Parlementaire vraag nr. 3-583 van mevrouw Van de Casteele van 31.12.2003
VRAAG 03/3/583
Vraag nr. 3-583 van mevrouw Van de Casteele dd. 31.12.2003
Vr. en Antw., Senaat, 2003-2004, nr. 3-9, blz. 582-583
Zorgverstrekker - Sociale pensioenovereenkomst - Gewone pensioenovereenkomst
VRAAG
Artikel 128 van de programmawet verwijst naar de voorwaarden, vermeld in artikel 46, § 1, van de programmawet (I) van 24 december 2002, opdat een loontrekkende zorgverstrekker toch een aanvullend pensioen zou kunnen opbouwen in uitvoering van de programmawet van december 2002.
Door enkel te verwijzen naar artikel 46, § 1, wordt de indruk gewekt dat deze loontrekkende zorgverstrekker enkel kan opteren voor een sociale pensioenovereenkomst, daar waar zijn zelfstandige collega de keuze heeft tussen een gewone en een sociale pensioenovereenkomst.
Kan de geachte minister bevestigen dat ook de loontrekkende zorgverstrekker, zoals trouwens afgeleid zou kunnen worden uit artikel 54, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en gewijzigd door artikel 128 van het de programmawet, wel degelijk de keuze heeft tussen een gewone en een sociale pensioenovereenkomst?
Tot vóór 1 januari 2004 kunnen ook de zelfstandigen in bijberoep een aanvullend pensioen opbouwen via het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen.
De programmawet (I) van 24 december 2002 die de aanvullende pensioenopbouw voor de zelfstandigen wil democratiseren, verwijst in het toepassingsgebied niet expliciet naar artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen dat de zelfstandigen in bijberoep viseert.
Kan de geachte minister bevestigen dat de zelfstandigen in bijberoep wel degelijk in aanmerking blijven komen om een aanvullend pensioen op te bouwen in uitvoering van de programmawet (I) van 24 december 2002?
ANTWOORD (minister van Werk en Pensioenen)
Gelieve hierna het antwoord op de gestelde vraag te vinden.
Wat de loontrekkende zorgverstrekkers betreft.
Artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en gewijzigd door artikel 128 van de programmawet van 22 december 2003, regelt in wezen twee onderscheiden rechten.
Paragraaf 1 verleent aan geconventioneerde zorgverstrekkers het recht op een tussenkomst lastens het RIZIV in de financiering van een invaliditeitsverzekering of een pensioenverzekering. Wat de pensioenverzekeringen betreft wordt dit voordeel zowel toegekend aan zelfstandige als aan loontrekkende zorgverstrekkers op voorwaarde dat de tussenkomst van het RIZIV wordt gestort in het kader van een pensioenovereenkomst of een pensioenstelsel dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, § 1, van de programmawet van 24 december 2002. Het dient meer bepaald te gaan om een sociale pensioenovereenkomst of om een pensioenstelsel dat aan gelijkwaardige voorwaarden voldoet. Deze voorwaarde geldt zowel voor werknemers als voor zelfstandigen.
Paragraaf 2 verleent aan de geconventioneerde loontrekkende zorgverstrekkers het recht om via persoonlijke bijdragen een aanvullend pensioen op te bouwen. Deze mogelijkheid werd toegekend omdat de loontrekkende zorgverstrekkers geen toegang hebben tot het aanvullend pensioen voor zelfstandigen. Om in aanmerking te komen voor dit voordeel is vereist dat de persoonlijke bijdragen worden gestort in het kader van een pensioenovereenkomst of een pensioenstelsel dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, § 1, van de programmawet van 24 december 2002. Het betreft met andere woorden enkel sociale pensioenovereenkomsten of pensioenstelsels die aan gelijkwaardige voorwaarden voldoen. Dit zijn dezelfde pensioencontracten als degene die in aanmerking komen voor een tussenkomst van het RIZIV. Uit artikel 54, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, kan niet worden afgeleid dat ook gewone pensioenovereenkomsten in aanmerking komen. Dit lid legt enkel de bijdrage vast die maximaal in rekening kan worden gebracht.
2. Wat de zelfstandigen in bijberoep betreft.
De programmawet van 24 december 2002 verwijst voor het toepassingsgebied van het stelsel van de aanvullende pensioen voor zelfstandigen naar de verzekeringsplichtige zelfstandige die de voor een hoofdberoep voorziene bijdragen verschuldigd is, overeenkomstig artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociale statuut der zelfstandigen. In beginsel komen de zelfstandigen in bijberoep dus niet in aanmerking voor de opbouw van een aanvullend pensioen als zelfstandige.
Indien de beroepsinkomsten van de zelfstandige in bijberoep evenwel het drempelbedrag voorzien in artikel 12, § 1, van voormeld koninklijk besluit nr. 38 overschrijden, zijn zij dezelfde bijdragen verschuldigd als de zelfstandigen in hoofdberoep. In dat geval komen zij wel in aanmerking voor de opbouw van een aanvullend pensioen. Dit drempelbedrag bedraagt thans 8 924,24 euro. Deze situatie stemt overeen met hetgeen gold vóór 1 januari 2004.
Vraag nr. 3-583 van mevrouw Van de Casteele dd. 31.12.2003
Vr. en Antw., Senaat, 2003-2004, nr. 3-9, blz. 582-583
Zorgverstrekker - Sociale pensioenovereenkomst - Gewone pensioenovereenkomst
VRAAG
Artikel 128 van de programmawet verwijst naar de voorwaarden, vermeld in artikel 46, § 1, van de programmawet (I) van 24 december 2002, opdat een loontrekkende zorgverstrekker toch een aanvullend pensioen zou kunnen opbouwen in uitvoering van de programmawet van december 2002.
Door enkel te verwijzen naar artikel 46, § 1, wordt de indruk gewekt dat deze loontrekkende zorgverstrekker enkel kan opteren voor een sociale pensioenovereenkomst, daar waar zijn zelfstandige collega de keuze heeft tussen een gewone en een sociale pensioenovereenkomst.
Kan de geachte minister bevestigen dat ook de loontrekkende zorgverstrekker, zoals trouwens afgeleid zou kunnen worden uit artikel 54, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en gewijzigd door artikel 128 van het de programmawet, wel degelijk de keuze heeft tussen een gewone en een sociale pensioenovereenkomst?
Tot vóór 1 januari 2004 kunnen ook de zelfstandigen in bijberoep een aanvullend pensioen opbouwen via het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen.
De programmawet (I) van 24 december 2002 die de aanvullende pensioenopbouw voor de zelfstandigen wil democratiseren, verwijst in het toepassingsgebied niet expliciet naar artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen dat de zelfstandigen in bijberoep viseert.
Kan de geachte minister bevestigen dat de zelfstandigen in bijberoep wel degelijk in aanmerking blijven komen om een aanvullend pensioen op te bouwen in uitvoering van de programmawet (I) van 24 december 2002?
ANTWOORD (minister van Werk en Pensioenen)
Gelieve hierna het antwoord op de gestelde vraag te vinden.
Wat de loontrekkende zorgverstrekkers betreft.
Artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en gewijzigd door artikel 128 van de programmawet van 22 december 2003, regelt in wezen twee onderscheiden rechten.
Paragraaf 1 verleent aan geconventioneerde zorgverstrekkers het recht op een tussenkomst lastens het RIZIV in de financiering van een invaliditeitsverzekering of een pensioenverzekering. Wat de pensioenverzekeringen betreft wordt dit voordeel zowel toegekend aan zelfstandige als aan loontrekkende zorgverstrekkers op voorwaarde dat de tussenkomst van het RIZIV wordt gestort in het kader van een pensioenovereenkomst of een pensioenstelsel dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, § 1, van de programmawet van 24 december 2002. Het dient meer bepaald te gaan om een sociale pensioenovereenkomst of om een pensioenstelsel dat aan gelijkwaardige voorwaarden voldoet. Deze voorwaarde geldt zowel voor werknemers als voor zelfstandigen.
Paragraaf 2 verleent aan de geconventioneerde loontrekkende zorgverstrekkers het recht om via persoonlijke bijdragen een aanvullend pensioen op te bouwen. Deze mogelijkheid werd toegekend omdat de loontrekkende zorgverstrekkers geen toegang hebben tot het aanvullend pensioen voor zelfstandigen. Om in aanmerking te komen voor dit voordeel is vereist dat de persoonlijke bijdragen worden gestort in het kader van een pensioenovereenkomst of een pensioenstelsel dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, § 1, van de programmawet van 24 december 2002. Het betreft met andere woorden enkel sociale pensioenovereenkomsten of pensioenstelsels die aan gelijkwaardige voorwaarden voldoen. Dit zijn dezelfde pensioencontracten als degene die in aanmerking komen voor een tussenkomst van het RIZIV. Uit artikel 54, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, kan niet worden afgeleid dat ook gewone pensioenovereenkomsten in aanmerking komen. Dit lid legt enkel de bijdrage vast die maximaal in rekening kan worden gebracht.
2. Wat de zelfstandigen in bijberoep betreft.
De programmawet van 24 december 2002 verwijst voor het toepassingsgebied van het stelsel van de aanvullende pensioen voor zelfstandigen naar de verzekeringsplichtige zelfstandige die de voor een hoofdberoep voorziene bijdragen verschuldigd is, overeenkomstig artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociale statuut der zelfstandigen. In beginsel komen de zelfstandigen in bijberoep dus niet in aanmerking voor de opbouw van een aanvullend pensioen als zelfstandige.
Indien de beroepsinkomsten van de zelfstandige in bijberoep evenwel het drempelbedrag voorzien in artikel 12, § 1, van voormeld koninklijk besluit nr. 38 overschrijden, zijn zij dezelfde bijdragen verschuldigd als de zelfstandigen in hoofdberoep. In dat geval komen zij wel in aanmerking voor de opbouw van een aanvullend pensioen. Dit drempelbedrag bedraagt thans 8 924,24 euro. Deze situatie stemt overeen met hetgeen gold vóór 1 januari 2004.
Bron: FisconetPlus
