Parlementaire vraag nr. 1411 van mevrouw van Kessel van 10.06.1998

VRAAG 98/1411
Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 149, blz. 20400
Economische vrijstellingen. - Bewijslast.
VRAAG
De fiscale administraties huldigen het principe dat de economische belastingvrijstellingen, wegens hun uitzonderlijk karakter, steeds strikt en stipt dienen geïnterpreteerd te worden. Naast die strikte interpretatie is het keuzestelsel van de degressieve afschrijvingen en de investeringsaftrek niet van toepassing op activa waarvan het gebruik is afgestaan aan derden.
Inzake vennootschapsbelasting rijst de algemene vraag op wie de onderstaande gevallen respectievelijk de bewijslast rust tot het bekomen van die aftrek of die vrijstelling:
a)de degressieve afschrijvingen (artikel 64 WIB 1992);
b)de gewone en de gespreide overdraagbare investeringsaftrek (artikel 199 WIB 1992);
c)
het aanduiden van sommige activa waarvan het gebruik is afgestaan aan derden tot het inroepen van de bepalingen van artikel 75, 3°, WIB 1992 en artikel 43, 2°, van het KB/WIB 1992.
1. Dienen die economische vrijstellingen daarenboven ook te worden beoordeeld in het licht van de strenge bepalingen van de artikelen 49 en 183 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992?
2. Wat is in verband met de bewijslast de "geest" van die beide wettelijke of reglementaire bepalingen?
3. Kan of mag van de belastingplichtige in de beide gevallen een veelal onmogelijk "negatief" bewijs worden geëist?
4. Wat verstaan de belastingadministraties onder een "positief" bewijs voor zover zulks hier wettelijk of reglementair telkens mag of moet worden gevraagd?
5. Welke verdeelsleutels, verhoudingen en berekeningsgrondslagen dienen er gehanteerd te worden wanneer niet alle activa geheel of gedeeltelijk aan derden werden afgestaan?
6.
a) In welke mate en wanneer kan in ieder later aanslagjaar de overdraagbare investeringsaftrek nog worden herzien wanneer deze niet onmiddellijk geheel of gedeeltelijk in aftrek kon worden gebracht in de aangifte van de vennootschapsbelasting verbonden aan het jaar van de nieuwe investering?
b) Kan er sprake zijn van een verjaring, een stilzwijgend akkoord of van een vertrouwensbeginsel wanneer de overdraagbare aftrek na onderzoek reeds eerder werd aangenomen bij een negatief resultaat van het belastbaar tijdperk?
7. Welke procedurele voorschriften dienen er terzake door de administratie der Directe Belastingen of de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te worden nageleefd en welke bewijsvoering moet er worden geleverd bij het weigeren van die beide economische vrijstellingen en het verbeteren van het formulier 276U?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid mee te delen dat de in de vragen verstrekte gegevens wegens het ontbreken van een aantal noodzakelijke beoordelingselementen onvoldoende zijn om een definitief en eenduidig standpunt te kunnen innemen.
Evenwel kan op het algemeen vlak het volgende worden meegedeeld.
Uit een vaste rechtspraak volgt dat ten name van een binnenlandse vennootschap alle activa in principe moeten worden geacht tot de uitoefening van de beroepswerkzaamheid te zijn gebruikt.
Evenwel worden op grond van de artikelen 64 en 75, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 192 (WIB 1992) en artikel 43, 2°, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het voormelde wetboek (KB/WIB 1992), bepaalde vaste activa, inzonderheid deze waarvan het recht van gebruik aan derden is afgestaan, uitgesloten van enerzijds het keuzestelsel van de degressieve afschrijvingen en anderzijds van de investeringsaftrek. Die uitsluitingen dienen dan ook op grond van deze bepalingen te worden beoordeeld.
Wat de eenmalige investeringsaftrek betreft is het de vennootschap zelf die het positieve bewijs moet leveren dat aan de gestelde voorwaarden voor aftrek is voldaan.
Bovendien wordt de overeenkomstig artikel 201, eerste lid, 1°, WIB 1992, vastgestelde investeringsaftrek slechts verleend aan binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen, en die geen deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als vermeld in het koninklijk besluit nr. 187 betreffende de oprichting van de coördinatiecentra. Derhalve zijn vennootschappen die niet het bewijs leveren dat zij in de voormelde eerste voorwaarde voldoen, van de bedoelde investeringsaftrek uitgesloten.
Voor de toepassing van de artikelen 64 en 75, 3°, WIB 1992 kan door de betrokken vennootschap zelf worden uitgemaakt of het gebruik van bepaalde vaste activa (of gedeelten ervan) al dan niet aan derden is afgestaan.
Wanneer een vennootschap het gebruik van een gedeelte van een vast activum aan een derde heeft afgestaan is het bepaalde in artikel 75, 3°, WIB 1992, enkel op dat gedeelte van toepassing. Voor de toepassing van het stelsel van de degressieve afschrijvingen is dat gedeelte eveneens uitgesloten. De vaststelling van het gedeelte van een actief bestanddeel dat aan derden is afgestaan gebeurt onder het toezicht van de betrokken taxatie-ambtenaar.
Materiële en immateriële vast activa geven in beginsel recht op de eenmalige investeringsaftrek voor het boekjaar hetwelk deze vaste activa als bestanddelen van de materiële of immateriële vaste activa moeten worden geboekt. Binnenlandse vennootschappen kunnen desgewenst, de in artikel 70, WIB 1992, bedoelde vereenvoudigde gespreide investeringsaftrek genieten.
Evenwel kan de investeringsaftrek worden geweigerd wanneer tijdens het belastbare tijdperk waarin het eventuele recht op investeringsaftrek ontstaat de feitelijke omstandigheden en andere gegevens uitwijzen dat het gebruik van de betrokken vaste activa zal worden overgedragen in de zin van artikel 75, 3°, WIB 1992.
De aandacht wordt erop gevestigd dat de verkregen eenmalige investeringsaftrek tijdens latere belastbare tijdperken, onder voorbehoud van de terugneming van de eenmalige investeringsaftrek met betrekking tot vaste activa, andere dan octrooien, die oorspronkelijk voor onderzoek en ontwikkeling werden gebruikt maar die tijdens de afschrijvingsperiode een andere bestemming hebben verkregen (artikel 48, §§ 2 en 3 KB/WIB 1992), niet meer moet worden teruggenomen wanneer de materiële vaste activa zomede de van derden verkregen immateriële vaste activa die aan de gestelde voorwaarden voldoen niet gedurende de gehele duur van de afschrijvingstermijn van die vaste activa door de vennootschap voor de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
De vraag of in de situatie als bedoeld in vraag 6, b, het vertrouwensbeginsel werd geschonden, kan alleen aan de hand van de concrete gegevens van het dossier in kwestie worden beantwoord.
Met betrekking tot vraag 7 kan derhalve alleen naar de in het WIB 1992 voorgeschreven procedureregels worden verwezen.