Parlementaire vraag nr. 924 van de heer Leterme van 19.02.2002
VRAAG 02/924
Vraag nr. 924 van de heer Leterme dd. 19.02.2002
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 151, blz. 19276-19278
Bull. nr. 839, pag. 1985-1988
Controle en onderzoek - Vervangende aanslag
VRAAG
Het ligt niet in mijn bedoeling een bijzonder geval op te lossen maar een principe dat werd vastgesteld om de burger te beschermen te doen naleven. Herhaaldelijk wordt mijn aandacht gevestigd op het feit dat de antwoorden op onze vragen niet eenduidig opgesteld worden en dat de administratie zich niet houdt aan de hiërarchische juridische waarde van de Grondwet.
Nochtans werd in de inleidende nota van de minister van Financiën (2 juli 1993) uitdrukkelijk gesteld:
De belastingwet luistert naar een strikte interpretatie, in die zin dat een belastbare toestand niet kan worden uitgebreid naar analogie van toestanden die weliswaar gelijkaardig zijn uit een economisch oogpunt, maar waarvoor de wet geen belasting heeft bepaald.
Het fiscaal adagium "in dubio contra fiscum" betekent dat als de tekst van de wet niet duidelijk is of de bedoeling van de wetgever er niet kan worden uit afgelezen, de wetgevende twijfel de belastingplichtige tot voordeel strekt. Als de tekst daarentegen duidelijk is maar tot een onbillijk resultaat leidt, kan er niet van worden afgeweken. In België bestaat er niet zoals in Nederland een hardheidsclausule, want dat zou ongrondwettelijk zijn.
Niettegenstaande dat "in dubio contra fiscum" betekent dat de twijfel de belastingplichtigen tot voordeel strekt, worden de dubbelzinnige antwoorden op parlementaire vragen door de administratie gebruikt tegen de belastingplichtigen ofschoon de fiscale wetten van openbare orde zijn. In ieder geval is het niet aan de administratie om op eigen houtje het toepassingsveld uit te breiden tot domeinen die niet uitdrukkelijk voorzien zijn in de wettekst.
Ambtenaren hebben tot enige en absolute taak de wetten te kennen en deze zorgvuldig toe te passen. Zij hebben geen macht om de wetten uit te breiden, bijzonderheden of voorwaarden eraan toe te voegen of op basis van opportunisme niet in de wet voorziene interpretaties eraan te geven. De belastingwetten zijn zonder uitzondering van openbare orde en het is niet toegelaten aan de administratie bijkomende elementen toe te voegen.
1. Welke zijn de gevolgen van het optreden van een ambtenaar die controle uitoefent en belast zonder zijn aanstellingsbewijs te tonen, tijdens de controle zoals bijvoorbeeld vereist in artikel 319 van het WIB 1992 (openbare orde)?
2. Is u de mening toegedaan dat in ons rechtsstelsel de Grondwet de hoogste en allesbeslissende wetgevende autoriteit is en zonder uitzondering dient toegepast te worden?
3. Is u de mening toegedaan dat, indien het WIB 1992 (openbare orde) en/of andere openbare verordeningen die de fiscale wetten doorkruisen afwijken van de Grondwet, deze normen gelden in zoverre ze de Grondwet niet schenden?
4. Is u de mening toegedaan dat indien de ambtenaar de Grondwet overtreedt de aanslag geen bestaansrecht heeft en niet vervangen kan worden door een nieuwe aanslag en dat artikel 355 van het WIB 1992 (openbare orde) juris de jure niet kan toegepast worden, omdat dit artikel niet spreekt over een grondwettelijke regel, maar slechts over een wettelijke regel dura lex sed lex, met andere woorden u maakt geen recht met een ander onrecht?
ANTWOORD (07.01.2003)
1. Artikel 319 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (WIB 1992) bepaalt dat ambtenaren van de administratie der Directe Belastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting niet-inwoners, vrije toegang hebben tot de beroepslokalen.
Uit deze tekst vloeit enkel voort dat de controlerende ambtenaar in het bezit moet zijn van een aanstellingsbewijs waaruit blijkt dat hij de administratieve eed heeft afgelegd en het door de wet aan de administratie toegekende recht van toegang mag uitoefenen; hij is dan ook niet verplicht dit spontaan te tonen. Als de belastingplichtige dit wenst, kan de betrokken ambtenaar zijn bevoegdheid bevestigen door zijn aanstellingsbewijs te tonen.
2 en 3. De vraag omtrent de superioriteit van de Grondwet in onze juridische orde werd reeds verscheidene malen aangesneden naar aanleiding van andere parlementaire vragen. Ik verwijs het geachte lid dan ook naar de antwoorden verstrekt op de vragen nr. 110 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 41, blz. 4824), nr. 882 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 17979), nr. 895 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 17986), nr. 989 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 18007), nr. 990 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 18008), nr. 1022 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 18017).
4. De vestiging van een vervangende aanslag bij toepassing van artikel 355, WIB 1992, is een verplichting voor de administratie, zodra de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn. Het staat de administratie inderdaad niet vrij af te zien van de invordering van een belasting.
Het aan de administratie toegekende recht om een nieuwe aanslag te vestigen houdt in dat de belastingplichtige, bij de vestiging van de oorspronkelijke aanslag, nog belastingschuldige van de belasting was; inderdaad het is niet te bevatten dat een latere aanslag een termijn zou kunnen verlengen die reeds geheel verstreken was toen de oorspronkelijke aanslag, die hij vervangt, werd gevestigd.
Vraag nr. 924 van de heer Leterme dd. 19.02.2002
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 151, blz. 19276-19278
Bull. nr. 839, pag. 1985-1988
Controle en onderzoek - Vervangende aanslag
VRAAG
Het ligt niet in mijn bedoeling een bijzonder geval op te lossen maar een principe dat werd vastgesteld om de burger te beschermen te doen naleven. Herhaaldelijk wordt mijn aandacht gevestigd op het feit dat de antwoorden op onze vragen niet eenduidig opgesteld worden en dat de administratie zich niet houdt aan de hiërarchische juridische waarde van de Grondwet.
Nochtans werd in de inleidende nota van de minister van Financiën (2 juli 1993) uitdrukkelijk gesteld:
De belastingwet luistert naar een strikte interpretatie, in die zin dat een belastbare toestand niet kan worden uitgebreid naar analogie van toestanden die weliswaar gelijkaardig zijn uit een economisch oogpunt, maar waarvoor de wet geen belasting heeft bepaald.
Het fiscaal adagium "in dubio contra fiscum" betekent dat als de tekst van de wet niet duidelijk is of de bedoeling van de wetgever er niet kan worden uit afgelezen, de wetgevende twijfel de belastingplichtige tot voordeel strekt. Als de tekst daarentegen duidelijk is maar tot een onbillijk resultaat leidt, kan er niet van worden afgeweken. In België bestaat er niet zoals in Nederland een hardheidsclausule, want dat zou ongrondwettelijk zijn.
Niettegenstaande dat "in dubio contra fiscum" betekent dat de twijfel de belastingplichtigen tot voordeel strekt, worden de dubbelzinnige antwoorden op parlementaire vragen door de administratie gebruikt tegen de belastingplichtigen ofschoon de fiscale wetten van openbare orde zijn. In ieder geval is het niet aan de administratie om op eigen houtje het toepassingsveld uit te breiden tot domeinen die niet uitdrukkelijk voorzien zijn in de wettekst.
Ambtenaren hebben tot enige en absolute taak de wetten te kennen en deze zorgvuldig toe te passen. Zij hebben geen macht om de wetten uit te breiden, bijzonderheden of voorwaarden eraan toe te voegen of op basis van opportunisme niet in de wet voorziene interpretaties eraan te geven. De belastingwetten zijn zonder uitzondering van openbare orde en het is niet toegelaten aan de administratie bijkomende elementen toe te voegen.
1. Welke zijn de gevolgen van het optreden van een ambtenaar die controle uitoefent en belast zonder zijn aanstellingsbewijs te tonen, tijdens de controle zoals bijvoorbeeld vereist in artikel 319 van het WIB 1992 (openbare orde)?
2. Is u de mening toegedaan dat in ons rechtsstelsel de Grondwet de hoogste en allesbeslissende wetgevende autoriteit is en zonder uitzondering dient toegepast te worden?
3. Is u de mening toegedaan dat, indien het WIB 1992 (openbare orde) en/of andere openbare verordeningen die de fiscale wetten doorkruisen afwijken van de Grondwet, deze normen gelden in zoverre ze de Grondwet niet schenden?
4. Is u de mening toegedaan dat indien de ambtenaar de Grondwet overtreedt de aanslag geen bestaansrecht heeft en niet vervangen kan worden door een nieuwe aanslag en dat artikel 355 van het WIB 1992 (openbare orde) juris de jure niet kan toegepast worden, omdat dit artikel niet spreekt over een grondwettelijke regel, maar slechts over een wettelijke regel dura lex sed lex, met andere woorden u maakt geen recht met een ander onrecht?
ANTWOORD (07.01.2003)
1. Artikel 319 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (WIB 1992) bepaalt dat ambtenaren van de administratie der Directe Belastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting niet-inwoners, vrije toegang hebben tot de beroepslokalen.
Uit deze tekst vloeit enkel voort dat de controlerende ambtenaar in het bezit moet zijn van een aanstellingsbewijs waaruit blijkt dat hij de administratieve eed heeft afgelegd en het door de wet aan de administratie toegekende recht van toegang mag uitoefenen; hij is dan ook niet verplicht dit spontaan te tonen. Als de belastingplichtige dit wenst, kan de betrokken ambtenaar zijn bevoegdheid bevestigen door zijn aanstellingsbewijs te tonen.
2 en 3. De vraag omtrent de superioriteit van de Grondwet in onze juridische orde werd reeds verscheidene malen aangesneden naar aanleiding van andere parlementaire vragen. Ik verwijs het geachte lid dan ook naar de antwoorden verstrekt op de vragen nr. 110 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 41, blz. 4824), nr. 882 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 17979), nr. 895 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 17986), nr. 989 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 18007), nr. 990 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 18008), nr. 1022 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 18017).
4. De vestiging van een vervangende aanslag bij toepassing van artikel 355, WIB 1992, is een verplichting voor de administratie, zodra de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn. Het staat de administratie inderdaad niet vrij af te zien van de invordering van een belasting.
Het aan de administratie toegekende recht om een nieuwe aanslag te vestigen houdt in dat de belastingplichtige, bij de vestiging van de oorspronkelijke aanslag, nog belastingschuldige van de belasting was; inderdaad het is niet te bevatten dat een latere aanslag een termijn zou kunnen verlengen die reeds geheel verstreken was toen de oorspronkelijke aanslag, die hij vervangt, werd gevestigd.
Bron: FisconetPlus
