Parlementaire vraag nr. 172 van de heer Christian Leysen van 13.01.2021
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/037 d.d. 03.02.2021, blz. 73
Wederopbouwreserve en dividend hoofdhuis.
VRAAG (van de heer Leysen)
Deze vraag betreft de toepassing van de regelgeving, opgenomen in de wet van 19 november 2020 houdende de invoering van een wederopbouwreserve voor vennootschappen.
Samengevat is het voor vennootschappen mogelijk om het bedrag van het boekhoudkundig bedrijfsverlies, geleden in boekjaar 2020, tijdelijk belastingvrij te herstellen gedurende de aanslagjaren 2022, 2023 en 2024 en dit via de aanleg van de "wederopbouwreserve".
Het voordeel van deze maatregel wordt luidens het nieuw ingevoerde artikel 194quater/1, § 2, 4° wetboek inkomstenbelastingen (WIB) niet verleend aan de vennootschappen "die in de periode van 12 maart 2020 tot aan de dag van de indiening van de aangifte die verbonden is aan aanslagjaar waarin de wederopbouwreserve wordt aangelegd, een inkoop van eigen aandelen, een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht".
Door de toepassing van artikel 235, 2e lid WIB is deze maatregel ook van toepassing in de belasting der niet-inwoners, althans op de in artikel 227, 2° WIB opgesomde belastingplichtigen.
De vraag stelt zich echter hoe men in hoofde van de in artikel 227, 2° WIB opgesomde belastingplichtigen zal vaststellen wanneer er een dividend werd uitgekeerd.
Dient dergelijke uitkering beoordeeld te worden op het niveau van het vermogen van de Belgische inrichting van de belastingplichtige, en zo ja, op welke wijze?
Of dient dergelijke uitkering beoordeeld te worden op het niveau van het vermogen van de (fiscaal in het buitenland gevestigde) vennootschap, en zo ja, op welke wijze?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
De door u bedoelde maatregel beoogt de solvabiliteitspositie van vennootschappen te herstellen door de mogelijkheid te geven om voor een bepaald bedrag aan winst van het belastbare tijdperk een vrijgestelde wederopbouwreserve aan te leggen. Die wederopbouwreserve zal toelaten dat vennootschappen zo snel mogelijk terug over een gelijkwaardig eigen vermogen beschikken als vóór het COVID-19 tijdperk.
In dat verband is inzonderheid voorzien dat die maatregel niet kan worden toegepast wanneer dividenden worden toegekend of uitgekeerd in de loop van de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van de indiening van de aangifte verbonden met het aanslagjaar waarin de wederopbouwreserve wordt aangelegd.
Voor belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de belasting van niet-inwoners/vennootschappen, betekent dat die voorwaarde zal moeten worden beoordeeld op het niveau van de vennootschap zoals bedoeld in artikel 227, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in haar geheel. In principe moet er worden verwezen naar het begrip dividend in de zin van het hiervoor vermelde wetboek.
Dat beoordelingscriterium is eveneens van toepassing wanneer nadien in een bepaald belastbaar tijdperk dividenden worden toegekend of betaalbaar gesteld waardoor de oorspronkelijk aangelegde wederopbouwreserve geheel of gedeeltelijk zal worden beschouwd als winst van dat belastbare tijdperk.
