Parlementaire vraag nr. 853 van de heer De Roo van 21.09.1994

VRAAG 94/853
Bull. nr. 746, pag. 612
Roerende inkomsten - Harmonisering van de fiscaliteit
In het kader van de Europese eenmaking werd veel aandacht besteed aan de vrijmaking van het kapitaalverkeer binnen de Europese Unie. Deze vrijmaking ging evenwel niet gepaard met een harmonisering van de fiscaliteit op roerende inkomsten. Nochtans is dit één wezenlijk aspect om scheeftrekkingen tussen Europese lidstaten te vermijden.
Daarnaast heeft een studie van het Planbureau uitgewezen dat in 1993 52,9 pct. van de vastrentende activa ter waarde van 6 688 miljard frank vrijgesteld waren of ontsnappen aan de Belgische voorheffing. Een harmonisering van de roerende voorheffing binnen de Europese Unie op 15 pct. voor vastrentende effecten zou volgens berekeningen van het Planbureau kleine nadelige macro-economische gevolgen hebben maar duidelijke positieve budgettaire consequenties. Na vijf jaar zou het Belgisch overheidstekort dalen met 25 à 40 miljard frank.
1. Welke oorzaken zijn er aan te duiden dat in 1993 52,9 pct. van het totaal aan vastrentende activa vrijgesteld is of ontsnappen aan de Belgische voorheffing ?
2. Welke acties zal de geachte minister ondernemen om in het kader van de Europese Ministerraad de harmonisering van de fiscaliteit van de roerende inkomsten te realiseren ?
3. Worden er binnen de Europese Unie afspraken gemaakt om de controle op de toepassing van de roerende voorheffing op vastrentende effecten strikter te controleren, zoals uitwisseling van informatie tussen de administraties van de Europese lidstaten ?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden te vinden op de door hem gestelde vragen.
Vraag 1
Naast de in de artikelen 264 en 265 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de roerende voorheffing, kan de Koning op grond van artikel 266 van hetzelfde wetboek verzaken aan de inning van de roerende voorheffing met betrekking tot bepaalde inkomsten onder de voorwaarden en binnen de grenzen die Hij bepaalt (zie dienaangaande de artikelen 106 tot 108, 110, 113 tot 116 van het koninklijk besluit tot uitvoering van voormeld wetboek).
Bovendien zijn er bijzondere vrijstellingsregimes voorzien inzonderheid met betrekking tot bepaalde gedematerialiseerde effecten van de staatsschuld, lineaire obligaties en gedematerialiseerde thesaurie- en depositobewijzen alsmede met betrekking tot de effecten die in een vereffeningsstelsel als bedoeld in artikel 1, 1°, van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten, worden bijgehouden.
Vraag 2
België is sedert 1988 een actief verdediger van een voorstel van EEG- richtlijn dat erop gericht is in elke lidstaat een bronheffing op inkomsten uit spaargelden in te stellen. Ondanks de inspanningen die in 1989 werden gedaan was het niet mogelijk het akkoord van alle lidstaten te verkrijgen omtrent dit voorstel van richtlijn. De druk om te handelen werd evenwel steeds groter, wat mij ertoe gebracht heeft dit dossier opnieuw naar voren te brengen ter gelegenheid van het Belgische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie (EU); ik heb persoonlijk erop toegezien dat de werkzaamheden met betrekking tot de fiscaliteit van spaargelden werden aangevat vanaf het begin van het genoemde voorzitterschap. Momenteel, onder het Duitse voorzitterschap, wordt dit dossier beschouwd als een voorrangsdossier en blijft men van Duitse zijde, met de actieve steun van België, proberen om tot een akkoord te komen.
Vraag 3
Een richtlijn van 1977 regelt de wederzijdse bijstand tussen de lidstaten op het gebied van de inkomstenbelastingen. Deze richtlijn werd in 1979 uitgebreid tot de BTW. In deze context heeft het Permanent Comité van de leiders van de belastingadministraties van de EU een werkgroep inzake de wederzijdse bijstand opgericht, die tot taak heeft de middelen te bestuderen om de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten te verbeteren.