Parlementaire vraag nr. 173 van de heer Simonet van 01.12.1995

VRAAG 95/173
Bull. nr. 764, pag. 1974
Inkomstenbelastingen - Belasting van niet-inwoners - Bedrijfsvoorheffing - Vennoten van partnerships
Krachtens artikel 364 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het geheel van de winst of de baten van burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid zoals partnerships geacht aan de vennoten of leden te zijn toegekend op de datum van de afsluiting van de jaarrekening waarop het betrekking heeft of op 31 december van het jaar bij gebreke van een boekhouding. Laten we veronderstellen dat die inkomsten op 31 december worden toegekend. Conform artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 juni 1993 tot vaststelling van de bedrijfsvoorheffing op winst en op baten van niet-inwonende vennoten of leden van burgerlijke vennootschappen of van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 229, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moet de op de baten van niet-inwonende vennoten van partnerships af te houden bedrijfsvoorheffing binnen 15 dagen na het verstrijken van de maand waarin de inkomsten geacht worden te zijn toegekend of betaalbaar gesteld, worden betaald.
In onze hypothese zou de bedrijfsvoorheffing op 15 januari moeten zijn betaald. Vaak is het voor een partnership echter materieel onmogelijk om binnen een tijdsbestek van 15 dagen zijn winst te bepalen en op grond daarvan vervolgens het aandeel van elke vennoot vast te stellen. Om de huidige wetgeving na te leven zijn partnerships dus gedwongen de bedrijfsvoorheffing op grond van schattingen te betalen. Indien het bedrag van de bedrijfsvoorheffing verkeerd wordt ingeschat, kunnen de vennoten het te veel geïnde bedrag slechts terugvorderen aan de hand van een bezwaarschrift.
1. Kan voor de betaling van die bedrijfsvoorheffing geen afwijking op de termijn van 15 dagen toegestaan worden ? Zo zou de uiterste betaaldag voor de voorheffing in ons voorbeeld op 30 april van het jaar dat volgt op het dienstjaar kunnen worden vastgesteld, aangezien de bijzondere opgave van de resultaten van de vereniging uiterlijk op die datum bij de administratie moet worden ingeleverd (cf. artikel 4, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit van 2 juni 1993).
2. Werden voor de tot vandaag te betalen bedrijfsvoorheffingen instructies gegeven naar analogie van de vroegere bepalingen van artikel 303/8 van de Administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen (die in afwijkingen voorzagen voor een aantal gevallen waarin het exacte bedrag van de bedrijfsvoorheffing niet tijdig kon worden vastgesteld; die instructies werden niet in de Administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opgenomen) ?
3. Zo neen, komen er instructies of bepalingen met terugwerkende kracht om de straffen die normaliter in geval van laattijdige aangifte en betaling van de bedrijfsvoorheffing worden toegepast, te milderen ?
ANTWOORD
Een voorstel om de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen te wijzigen in de door het geacht lid gewenste zin is in onderzoek bij de Administratie der directe belastingen.
Die administratie heeft geen enkele onderrichting verspreid die vergelijkbaar is met die welke was opgenomen onder nr. 303/8 van de Administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen. De uiterste betaaldata die zijn opgenomen in artikel 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn inderdaad vastgelegd door artikel 38 van de wet van 28 juli 1992 en het is de administratie niet toegelaten af te wijken van die wettelijke bepalingen van openbare orde.
Bijgevolg bestaat er ook geen afwijking wat het verschuldigd zijn van de nalatigheidsinterest betreft.
Vanzelfsprekend kunnen de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing in deze gevallen de last van bedoelde interest verminderen indien zij voor de 15e van de vervalmaand een provisie op de door de desbetreffende periode verschuldigde voorheffing aangeven en storten. Ze zijn evenwel verplicht hun toestand zo spoedig mogelijk te regulariseren, hetzij met een negatieve aangifte, hetzij met een aanvullende aangifte en met de daarmee overeenstemmende betaling.
Indien het bedrag van de gestorte provisie ongeveer overeenstemt met de verschuldigde bedrijfsvoorheffing, kan worden afgezien van het opleggen van sancties ten overstaan van bovenbedoelde belastingplichtigen die op voormelde wijze hebben gehandeld. Onderrichtingen in die zin zullen worden medegedeeld.