Parlementaire vraag nr. 1566 van de heer Delcroix van 15.01.1999

VRAAG 99/1566
Vr. en Antw., Senaat, 1998-1999, nr. 1-95, blz. 5027
Bull. nr. 796, pag. 2821
Roerende inkomsten - Tussentijdse inkomsten uit kapitalisatie- en zerobons - Inning van RV.
VRAAG
De tussentijdse inkomsten uit kapitalisatie- en zerobons worden in het Wetboek van de inkomstenbelastingen gekwalificeerd als belastbare roerende inkomsten. De Koning kan in geen geval afzien van de inning van roerende voorheffing op dergelijke roerende inkomsten (art. 266, tweede lid, WIB 92). Dergelijke inkomsten ondergaan anderzijds geen roerende voorheffing in het X/N-stelsel (wet van 6 augustus 1993).
Is de onmogelijkheid van vrijstelling van roerende voorheffing nog verantwoord wanneer dergelijke inkomsten worden toegekend op effecten uitgegeven door Belgische emittenten ?
Leidt dit niet tot een overbodige inning van voorheffing bij iedere tussentijdse verkoop van dergelijk effect en tot overbodige administratieve beslommeringen die de liquiditeit van het effectenverkeer belemmeren ?
Welke eventuele misbruiken wenst de geachte minister in te dijken met het behoud van de onmogelijkheid om de betrokken inkomsten van roerende voorheffing vrij te stellen ?
Wat maakt op dit vlak het verschil met de effecten in het X/N-stelsel ?
ANTWOORD
In tegenstelling tot wat het geachte lid meent wordt de roerende voorheffing op inkomsten uit vastrentende effecten niet bij elke tussentijdse verkoop geïnd, doch in de regel enkel op de vervaldag of op het ogenblik van de vervroegde terugbetaling of inkoop van het effect door de emittent.
Voor het overige wordt verwezen naar het antwoord dat ik heb verstrekt op de door het geachte lid gestelde parlementaire vraag nr. 1564 van dezelfde datum als de onderhavige vraag.
Met betrekking tot kapitalisatiebons en zerobons die niet worden bijgehouden in een vereffeningsstelsel als bedoeld in artikel 1, 1°, van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten kan ik nog verduidelijken dat het behoud van de onmogelijkheid om te verzaken aan de roerende voorheffing op de betrokken inkomsten voortvloeit uit het feit dat het niet mogelijk is, voor effecten met een duurtijd van meer dan drie jaar, zich ervan te vergewissen dat - desgevallend - een vrijstelling die op de eindvervaldag van de effecten zou worden toegekend, met recht wordt toegekend.