Parlementaire vraag nr. 13923 van de heer Luk Van Biesen van 04.10.2016
Mondelinge parlementaire vraag nr. 13923 van de heer Luk Van Biesen dd. 04.10.2016
Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2015-2016, CRIV 54 COM 501 dd. 04.10.2016, blz. 25
Artikel 219 WIB over de afzonderlijke aanslag
VRAAG (van de heer Luk Van Biesen)
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn volgende vraag handelt over de afzonderlijke aanslag. Luidens artikel 219, 1°en 2° van het WIB wordt een afzonderlijke aanslag van maximaal 100 % gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57 en op voordelen van alle aard als bedoeld in artikelen 31, tweede lid, en 32, tweede lid, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave. Echter, volgens artikel 219, 6° en 7° van het WIB wordt in de vennootschapsbelasting de voormelde afzonderlijke aanslag niet toegepast indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard, bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2° en 32, tweede lid, 2° begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte; indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar. Luidens artikel 223 zijn bepaalde rechtspersonen, onderworpen aan de rechtspersonenbelasting vermeld in artikel 220, eveneens belastbaar inzake kosten als bedoeld in de artikelen 57 en 195 en voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31 en 32, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave. Luidens artikel 225 wordt in de rechtspersonenbelasting het tarief eveneens op 100 % bepaald, echter zonder in enige uitzondering te voorzien zoals in de vennootschapsbelasting. Ik heb hierover de volgende vragen aan de minister. Kunt u mij informeren of het ontbreken in de rechtspersonenbelasting van de uitsluitingsgronden, vermeld in artikel 219, geen vergetelheid in de fiscale wetgeving is, die rechtgezet dient te worden? Welke overwegingen zouden eventueel de verschillende behandeling van niet-verantwoorde inkomsten in de vennootschapsbelasting respectievelijk de rechtspersonenbelasting, kunnen rechtvaardigen?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, de uitzonderingen op de vestiging van een afzonderlijke aanslag in de vennootschapsbelasting, opgenomen in artikel 129, zesde en zevende lid WIB 92, worden wel degelijk hernomen wat betreft de rechtspersonenbelasting, en dit in artikel 223, derde en vierde lid WIB 92. Ook in de rechtspersonenbelasting zal dus geen afzonderlijke aanslag worden toegepast wanneer de betreffende kosten of voordelen van alle aard begrepen zijn in een door de verkrijger tijdig ingediende aangifte of indien de verkrijger tijdig op ondubbelzinnige wijze wordt geïdentificeerd.
Luk Van Biesen : Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
