende gemeentebelasting ontsnappen, werd niet gunstig onthaald door het Hof. Er was inderdaad een ongerijmdheid op dit vlak. U hebt er via de circulaire Ci.RH.331/607.620 van 19 oktober 2010 alleen willen voor zorgen dat de administratie zich schikt naar de beslissing van de belastingadministratie :

a) Was het echter niet mogelijk om een mechanisme te bedenken waarmee deze inkomsten opnieuw in de berekeningsbasis worden opgenomen, terwijl er tegelijk rekening wordt gehouden met de eventuele bronheffingen ?

b) Hoe zou het mechanisme verder verfijnd kunnen worden ?

ANTWOORD (van de minister van Financiën)

1. en 2. Het arrest Dijkman-Lavaleije heeft enkel een impact op het niveau van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting (PB/Gem.) en de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting (PB/Agg.). Voor de aanslagjaren 2010 en vorige, verleende de administratie een ontheffing van PB/Gem en PB/Agg. aan de belastingplichtigen die hier tijdig om vroegen. Inderdaad, aangezien de administratie de door het arrest geviseerde inkomsten niet zelf kon identificeren, kon ze niet op eigen initiatief overgaan tot ontheffingen. De minderontvangsten voor de gemeenten (en de Brusselse agglomeratie) zouden zeer beperkt zijn.

3. De administratie heeft geen kennis van gelijkaardige beroepen op zowel administratief als op gerechtelijk vlak.

4. De artikelen 39 tot 41 en 43, 3e lid, van de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van 6 mei 2011) hebben respectievelijk de artikelen 466, 466bis en 468 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB92) gewijzigd vanaf aanslagjaar 2011, ter uitvoering van het arrest Dijkman-Lavaleije, zoals de circulaire nr. Ci.RH.331/607.620 van 19 oktober 2010 het reeds had gedaan voor de situaties in het verleden. Artikel 33 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad 30 december 2011, 4e ed.) heeft artikel 313 WIB92 vervangen, terwijl de artikelen 28 en 35 van dezelfde wet respectievelijk een nieuw artikel 174/1 hebben ingevoegd en artikel 465 WIB92 hebben gewijzigd, en al deze nieuwe maatregelen zijn van toepassing op de inkomsten die zijn betaald of toegekend vanaf 1 januari 2012. Een gezamenlijke lezing van deze verschillende nieuwe wettelijke bepalingen laat het toe te besluiten dat er geen discriminatie meer bestaat die vatbaar zou zijn om bekritiseerd te worden door de Europese instellingen, tussen de roerende inkomsten bedoeld in het arrest Dijkman-Lavaleije die de inhouding van roerende voorheffing hebben ondergaan en diegene van buitenlandse oorsprong in de meest brede zin die werden ontvangen zonder de tussenkomst van een Belgisch tussenpersoon.