Parlementaire vraag nr. 613 van de heer Servais Verherstraeten van 05.08.2009
Parlementaire vraag nr. 613 van de heer Servais Verherstraeten dd. 05.08.2009
Onroerende voorheffing
Kadastraal inkomen
Belasting van niet-inwoners
Indexering
VRAAG
Het artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt als volgt: "Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, wordt de belasting gevestigd: 1° op het totale bedrag van hun inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, wanneer die belastingplichtigen inkomsten verkrijgen uit verhuurde onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten; [...]". Door artikel 27 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen (B.S. 31 juli 1992) werd onder meer een tweede lid toegevoegd, dat als volgt luidt: "In de gevallen als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt de belasting evenwel niet gevestigd wanneer het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen lager is dan 100.000 frank". Diezelfde wet van 28 juli 1992 [artikel 32], verving eveneens het artikel 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 door de volgende bepaling: "De belasting betreffende de in artikel 228, § 2, 8°, vermelde inkomsten, alsmede die betreffende de niet in de artikelen 232 tot 234 vermelde inkomsten, is gelijk aan de verschillende voorheffingen en aan de in artikel 301 vermelde bijzondere aanslag, die op die inkomsten betrekking hebben. Met betrekking tot belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, is het eerste lid, in afwijking van artikel 232, eveneens van toepassing: 1° op de winst of de baten behaald of verkregen door vennoten of leden van een burgerlijke vennootschap of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid als vermeld in artikel 229, § 3 ; 2° op de inkomsten van onroerende goederen waarvan het totale bedrag per belastingplichtige lager is dan 100.000 frank". Het verslag dat namens de commissie voor de Financiën werd uitgebracht door de heer Poncelet (Kamer, Parl. Besch., 1991-1992, nr. 444/9) onderbouwt deze wetswijzigingen als volgt: "de nieuwe belastingregeling voor die belastingplichtigen leidt er normaal toe dat alle niet-inwoners die eigenaar zijn van een in België gelegen onroerend goed onderworpen zijn aan de belasting van de niet-inwoners; praktisch gezien moeten daartoe een onnoemelijk aantal kleine aanslagen worden gevestigd, wat niet in verhouding staat tot de kosten voor de vestiging van de aanslagen en de inning van de belasting; daarom wordt voorgesteld te preciseren dat de belasting niet wordt gevestigd ten name van belastingplichtigen die in België uitsluitend onroerende inkomsten verkrijgen waarvan het totale belastbare bedrag 100.000 frank niet te boven gaat; natuurlijk blijft de onroerende voorheffing verschuldigd en die vormt in dit geval de definitieve belasting". Bij het lezen van de hierboven geciteerde artikelen in hun huidige versies stellen wij vast dat, buiten de omzetting van de 100.000 frank in euro, een naar boven afgerond bedrag van 2.500 euro met ingang van aanslagjaar 2002 (artikel 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en artikel 42,5°, van het koninklijk besluit van 13 juli 2001), datzelfde bedrag nooit, in een periode van zeventien jaar, is geïndexeerd of verhoogd. Bijgevolg, op basis van de huidige wetgeving is een niet-inwoner / natuurlijke persoon die geen beroepsinkomsten verkrijgt en die eigenaar is van een in België gelegen onroerend goed, aan de BNI/NP onderworpen ofwel in functie van het kadastraal inkomen ofwel op het nettohuurinkomen (artikel 235, 1° WIB 1992 verwijst voor de vaststelling van het nettobedrag van de inkomsten naar de regels van toepassing op de personenbelasting). Niettemin vormt, conform het artikel 248 WIB 1992 juncto artikel 232, tweede lid WIB 1992, de op het kadastraal inkomen geheven onroerende voorheffing in hoofde van diezelfde niet-inwoner de definitieve belasting indien hij geen beroepsinkomsten verkrijgt en indien zijn onroerende inkomsten van Belgische oorsprong minder bedragen dan 2.500 euro per jaar. 1. Kan u meedelen wat de redenen zijn die de opeenvolgende wetgevers ertoe gebracht hebben het bedrag van 2.500 euro zeventien jaar lang niet te indexeren terwijl enerzijds datgene wat in 1992 kon worden beschouwd als redelijke kosten van vaststelling en inning van belasting, dat vandaag de dag beslist niet meer is, en terwijl anderzijds het artikel 29 van de wet van 28 december 1990 voorziet in de automatische indexering van de kadastrale inkomens (met ingang van het aanslagjaar 1991) wat betreft de berekening van de onroerende voorheffing? Een kadastraal inkomen van 2.500 euro vertegenwoordigt na indexering voor het aanslagjaar 2008 (1,4796) een bedrag van 3.699 euro. 2. Kan u het aantal niet-inwoners/natuurlijke personen meedelen die enkel onroerende inkomsten verkrijgen die het bedrag van 2.500 euro overstijgen zonder evenwel het bedrag van 3.699 euro te overstijgen? 3. Overweegt u een aanpassing/indexering van het de minimis bedrag van 2.500 euro in de belasting van niet-inwoners voor te stellen?
ANTWOORD
1. De indexering inzake inkomstenbelastingen is vastgelegd in artikel 178 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). Ik stel gewoon vast dat bij de invoeging van artikel 232, tweede lid, WIB 92 ingevolge de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen de wetgever het niet opportuun heeft geacht artikel 178, WIB 92 van toepassing te maken op het bedrag van destijds 100.000 BEF, momenteel 2.500 EUR. Artikel 232, tweede lid, WIB 92 werd inderdaad ingevoegd vanaf aanslagjaar 1993 om te vermijden dat er veel kleine aanslagen zouden moeten worden gevestigd. Een inkomen uit de verhuur van onroerende goederen (niet-beroepsmatig) ten bedrage van 100.000 BEF resulteerde in aanslagjaar 1993 in een (theoretische) aanslag van 14.000 BEF (347,05 EUR), zijnde een belasting van het inkomen tegen 25%, verhoogd met 6 opcentiemen met daarop een verrekening van de onroerende voorheffing ten bedrage van 12,5% van het kadastraal inkomen ((100.000 x 25% x 106%) - (100.000 x 12,5%)). Sinds de invoering van de maatregel zijn er evenwel enkele wijzigingen aangebracht aan het WIB 92 die ook een impact hebben gehad op het bedrag van een aanslag in de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen van belastingplichtigen die in België uitsluitend inkomsten uit de verhuur van onroerende goederen behalen: - door artikel 21 van de wet van 30 maart 1994 houdende fiscale en financiële bepalingen werd de verrekening van de onroerende voorheffing ten belope van 12,5% van het kadastraal inkomen voor die inkomsten afgeschaft en dit vanaf aanslagjaar 1995. Het bedrag van de (theoretische) aanslag voor een belastingplichtige met uitsluitend inkomsten uit de verhuur van onroerende goederen ten bedrage van 100.000 BEF werd zo aanmerkelijk hoger; - ingevolge de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting geldt de grens van 2.500 EUR in geval van een gemeenschappelijke aanslag sinds aanslagjaar 2005 per echtgenoot. De in beginsel verschuldigde belasting op een inkomen uit de verhuring van onroerende goederen ten bedrage van 2.500 EUR per echtgenoot loopt al op tot 1.337,50 EUR (2.500 x 25% x 2, te verhogen met 7 opcentiemen). 2. Voor het aanslagjaar 2008 zou er, ingeval van een indexatie van het minimumbedrag van 2.500 EUR, voor 313 dossiers niet langer een aanslag dienen te worden gevestigd. 3. Gelet op de initiële intentie van de wetgever om kleine aanslagen te vermijden, ben ik van oordeel dat het, gelet op het antwoord op vraag 1, verantwoord is om het bedrag van 2.500 EUR als vermeld in artikel 232, tweede en derde lid, WIB 92 niet te indexeren. Ik ben dan ook niet zinnens een wetgevend initiatief terzake te nemen.
