Parlementaire vraag nr. 37 van de heer Dehaene van 18.11.2005

Parlementaire vraag nr. 37 van de heer Dehaene dd. 18.11.2005

Vragen en Antwoorden, Vlaams Parlement, nr. 3 - december 2005, blz. 259-261

Onroerende voorheffing - Vrijstellingen

VRAAG

Conform artikel 12/2 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen zijn vrijgesteld van kadastraal inkomen (KI) en dus ook van onroerende voorheffing: de in België gelegen onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of bewoner - zonder winstoogmerk - heeft bestemd voor: 3° het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.

Zowel "Leefbaar wonen" als het "Home voor Daklozen" ondervinden thans problemen met deze vrijstelling.

De administratie stelt dat het louter huisvesten van behoeftigen, hulpbehoevenden, ouden van dagen, … niet volstaat om te vallen onder de (vroegere) term van "godshuizen"; er zou vereist zijn dat er onthaal, opvang, … is.

Verder stelt de administratie dat de loutere erkenning van het weldadigheidskarakter van een instelling onvoldoende is; er moet worden nagegaan of er sprake is van weldadigheidswerk, gelijk te stellen met de opgesomde activiteiten. De administratie meent dat het louter gebruik voor sociale huisvesting onvoldoende is.

Mijns inziens geeft de administratie onvoldoende waarde aan het begrip "weldadigheidsinstellingen". In elk geval betekent deze interpretatie dat zowel "Leefbaar Wonen" als het "Home voor Daklozen" niet lang meer zullen kunnen functioneren, gelet op een bijkomende belasting op onroerend goed.

1. Waarop is bovenvermelde interpretatie van de administratie gebaseerd?

2. Wat is er precies bedoeld met "of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen"?

Vallen ook VZW's die hun patrimonium ter beschikking stellen aan sociale verhuurkantoren onder deze uitzondering?

ANTWOORD (van de heer Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening)

Wat de onroerende voorheffing betreft, voorziet artikel 253, 1° WIB 92 in een vrijstelling voor die onroerende goederen waarvan het kadastraal inkomen (KI) op grond van artikel 12, §1 van het WIB 92 is vrijgesteld.

Artikel 12 van het WIB behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid, aangezien het één van de artikelen is waarin vastgelegd wordt wat al dan niet in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van de personenbelasting. De Raad van State heeft dit bevestigd in een advies van 5 februari 1996 (Gedr. St. Senaat, 1995-96, nr. 20/5). De overheid die over de wetgevende bevoegdheid terzake beschikt, staat ook in voor de interpretatie van de wettekst.

Niettegenstaande de onroerende voorheffing een gewestbelasting is, hetgeen ondermeer tot gevolg heeft dat de gewesten bevoegd zijn voor de verminderingen en vrijstellingen, gebeurt de interpretatie van artikel 12 WIB 92 door de federale belastingdiensten. In concrete dossiers doet de Vlaamse administratie een voorafgaande screening van het winstoogmerk, maar beoordeelt het Kadaster de effectieve aanwending van de kwestieuze goederen tot één van de in de wet opgesomde doeleinden.

Op de specifieke deelvragen luidt het antwoord als volgt.

1. Het administratieve Commentaar op het Wetboek van Inkomstenbelastingen (Comm. IB) en de Circulaires vormen de voornaamste bron van informatie. Commentaar en Circulaires worden zelf opgesteld op basis van algemene rechtsprincipes, wetgeving (bewoording, voorbereidende werken) en evoluties in de rechtspraak.

Artikel 12 § 1 WIB 92 voorziet in een uitzondering op de algemene regel van artikel 6 WIB 92 die zegt dat inkomsten uit onroerende goederen belastbaar zijn. Het is een algemeen rechtsbeginsel dat uitzonderingen steeds beperkend moeten worden geïnterpreteerd. Bovendien moet inzake belastingen de grondwet in acht genomen worden. Artikel 172 GW bepaalt dat geen vrijstelling of vermindering van belastingen kan ingevoerd worden dan door een wet en dat inzake belastingen geen voorrechten mogen verleend worden. Uit voorgaande argumenten moet geconcludeerd worden dat de opsomming uit artikel 12 § 1 WIB 92 enkel beperkend mag worden uitgelegd (Comm. IB 92, 253/16).

2. Onder "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" verstaat men bijgevolg dan ook instellingen waar aan weldadigheidswerken gedaan wordt voor zover deze werken gelijkaardig zijn aan de in de wet opgesomde weldadigheidswerken (zie Comm. IB 253/53 en 253/54), m.n. "het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden".

Ook het Hof van Cassatie heeft deze visie bevestigd. Volgens het Hof is de loutere erkenning van het weldadigheidskarakter van een instelling onvoldoende om het recht op vrijstelling wettelijk te rechtvaardigen. Er moet immers nog uitgemaakt worden of het weldadigheidswerk kan worden gelijkgesteld met de door de wet vermelde instellingen. Niet alle werken met sociale of filosofische strekking brengen de vrijstelling met zich mee. (Cass. 16 juni 1947, Bull. 226, p. 319; Cass. 22 december 1948, Pas. 1948, I, 745).

Sinds de Wet van 21 mei 1996 houdende vrijstelling van het kadastraal inkomen voor het openbaar uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening (B.S. 31 juli 1996) komt de verouderde term "godhuizen" niet meer voor in de wetgeving, maar is deze vervangen door "rusthuizen". De definitie van wat een rusthuis is en de opsomming van met rusthuizen gelijkgestelde instellingen, is terug te vinden in de circulaire Ci. RH. 222/509.586 van 15 september 1998 die uitgaat van de federale administratie van de directe belastingen.

De vroegere rechtspraak meende dat het wezenlijk kenmerk van een godshuis was dat het een huis van gastvrijheid en ontvangst was waar hulpbehoevenden 'om godswil' werden verzorgd. Het betrof niet enkel tehuizen voor ouderen, maar voor allen die hulp nodig hadden. (Luik, 12 december 1957; Luik, 18 mei 1962; Comm. IB 253/ 45 46 60). Het begrip "godshuizen" was ruimer dan "rusthuizen" omdat het ook om opvangtehuizen voor andere personen dan bejaarden kon gaan.

Op basis van hetgeen hiervoor werd gezegd over de beperkende interpretatie van artikel 12 §1 WIB 92, zouden opvangtehuizen voor andere personen dan bejaarden sinds 1996 nog maar moeilijk voor de vrijstelling op grond van artikel 12 §1 WIB 92 in aanmerking kunnen komen. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de voornoemde wet werd echter bevestigd dat ook opvangtehuizen voor andere hulpbehoevende personen dan bejaarden nog als "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" kunnen beschouwd worden (zie Fiscoloog 568 van 22 mei 1996, p.3). Ook in de rechtspraak hebben sindsdien verschillende uitspraken deze laatste stelling bevestigd: opvangtehuis voor gehandicapten (Gent, 19 februari 2002, zie Fisc. Act. 2002, 9/2 en Fiscoloog, 2002, nr. 841, p. 10-11, Rb. Leuven, 2 januari 2004, Fiscoloog, 2004, nr. 930, p. 10; Rb. Hasselt, 1 september 2004, Fiscoloog, 2004, nr. 954, p. 11), opvangcentrum voor vluchtelingen (Rb. Gent, 15 oktober 2003, Fiscoloog, 2003, nr. 916, p. 10).

Het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstelling" blijkt dus wel enige ruimte te bieden voor interpretatie.

Het is mijn federale collega Minister van Financiën die beschikt over de bevoegdheid om een interpretatie te geven van artikel 12 §1 WIB 92 en dus ook van het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstelling".

Finaal zal het de rechter zijn die de definitieve feitelijke situatie zal beoordelen.

Om te antwoorden op de vraag van de Vlaamse volksvertegenwoordiger over de VZW's die hun patrimonium ter beschikking stellen van sociale verhuurkantoren, kan ik verwijzen naar de algemeen geldende voorwaarden voor de vrijstelling: 1) in hoofde van ofwel de belastingplichtige (in casu, de VZW), ofwel de bewoner (in casu, het sociale verhuurkantoor) mag er geen winstoogmerk zijn en 2) het onroerend goed moet gebruikt worden voor de in de wet opgesomde doeleinden. Indien aan deze wettelijke voorwaarden voldaan is, kan de vrijstelling toegekend worden. De constructie VZW - sociaal verhuurkantoor speelt op zich dus geen rol voor het toekennen of uitsluiten van de vrijstelling.