Parlementaire vraag nr. 1525 van de heer Vermeulen van 27.10.1998
VRAAG 98/1525
Vraag nr. 1525 van de heer Vermeulen dd. 27.10.1998
Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 165, blz. 22192
Bull. nr. 799, pag. 3924
Meerwaarden. - Wederbelegging.
VRAAG
Conform artikel 47 WIB 92 kan een vennootschap onder bepaalde voorwaarden de gerealiseerde meerwaarden tijdelijk vrijstellen op immateriële en materiële vaste activa die niet zijn vrijgesteld krachtens artikel 44, § 1, 2°, en § 2, WIB 92.
Daartoe dient de vennootschap tijdig de nodige herbelegginginvesteringen uit te voeren.
De vennootschap heeft de vrije keuze om die investeringen aan te wijzen welke zij als herbelegginginvestering wil aanmerken.
Veronderstellen wij een vennootschap die materiële vaste activa heeft verkocht voor 10.000.000 frank, waarop een (gespreid te belasten) meerwaarde werd gerealiseerd van 8.000.000 frank. De vennootschap heeft tijdig een herbelegginginvestering uitgevoerd in een nieuw gebouw van 10.000.000 frank (exclusief grond) verhoogd met 21 % BTW. Het gebouw wordt afgeschreven tegen 3 % terwijl de BTW (de vennootschap is niet BTW-plichtig) wordt afgeschreven over 9 jaar.
De vraag rijst of de vennootschap de investering van 10.000.000 frank mag aanwijzen als herbelegginginvestering dan wel verplicht is ook een gedeelte van de niet-aftrekbare BTW verhoudingsgewijs aan te wijzen als herbelegging.
Het voorgaande betreft geen concreet geval maar heeft een algemene principiële draagwijdte.
Wat is uw standpunt dienaangaande?
ANTWOORD
Artikel 47, § 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de herbelegging moet gebeuren in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
Luidens artikel 2, § 7, van datzelfde wetboek hebben de uitdrukkingen "immateriële en materiële vaste activa" de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding van de ondernemingen.
Overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde, waaronder wordt verstaan of de aanschaffingsprijs, of de vervaardigingprijs, of de inbrengwaarde.
Die aanschaffingsprijs omvat luidens artikel 21 van het voormelde besluit naast de aankoopprijs eveneens de bijkomende kosten.
Uit het voorgaande moet worden besloten dat de bijkomende kosten integraal deel uitmaken van de aanschaffingsprijs en bijgevolg van de waarde waartegen elk actiefbestanddeel in de jaarrekening moet worden opgenomen.
De aanschaffingswaarde van de door het geachte lid bedoelde herbelegging omvat derhalve zowel de prijs van 10.000.000 frank als de erop betrekking hebbende bijkomende kosten (niet -aftrekbare BTW); wat inhoudt dat in het beoogde geval de herbelegging dusdanig 12.100.000 frank bedraagt.
Bron: FisconetPlus
