Parlementaire vraag nr. 4743 van de heer Karel Uyttersprot van 25.05.2011
Mondelinge parlementaire vraag nr. 4743 van de heer Karel Uyttersprot dd. 25.05.2011
Beknopt verslag 53, Commissie voor de Financiën en de Begroting 241 van 25.05.2011 blz. 9
Personenbelasting
Vakantiegeld
Vervroegd vakantiegeld
VRAAG (van de heer Uyttersprot)
In het verleden was er nogal wat betwisting over de grondwettelijkheid van de toepassing van een afzonderlijk tarief voor vakantiegelden die vervroegd werden uitbetaald bij ontslag. Arbeiders ontvangen hun vakantiegeld in het vakantiejaar, bedienden niet. In de praktijk betekent dit een benadeling voor de arbeiders, omdat ze op die manier onderworpen zijn aan het volle en niet aan het gereduceerde tarief.
Bestaat er bij ontslag nog steeds een verschillende fiscale druk inzake vakantiegeld bij bedienden en arbeiders?
Is er een oplossing mogelijk voor het probleem van de arbeiders?
ANTWOORD(van de heer Clerfayt,Staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de Minister van Financiën)
Door de programmawet van 8 april 2003 en de programmawet van 5 augustus 2003 wordt het vakantiegeld dat tijdens het jaar dat de werknemer of de bedrijfsleider, die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst, zijn werkgever verlaat, is opgebouwd en aan hem wordt betaald, afzonderlijk belast tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten.
Artikel 171, 6°, eerste streepje, van het WIB 1992 is van toepassing op alle werknemers, arbeiders inbegrepen, zodra zij zich in gelijkaardige, objectieve omstandigheden bevinden.
De afzonderlijke taxatie wil de progressiviteit van de belasting niet verzwaren door samenvoeging van het vervroegd en het gewone vakantiegeld.
Aangezien een arbeider echter zijn vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar waarin hij zijn werkgever verlaat, slechts het volgend jaar ontvangt, zal hij in feite de afzonderlijke aanslag niet kunnen genieten.
Het verschil in behandeling vloeit niet voort uit de toepassing van artikel 171, 6°, eerste streepje, van het WIB 1992, maar mogelijkerwijs uit het feit dat op grond van artikel 23 van het KB van 30 maart 1967 de werknemers-arbeiders, geen vervroegd vakantiegeld kunnen ontvangen.
Om een gelijke behandeling tussen arbeiders en bedienden te bekomen, is er dus een aanpassing nodig van dit artikel 23. Dit is echter niet mijn bevoegdheid. Het is geen fiscaal probleem, maar een probleem dat zijn grond vindt in het verschil tussen arbeiders en bedienden.
