Parlementaire vraag nr. C51 van de heer De Meyer van 08.11.2005
Mondelinge parlementaire vraag nr. C51 van de heer De Meyer dd. 08.11.2005
Hand., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. C51 - FIN5, blz. 1-4
Onroerende voorheffing - Vermindering - Schoolgebouwen
VRAAG
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 21 oktober 2004 heb ik u al geïnterpelleerd over dit aanslepende probleem, en minister Vandenbroucke heeft toen in uw naam geantwoord. Op 23 juni 2005 ondervroeg ook mevrouw Rombouts minister Vandenbroucke over het al of niet commerciële karakter van de verhuur door scholen van sportinfrastructuur aan sportverenigingen. In de beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004-2009 en nogmaals in de beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2005-2006 staat dat de minister in het kader van de zogenaamde brede school, de hindernissen uit de weg zal ruimen die scholen ondervinden wanneer ze hun infrastructuur willen openstellen aan onder meer jeugd- en cultuurverenigingen of sportclubs.
Ik blijf echter geluiden opvangen over het onheuse optreden van ambtenaren van de administratie Financiën van de Vlaamse Gemeenschap, die problemen maken over de vrijstelling van onroerende voorheffing voor bepaalde schoolgebouwen.
Volgens de bestaande rechtspraak rond de toepassing van artikel 253 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen staat er niet in de wet dat het onroerend goed voor niets anders gebruikt mag worden dan voor onderwijs. De terbeschikkingstelling van de schoolinfrastructuur na de schooluren aan een andere organisatie doet dus in principe geen afbreuk aan het recht op vrijstelling van onroerende voorheffing, zoals opgenomen in artikel 253. De ambtenaren moeten wel nagaan of de terbeschikkingstelling een winst betekent voor de school. In de meeste gevallen betaalt de gebruiker slechts een gebruiksvergoeding voor verwarming, verlichting en onderhoud. Dergelijke vergoeding kan voor de ambtenaren geen voorwendsel zijn om de vrijstelling niet langer toe te kennen. We mogen daarbij overigens niet uit het oog verliezen dat de werkingsmiddelen van de scholen momenteel onvoldoende zijn om de kosten van het organiseren van onderwijs volledig te dekken.
Mijnheer de minister, hebt u weet van problemen in verband met het optreden van ambtenaren met betrekking tot het al dan niet verlenen van de vrijstelling van onroerende voorheffing? Zo ja, lijken die problemen arbitrair verspreid in geografisch opzicht? Bent u bereid maatregelen te nemen tegen dergelijk optreden, als zou blijken dat dit niet strookt met de bovengeschetste regels? Zo ja, welke maatregelen?
ANTWOORD (van de heer Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening)
Mijnheer de voorzitter, voordat we het hebben over de grond van de zaak, moeten we het in deze commissie eens zijn over een aantal basisprincipes. Ik heb begrepen dat het hier gaat over het 'onheuse optreden' van ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap die problemen maken over de vrijstelling van onroerende voorheffing voor bepaalde schoolgebouwen. In de vraag wordt geïnsinueerd dat de ambtenaren onheus optreden en problemen maken. Ik ben het daar fundamenteel mee oneens.
Voor ik antwoord op de inhoud, wil ik twee reflecties voorleggen aan deze commissie. Fiscale ambtenaren hebben per definitie als professionele taak kritische onderzoeksverrichtingen uit te voeren, en dit kan niet meteen worden gelijkgeschakeld met het maken van problemen. Mijnheer De Meyer, u hebt het over ambtenaren die de professionele opdracht hebben om na te gaan of de voorwaarden tot het bekomen van een vrijstelling van onroerende voorheffing zijn vervuld. Ze leven daarmee een specifieke controlerende, wettelijke opdracht na. Ik vind het vrij normaal dat deze ambtenaren aan de betrokken belastingplichtigen kritische vragen stellen en indien nodig ook inzage vragen in bepaalde stukken om de situatie op een ernstige manier te kunnen beoordelen en zo tot een juiste conclusie te komen. Indien ik zou vernemen dat er helemaal geen of onvoldoende controleverrichtingen zouden gebeuren, dan zou ik eveneens verontrust zijn. Het feit dat ambtenaren deze controletaken uitvoeren, doet me daarom niet meteen besluiten dat ze problemen maken of onheus optreden, ook al leidt dit in sommige gevallen tot het feit dat de administratie niet altijd die beslissing neemt waarop een belastingplichtige had gehoopt of gerekend.
Een tweede reflectie is dan of het feit dat iemand ongelijk krijgt, gelijkstaat met een onheuse behandeling. Als in een dossier de administratie een belastingplichtige ongelijk geeft, dan mag het niet zijn dat de administratie per definitie onheus heeft gehandeld. Ik zou alleszins die conclusie niet willen trekken. Uiteraard spreekt het voor zich dat ambtenaren - en zeker fiscale ambtenaren - op een correcte en vooral klantvriendelijke manier hun opdracht en taken moeten uitvoeren. Het kan inderdaad niet dat ambtenaren een heksenjacht zouden organiseren tegen een bepaalde categorie van belastingplichtigen. Mocht dat het geval zijn, dan zult u in mij een medestander vinden, want ook dat is absoluut onaanvaardbaar.
Mijnheer De Meyer, naar aanleiding van uw vraag heb ik onmiddellijk de leidinggevend ambtenaar van de administratie Financieel Management ingeschakeld. Hij heeft me bevestigd dat er geen sprake is van enig arbitrair optreden, al dan niet geografisch gespreid, van ambtenaren in verband met het verlenen van een vrijstelling van onroerende voorheffing. Ik moet er wel meteen aan toevoegen dat ik niet persoonlijk de ambtenaren vergezel om na te gaan hoe ze de dossiers aanpakken. Ik verkrijg de informatie van de leiding van de administratie. Tot nader order zal ik me daar ook naar schikken.
Om te kunnen nagaan of het volgens u 'onheuse optreden' op de realiteit gebaseerd is, vraag ik u me de concrete gegevens van de dossiers mee te delen. Op basis daarvan kan de administratie Financieel Management een onderzoek laten instellen en, zo nodig, de gepaste maatregelen nemen. Ik neem aan, mijnheer de voorzitter, dat dit niet het voorwerp uitmaakt van een bespreking in de commissie voor Financiën.
Mijnheer De Meyer, u vraagt me wat de criteria zijn voor de vrijstelling. Ik zal ze hier even op een rijtje zetten. We kunnen dan zien of deze criteria al dan niet te streng zijn. Het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 voorziet in een vrijstelling van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen ervan die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor onderwijs.
Uit de commentaren op het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 kunnen we opmaken dat deze vrijstelling slechts wordt verleend voor zover gelijktijdig aan drie voorwaarden wordt voldaan. De onroerende goederen of delen ervan moeten hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks bestemd zijn voor onderwijs. Het woord 'onderwijs' impliceert in dit verband een didactische werkzaamheid die door een onderwijzende persoon ten behoeve van een onderwezene wordt beoefend. Dit impliceert een systematische organisatie van didactische werkzaamheden met de bedoeling te onderrichten volgens de klassieke verhouding meester-leerling. Daarnaast moeten onroerende goederen of delen ervan systematisch worden aangewend voor het geven van onderwijs. Met 'systematisch aanwenden' wordt bedoeld dat lokalen werkelijk en geregeld voor onderwijs moeten worden aangewend zodat louter occasioneel gebruik de toekenning van de vrijstelling in de weg staat. Het gebruik mag dus niet toevallig of bijkomstig zijn.
Ten slotte is er nog een derde voorwaarde, die waarschijnlijk aanleiding geeft tot nogal wat discussie. In hoofde van de belastingplichtige moet elk winstbejag ontbreken. Dat houdt in dat hij uit zijn gebouw geen voordeel of baat haalt. Volgens een recente evolutie in de rechtspraak dient men evenwel aan te nemen dat er voldaan is aan deze derde voorwaarde, zelfs wanneer de belastingplichtige een voordeel uit zijn onroerende goederen behaalt, indien hij het bewijs levert dat dit voordeel werkelijk en uitsluitend wordt gebruikt voor de instandhouding en de uitbreiding van het onderwijs waartoe zijn onroerende goederen worden aangewend en dat het geen verdoken winst uitmaakt. Het feit dat bijvoorbeeld een gebouw of lokaal na de lesuren voor een andere activiteit wordt gebruikt en dat daarvoor een vergoeding wordt betaald, heeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat er geen vrijstelling kan worden toegekend. Een klassiek voorbeeld is het verhuren van een sporthal aan sportverenigingen of andere, waarvan de opbrengst nadien wordt gebruikt voor het leggen van een nieuwe sportvloer. Het is vooral de derde voorwaarde die aanleiding kan geven tot discussies. Het gaat om een feitenkwestie, die nu eenmaal met de nodige dosis gezond verstand moet worden benaderd.
Wanneer cumulatief aan de drie voorwaarden is voldaan, dan verleent de Vlaamse belastingadministratie de vrijstelling.
Jaarlijks worden er tussen 1500 en 2000 aanvragen tot vrijstelling ingediend. Sinds 1999 beschikken we over de exacte cijfers. Ik zal ze overmaken aan de voorzitter van de commissie. Daaruit blijkt dat 19 percent van de gevallen in 1999 werd afgewezen. In 2000 was dat 22 percent, in 2001 ging het om 24 percent, in 2002 en 2003 om 26 percent, in 2004, ten slotte, om 25 percent. Dat betekent dat tussen 75 en 80 percent van de vrijstellingen wordt toegekend. Het saldo wordt afgewezen.
Het is logisch dat ik naar aanleiding van uw vrij scherp gestelde vraag de administratie de opdracht heb gegeven om de problematiek en, vooral, het criterium inzake het winstoogmerk dat voor betwisting vatbaar is, grondig en gedetailleerd in kaart te brengen en na te gaan of er uit recente gevallen op het terrein bijkomende conclusies kunnen of moeten worden getrokken. Als het voor de belastingplichtige, maar ook voor de administratie, telkens een beproeving of zelfs onmogelijk wordt om een oordeel te vormen over, voornamelijk, het ontbreken van een winstbejag, dan moeten we ons afvragen of een decretaal ingrijpen niet is aangewezen. Als een school bijvoorbeeld telkens aarzelt om zelfs sporadisch of zeer occasioneel lokalen buiten de lesuren ter beschikking te stellen van derden uit de terechte of onterechte vrees om een fiscaal voordeel te verliezen, of wanneer de gestelde voorwaarden zulke administratieve complicaties met zich meebrengen dat die niet meer in verhouding staan tot de beoogde doelstelling, dan is inderdaad een decretale aanpassing aangewezen.
In ieder geval, als we uit dit bijkomend onderzoek zouden concluderen dat een aanpassing nodig is, dan zal deze voor mij zeer verhelderend moeten zijn voor de regelgeving zelf; met andere woorden, ze moet voldoende duidelijkheid bieden aan de belastingplichtige. Het spreekt voor zich dat we de minister van Onderwijs bij het onderzoek van dit dossier zullen betrekken om na te gaan in hoeverre een nuttige versoepeling mogelijk is. Ik wil mezelf en mijn administratie daartoe engageren, maar ik wil vanzelfsprekend vandaag met de gegevens die mij kenbaar zijn, nog geen enkele conclusie trekken.
Er kan geen enkel misverstand over bestaan: er spelen voor de Vlaamse overheid in dit dossier geen budgettaire overwegingen en deze vormen geen aanleiding tot de positionering van onze ambtenaren op het terrein. U weet ongetwijfeld dat het Vlaamse aandeel in de opbrengst van de onroerende voorheffing absoluut minimaal is. Het Vlaamse Gewest ontvangt vandaag nog 70 miljoen euro uit de totale pot van 2 miljard euro. De gemeenten ontvangen 1,5 miljard euro en de provincies 368 miljoen euro. Ik zou me er als minister feestelijk van af kunnen maken door te zeggen 'laat maar bollen'. Het is echter mijn opdracht en het is de enige geldige drijfveer van een fiscale administratie dat ze overgaat tot de correcte invordering van de belasting zelf met een gelijkberechtiging van alle belastingplichtigen als onaantastbaar uitgangspunt; en tot nader order, zolang als ik op deze stoel zit, zal ik ook hiervan uitgaan.
Het debat stopt hier niet. We hebben intussen contact met de koepels om klachten te bespreken, en om een onheus optreden te verifiëren aan de hand van concrete dossiers. We hebben het engagement van de koepels gekregen dat ze dossiers zullen verzamelen en de briefwisseling tussen scholen en de fiscale administratie. De laatste mail daarover ontving ik op maandag 7 november van een door mij zeer gerespecteerde oud-collega. Op basis van die documenten zal ik de zaak volledig laten uitpluizen. Ofwel is er onheus opgetreden, ofwel stoppen we met dergelijke beschuldigingen aan het adres van fiscale ambtenaren die hun job doen.
WEDERVRAAG (van de heer De Meyer)
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, ik begrijp dat de administratie zich aangesproken voelt door mijn vraag. Mogelijk heeft een strakkere formulering daartoe bijgedragen. Als ik me zo heb uitgedrukt, heb ik dat gedaan omdat ik geschokt ben door dossiers waar ik mee geconfronteerd werd. Laat dat zeer duidelijk zijn.
De vrijstelling van onroerende voorheffing voor schoolgebouwen werd toegekend door de federale overheid. Ik hoop dat Vlaanderen dat op dezelfde correcte en soepele manier zal doen.
Ik verwijs naar punt 8 van de resolutie van het Vlaams Parlement van 5 december 2003, waarin staat 'de schoolinfrastructuur te optimaliseren zodat er door een bredere samenwerking een intensiever gebruik wordt gestimuleerd en de schoolinfrastructuur beter wordt opengesteld voor de gemeenschap'.
Ik neem het dossier dat ik vorig jaar al aanhaalde opnieuw als voorbeeld. De administratie heeft ondertussen eenzelfde uitspraak gedaan. Het betreft een basisschool waar een lokaal van 8 vierkante meter gedurende 30 minuten per week door de gemeente gratis wordt gebruikt voor de stempelcontrole. Daardoor heeft de basisschool haar vrijstelling van onroerende voorheffing verloren. Ik heb dit dossier vorig jaar aan de minister van Onderwijs bezorgd met de uitdrukkelijke vraag om het verder te onderzoeken. Ik ken alleen de conclusie van de administratie van dit jaar en ik heb aan de minister van Onderwijs meermaals gevraagd om me op de hoogte te houden. Hij zou dit ook doorspelen aan de minister van Financiën.
De afgelopen tijd heb ik opnieuw kennis genomen van dossiers die mij door de directies zelf werden bezorgd. Volgens mij was het hoog tijd om dit opnieuw aan te kaarten. Dat ik dit vandaag in een andere toonaard doe dan vorig jaar, zal niemand me kwalijk nemen. Ik ben uitermate tevreden dat ook de koepels zich als betrokken partij opstellen en inspanningen zullen leveren om alle dergelijke dossiers aan u over te maken.
Mijnheer de minister, ik weet dat ik me misschien op glad ijs begeef. Als ambtenaren binnen de administratie commentaar geven op dossiers waarover ze in eerste aanleg hebben geoordeeld, dan ben ik er niet 100 percent zeker van dat hun informatie aan u door de juiste bril is bekeken. Ik zal u in elk geval verder informeren zodat u hierover een goed gefundeerd oordeel kunt vellen.
WEDERANTWOORD (van de heer Van Mechelen)
Mijnheer De Meyer, of mijn administratie zich al dan niet gevat voelt door uw uitlatingen, laat ik in het midden. Ik ben politiek verantwoordelijk voor mijn volledige administratie. Ofwel komt u met harde bewijzen en zal ik dit aanpakken, ofwel stopt deze cafépraat en is het dossier daarmee gesloten.
WEDERANTWOORD (van de heer De Meyer)
Mijnheer de minister, ik neem uw uitlating over cafépraat niet. Ik zal u een aantal dossiers bezorgen, en als u me uitdaagt, zal ik ze ook publiek maken.
WEDERANTWOORD (van de heer Van Mechelen)
Dat mag u. U vraagt me hoe het dossier wordt behandeld door de fiscale administratie en ik heb daarop geantwoord. We hebben trouwens geen enkel belang bij de opbrengst. Mijn ambtenaren werken elk dossier in eer en geweten af en ik heb geen enkele indicatie dat dit niet het geval zou zijn. U hebt het over onheus optreden en ik wil daar bewijzen van. Pas daarna zal ik ingrijpen, maar dat gebeurt niet met een vraag om uitleg of interpellatie.
WEDERVRAAG (van de heer De Meyer)
Mijnheer de minister, ik heb vorig jaar een volledig dossier overhandigd aan uw collega-minister. Ik moet hem toch niet vragen of hij het wel zeker aan u heeft afgegeven? Ik heb hem tweemaal gevraagd om dit op te volgen en hij heeft me beloofd dat dit is gebeurd.
WEDERANTWOORD (van de heer Van Mechelen)
Had dan een kopie aan mij bezorgd. U beschuldigt mijn ambtenaren van onheus optreden. Ik zal hen blijven verdedigen tot u met harde bewijzen komt.
