Parlementaire vraag nr. 876 van de heer Didden van 02.05.1997
VRAAG 97/876
Bull. nr. 784, pag. 1565
Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 106, blz. 14398-14402
Toepassing van vraag om inlichtingen
SAMENVATTING
De Administratie kan vragen om inlichtingen stellen zonder voorafgaande controle ter plaatse.
De juistheid van de verzendingsdatum is heel eenvoudig te controleren daar de datum steeds op het formulier wordt vermeld.
De ontvangstdatum wordt echt verklaard door de vermelding van naam en graad van de daartoe bevoegde ambtenaar, gevolgd door zijn handtekening.
VRAAG
Artikel 315 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) is de basis van onderzoek en controle. Tegenwoordig stel ik echter vast dat de belastingadministratie dit artikel meer en meer niet gebruikt. Tot mijn grote verrassing krijgen de belastingplichtigen vragen op basis van artikel 316 WIB 1992. Nergens wordt gemotiveerd waarom men artikel 315 WIB 1992 weigert te gebruiken en bij de vragen gesteld op basis van artikel 316 WIB 1992 worden de vragen nooit gemotiveerd.
Nochtans is artikel 316 een federale materie vallende onder de wetgeving betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Verder stel ik vast dat document nr. 332 "Inkomstenbelasting - vraag om inlichtingen" vermeldt: "Krachtens artikel 316 WIB 1992 is de belastingplichtige verplicht de administratie, op haar verzoek, binnen een maand na datum van verzending van de aanvraag, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand. U dient derhalve de hierna gestelde vragen te beantwoorden binnen een termijn van een maand na de datum van verzending van deze aanvraag. Die termijn kan worden verlengd wegens wettige redenen, die mij voor het verstrijken ervan zijn mede te delen. Ik acht het nuttig u eveneens te wijzen:
- op de bepalingen van artikel 351 WIB 11992 op grond waarvan de administratie de aanslag ambtshalve kan vestigen onder meer ingeval de belastingplichtige nagelaten heeft de gevraagde inlichtingen binnen de gestelde termijnen te verstrekken;
- op de bepalingen van artikel 352 WIB 1992 die bij ambtshalve aanslag de bewijslast van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere in aanmerking komende gegevens ten laste leggen van de belastingplichtige die niet aantoont, dat wettige redenen hem hebben verhinderd die inlichtingen binnen de gestelde termijn te verstrekken;
- op de bepalingen van de artikels 445 en 449 WIB 1992, die in de toepassing voorzien van administratieve boeten en van strafrechtelijke sancties wegens de overtreding van artikel 316 waarover het gaat."
1. Is u de mening toegedaan dat enkel vermeldingen van nadelige fragmenten in document 332 voor de belastingplichtigen zonder rechtspraak beantwoorden aan de criteria van klantvriendelijkheid en van behoorlijk bestuur, zoals u geantwoord hebt op vraag nr. 537 van 13 augustus 1996 van de heer Daems (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1996-1997, nr. 68, blz. 9075)?
2.
| a) | Is u van mening dat artikel 315 WIB 1992 een absoluut recht is van de belastingplichtigen en dat slechts uitzonderlijk en met een duidelijke motivatie uitsluitend artikel 316 gebruikt mag worden? |
| b) | Is artikel 316 niet supplementair? |
3. Is u van mening dat de vraag om inlichtingen een federale handeling is en dat artikel 3 van de motivatiewetgeving van toepassing is?
4.
| a) | Mag de belastingcontroleur zonder motivering artikel 315 terzijde schuiven en zomaar artikel 316 toepassen? |
| b) | Hoe garandeert artikel 316 een grondige controle? |
| c) | Is artikel 3 van de motivatiewetgeving ingevoerd om de overheid te verplichten duidelijk te stellen waarom men een bepaalde vraag stelt of waarom een bepaalde bestuurshandeling gesteld wordt door de federale overheid ? |
5. Indien vragen om inlichtingen worden verstuurd zonder voorafgaandelijke controle, mag dan worden verondersteld dat al de andere aangiften correct werden bevonden?
6. Mag een correspondent in plaats van de behandelende ambtenaar een dergelijke vraag om inlichtingen sturen of zelfs controles uitvoeren?
7. Is de administratie op het formulier 332 verplicht de naam van de behandelende ambtenaar te vermelden, zoals vereist door de wetgeving van de openbaarheid van bestuur?
8. De rechtspraak heeft herhaaldelijk "binnen een termijn van een maand na verzending van deze aanvraag" als onwettig verklaard (hof van beroep van Brussel, 14 april 1987, hof van beroep van Luik, 4 februari 1987).
| a) | Wat is uw standpunt in verband met dit formulier 332 dienaangaande? |
| b) | Is de term "na ontvangst" de enige juiste benaming? |
9. Hoe verifieert de administratie de juistheid van de verzendingsdatum ?
10.
| a) | Is artikel 10 van de Grondwet toepasselijk op de belastingplichtige inzake datum van verzending? |
| b) | Waarom beroept de administratie zich bij sanctionering op de "ontvangstdatum" in plaats van "de verzendingsdatum"? |
11. Is u van mening dat het nuttig zou zijn aan het Arbitragehof oordeel te vragen aangaande het voorrecht van de belastingplichtige van artikel 315 WIB 1992 en aangaande de begindatum van de omstreden termijn van dertig dagen?
12. Is u van mening dat het weigeren van belastingcontrole ter plaatse door de administratie, zoals bepaald in artikel 315, de rechten van de belastingplichtige schendt?
13. Mag de belastingambtenaar zich beroepen op een circulaire om de aanslag te vestigen?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna het antwoord op de gestelde vragen te vinden.
1. De verwijzingen naar de artikelen 351, 352, 445 en 449 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) in het document 332 (vraag om inlichtingen) hebben tot doel de belastingplichtige zo volledig mogelijk in te lichten nopens de eventuele wettelijke gevolgen die het niet of het niet tijdig beantwoorden van een vraag om inlichtingen kan hebben. Het document beantwoordt dus wel degelijk aan de beginselen van bekoorlijk bestuur.
2 tot en met 4 en 12. De Administratie der directe belastingen beschikt over verscheidene onderzoeksmethodes teneinde haar controleopdrachten zo correct mogelijk uit te voeren. Die methodes zijn opgesomd in Titel VII, Hoofdstuk III, WIB 1992.
De gebruikte werkmethoden voor het onderzoek van de fiscale toestand van de belastingplichtige worden door de taxatieambtenaar, in het licht van het volledige dossier en binnen de grenzen van de hem verleende onderzoeksbevoegdheden, onder toezicht van de dienstleider bepaald.
Hij is er niet toe gehouden te motiveren waarom hij al dan niet een bepaalde onderzoeksmethode gebruikt daar de toegepaste onderzoeksmethode geen bestuurshandeling is zoals bedoeld in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Door het niet toepassen van artikel 315, WIB 1992 (onderzoek bij de belastingplichtige zelf) worden evenmin de rechten van de belastingplichtige geschonden daar artikel 315, WIB 1992, slechts één van de hiervoor bedoelde onderzoeksmethodes is waaruit de aanslagambtenaar kan kiezen.
| 5. | Het antwoord luidt ontkennend. |
6. Waar in principe alle stukken die.uitgaan van een dienst door de bevoegde leider worden ondertekend, kan deze nochtans voor bepaalde gevallen of handelingen de machtiging verlenen om onder meer bepaalde stukken te tekenen.
7. De taxatieambtenaren zijn ertoe gehouden op elke briefwisseling, dus ook op het formulier 332, de naam, de hoedanigheid en het telefoonnummer van de behandelende ambtenaar te vermelden.
8 tot en met 10. De gebruikte terminologie van het formulier 332 sluit aan bij die van artikel 316, WIB 1992. Het is namelijk de wet zelf die bepaalt dat een vraag om inlichtingen binnen een maand na de datum van de aanvraag moet worden beantwoord.
De juistheid van die verzendingsdatum is heel eenvoudig te controleren daar de datum steeds op het formulier wordt vermeld.
De administratie beroept zich, bij een eventuele sanctionering wegens laattijdig antwoord, op de datum van ontvangst van het antwoord. Het is immers die datum die zal bepalen of het antwoord al dan niet binnen de gestelde termijn werd verstrekt. Wanneer het antwoord op een vraag om inlichtingen dat door de belastingplichtige is gedagtekend en ondertekend vóór het verstrijken van de gestelde termijn of dat is ondertekend zonder vermelding van datum, slechts na het verstrijken van die termijn aan de aanslagdienst wordt bezorgd, moet de ontvangstdatum worden aangebracht. Die ontvangstdatum wordt echt verklaard door de vermelding van naam en graad van de daartoe bevoegde ambtenaar, gevolgd door zijn handtekening; eventueel wordt de briefomslag bewaard.
De voormelde werkwijze wordt voor elke vraag om inlichtingen toegepast zodat artikel 10 van de Grondwet niet wordt geschonden.
11. Het staat de belastingplichtige vrij iedere wettelijke regel ter beoordeling aan het Arbitragehof voor te leggen indien daar wettige redenen toe zijn.
13. De aanslagen inzake inkomstenbelastingen worden gevestigd op grond van de bepalingen van het WIB 1992 en van de ter uitvoering daarvan getroffen besluiten.
Bron: FisconetPlus
