Parlementaire vraag nr. 892 van mevrouw Avontroodt van 25.01.2002
VRAAG 02/892
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 142, blz. 17984-17986
Bull. nr. 838, pag. 1729-1733
Kinderoppaskosten - Opvang zieke kinderen
VRAAG
Uit de artikelen 104, 7°, en 113 van het WIB 1992 blijkt dat de kosten van oppas voor zieke kinderen thuis fiscaal aftrekbaar zijn indien deze dienstverlening wordt georganiseerd door een voorziening erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin of een voorziening of persoon die onder toezicht van Kind en Gezin staat.
Zoals u wellicht weet wordt de opvang van zieke kinderen tot de leeftijd van drie jaar in Vlaanderen niet exclusief - of zelfs eerder uitzonderlijk - verzorgd door de erkende of onder toezicht staande kinderopvang. De oppas wordt in hoofdzaak georganiseerd door diensten voor thuiszorg en diensten van het ziekenfonds.
Is het niet mogelijk om de fiscale aftrekbaarheid uit te breiden tot andere erkende diensten, zoals de diensten voor thuiszorg en de dienstverlening georganiseerd door de ziekenfondsen?
ANTWOORD
Eén van de centrale doelstellingen van de regering is de ontwikkeling van de actieve welvaartstaat.
Om die doelstelling te verwezenlijken heeft de regering diverse maatregelen genomen om de activiteitsgraad van de bevolking te vergroten en struikelblokken voor de werkgelegenheid uit de weg te ruimen. Omdat de zorg voor de oppas van kinderen één van de belangrijkste belemmeringen is bij het zoeken naar werk, werden terzake reeds een aantal initiatieven genomen.
Zo verhoogt artikel 2 van de wet van 24 december 1999 houdende fiscale en diverse bepalingen de bijkomende toeslag op de belastingvrije som tot 13 000 frank voor kinderen jonger dan 3 jaar voor wie geen uitgaven voor kinderoppas worden afgetrokken. Dat bedrag werd omgezet naar 325 euro en bedraagt voor het aanslagjaar 2003 na indexering 430 euro.
Bij koninklijk besluit van 27 januari 2000 tot wijziging van het koninklijk KB/WIB 1992 (...), werd het hoogst aftrekbare bedrag per oppasdag en per kind van 345 frank op 450 frank (nu 11,20 euro) gebracht na toepassing van de beperking tot 80 % vermeld in artikel 104, 7°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992). Deze beperking werd vervolgens afgeschaft bij artikel 2 van de wet van 23 maart 2001 tot wijziging van artikel 104, 7°, van het WIB 1992.
In de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting werden terzake nog volgende maatregelen genomen:
- De toeslag op de belastingvrije som voor een niethertrouwde weduwnaar of weduwe, alsook voor een ongehuwde vader of moeder die één of meer kinderen ten laste heeft, wordt uitgebreid naar iedere belastingplichtige die alleen wordt belast en die één of meer kinderen ten laste heeft.
- Het deel van de belastingvrije som dat betrekking heeft op de toeslag voor kinderen ten laste en dat niet kan worden aangerekend, wordt omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.
- De aan kinderen toegekende onderhoudsuitkeringen worden ten belope van 1 800 euro niet in aanmerking genomen om het bedrag van de nettobestaansmiddelen vast te stellen.
Recentelijk heeft de wet van 21 juni 2002 tot wijziging van artikel 25 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelastingen en van de artikelen 136, 140, 141 en 178, § 3, van het WIB 1992 (Belgisch Staatsblad 20 juli 2002, tweede uitgave) onder meer volgende wijzigingen gebracht:
- Het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen wordt opgetrokken van 1 500 euro naar 1 800 euro (geïndexeerd 2 410 euro voor het aanslagjaar 2003).
- Dat maximumbedrag wordt verhoogd tot 3 300 euro (4 420 euro geïndexeerd voor het aanslagjaar 2003) voor gehandicapte kinderen ten laste van een belastingplichtige die alleen wordt belast.
- De wijze van indexeren van voormeld bedrag van aan kinderen toegekende onderhoudsuitkeringen dat niet in aanmerking wordt genomen om het bedrag van de nettobestaansmiddelen vast te stellen, wordt aangepast zodat dat bedrag voor aanslagjaar 2003 na indexering is vastgesteld op 2 410 euro.
Tot slot herinner ik eraan dat ik in een volgende fase hoop, zoals aangekondigd tijdens de parlementaire besprekingen van de hervormingswet van 10 augustus 2001 (Parl. St., Kamer, 2000-2001, nr. 1270/1, blz. 12 en 69) en voor zover de budgettaire toestand zulks mogelijk maakt, de leeftijd van de kinderen waarvoor uitgaven voor kinderoppas aftrekbaar zijn, uit te breiden tot de leeftijd van 12 jaar.
Wat meer bepaald de problematiek betreft met betrekking tot de fiscale aftrek van de kosten voor opvang van zieke kinderen, herinner ik er vooreerst aan dat de bestaande wettelijke bepalingen die aftrek in geen geval uitsluiten. Het volstaat inderdaad dat de kosten betaald worden aan instellingen, zelfstandige onthaalgezinnen of aan kinderdagverblijven, die, naargelang het geval, erkend, gesubsidieerd, gecontroleerd worden of gewoon onder toezicht staan van de bevoegde gemeenschapsinstellingen.
Die voorwaarde vloeit natuurlijk voort uit de bevoegdheden van de gemeenschappen; enkel zij zijn bevoegd te bevestigen dat de kinderoppas voldoende kwaliteitswaarborgen biedt. Nu blijkt dat de gemeenschappen op dat vlak moeilijkheden ondervinden als de kinderoppas van een ziek kind bij dat kind thuis gebeurt.
Het is dan ook in eerste instantie aan de gemeenschappen om de initiatieven te nemen die zich opdringen om een oplossing te vinden voor de problematiek van de kinderoppas. Voor zover dergelijke maatregelen zouden genomen worden, ben ik bereid te doen nagaan of de fiscale wetgeving bijgevolg moet aangepast worden.
Bron: FisconetPlus
