Parlementaire vraag nr. 140 van mevrouw Pieters van 26.11.1999
VRAAG 99/140/2
Vraag nr. 140 van mevrouw Pieters dd. 26.11.1999
Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 34, blz. 3936-3938
Bull. nr. 809, pag. 2959
Vrije beroepen - Voorziening voor vakantiegeld
VRAAG
Krachtens de rechtspraak is de provisie die de werkgever aanlegt voor het vakantiegeld dat hij het jaar nadien aan zijn arbeiders en aan zijn bedienden zal moeten betalen geen beroepskost omdat het bedrag ervan niet vaststaat en overigens, behoudens ontslag, niet opeisbaar is gedurende het belastbaar tijdperk.
Zij komt in principe enkel voor belastingvrijstelling in aanmerking binnen de grenzen van artikel 48, WIB 1992 (Gent, 7 november 1989, AFT, 1990, 208).
1. Dient in het licht van artikel 24, 2°, KB/WIB 1992, voor de aangelegde provisie vakantiegeld een opgave nr. 204.3 te worden ingediend? Die opgave maakt immers een integrerend deel uit van het aangifteformulier inzake vennootschapsbelasting (zie vak X, 4°).
2. Kan ook voor alle vrije beroepen die personeel tewerkstellen een voorziening vakantiegeld worden vrijgesteld mits passende inschrijving in de bij artikel 320, WIB 1992, voorgeschreven dagboeken en mits tijdige indiening van een staat nr. 204.3?
3.
a) Kan een vrijstelbare provisie vakantiegeld voor arbeiders en bedienden worden aangelegd met betrekking tot:
c) Welke concrete berekeningsgrondslagen en coëfficiënten dienen in bevestigend geval telkens in aanmerking te worden genomen in het licht van de eventueel specifiek bestaande reglementeringen van de RSZ en/of van de erkende vakantiekassen?
4. Welke bezoldigingen van alle andere speciale soorten tewerkgestelde personeelsleden (arbeiders en bedienden) kunnen daarnaast eventueel ook nog als berekeningsbasis in aanmerking komen voor het aanleggen van een belastingvrije provisie vakantiegeld?
5. Kan voor de Administratie der Directe Belastingen en voor de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit een attest of een berekeningsblad uitgaande van een erkend sociaal secretariaat zonder meer als afdoende betrouwbaar worden aangemerkt ter "wiskundige" bepaling van het fiscaal vrijstelbaar bedrag?
ANTWOORD
In tegenstelling tot de zienswijze van het hof van beroep te Gent in het door het geachte lid aangehaalde arrest van 7 november 1989, dat betrekking heeft op een voor het aanslagjaar 1982 in de vennootschapsbelasting gevestigde aanslag, worden de bedragen die in de op 31 december afgesloten boekjaren zijn geboekt voor de uitbetaling in de loop van het daaropvolgende jaar van het vakantiegeld aan personeelsleden, niet in aanmerking genomen voor de vorming van een voorziening voor risico's en kosten als bedoeld in artikel 48 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
Dienaangaande bepaalt artikel 19, vierde lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, zoals gewijzigd bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 12 september 1983, dat inzonderheid ten laste van het boekjaar moeten worden geboekt de bezoldigingen, uitkeringen en andere sociale voordelen die in de loop van een volgend boekjaar zullen worden betaald voor diensten die tijdens het boekjaar zijn verricht.
Overeenkomstig de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel, gevoegd bij het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel, moet het vakantiegeld als een schuld op ten hoogste één jaar worden geboekt (rekening 456 - vakantiegeld) en niet als een voorziening (rubriek 16).
Op het fiscale vlak sluiten de bewoordingen van artikel 49, WIB 1992, aan bij de voormelde boekhoudkundige bepalingen. Het tijdens een boekjaar geboekte, nog te betalen vakantiegeld mag evenwel slechts als een zekere en vaststaande schuld worden beschouwd in de mate dat het overeenstemt met het minimumbedrag van het vakantiegeld dat later door de onderneming zal moeten worden gedragen uit hoofde van de tijdens dat boekjaar betaalde bezoldigingen. Jaarlijks wordt door de Administratie, na overleg met het Verbond van Belgische ondernemingen, de wijze waarop dat bedrag moet worden vastgesteld in een circulaire meegedeeld.
Er dient geen staat nr. 204.3 te worden ingevuld voor zekere en vaststaande schulden.
Voor personen die een vrij beroep, een ambt of een post uitoefenen, mag het bedrag van het nog te betalen vakantiegeld voor hun personeelsleden, dat op dezelfde wijze als de ondernemingen moet worden vastgesteld, onder de beroepskosten worden opgenomen, wanneer dit bedrag wordt ingeschreven in het in artikel 320, § 2, WIB 1992, bedoelde dagboek. Dergelijke belastingplichtigen, die overigens buiten het toepassingsveld van artikel 48, WIB 1992, vallen, dienen derhalve evenmin een staat nr. 204.3 in te vullen.
De vraag welke werknemers al dan niet het voordeel van de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie genieten, behoort tenslotte tot de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Pensioenen. (Vraag nr. 153 van 19 juni 2000.)
Vraag nr. 140 van mevrouw Pieters dd. 26.11.1999
Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 34, blz. 3936-3938
Bull. nr. 809, pag. 2959
Vrije beroepen - Voorziening voor vakantiegeld
VRAAG
Krachtens de rechtspraak is de provisie die de werkgever aanlegt voor het vakantiegeld dat hij het jaar nadien aan zijn arbeiders en aan zijn bedienden zal moeten betalen geen beroepskost omdat het bedrag ervan niet vaststaat en overigens, behoudens ontslag, niet opeisbaar is gedurende het belastbaar tijdperk.
Zij komt in principe enkel voor belastingvrijstelling in aanmerking binnen de grenzen van artikel 48, WIB 1992 (Gent, 7 november 1989, AFT, 1990, 208).
1. Dient in het licht van artikel 24, 2°, KB/WIB 1992, voor de aangelegde provisie vakantiegeld een opgave nr. 204.3 te worden ingediend? Die opgave maakt immers een integrerend deel uit van het aangifteformulier inzake vennootschapsbelasting (zie vak X, 4°).
2. Kan ook voor alle vrije beroepen die personeel tewerkstellen een voorziening vakantiegeld worden vrijgesteld mits passende inschrijving in de bij artikel 320, WIB 1992, voorgeschreven dagboeken en mits tijdige indiening van een staat nr. 204.3?
3.
a) Kan een vrijstelbare provisie vakantiegeld voor arbeiders en bedienden worden aangelegd met betrekking tot:
- uitzendkrachten en/of interimaire personeelsleden;
- ter beschikking van de onderneming gestelde personen;
- werknemers ingeschreven bij een verbonden onderneming waarvan de bezoldigingen worden aangerekend of doorgefactureerd;
- grensarbeiders;
- huisarbeiders en dienstboden;
- betaalde sportbeoefenaars?
c) Welke concrete berekeningsgrondslagen en coëfficiënten dienen in bevestigend geval telkens in aanmerking te worden genomen in het licht van de eventueel specifiek bestaande reglementeringen van de RSZ en/of van de erkende vakantiekassen?
4. Welke bezoldigingen van alle andere speciale soorten tewerkgestelde personeelsleden (arbeiders en bedienden) kunnen daarnaast eventueel ook nog als berekeningsbasis in aanmerking komen voor het aanleggen van een belastingvrije provisie vakantiegeld?
5. Kan voor de Administratie der Directe Belastingen en voor de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit een attest of een berekeningsblad uitgaande van een erkend sociaal secretariaat zonder meer als afdoende betrouwbaar worden aangemerkt ter "wiskundige" bepaling van het fiscaal vrijstelbaar bedrag?
ANTWOORD
In tegenstelling tot de zienswijze van het hof van beroep te Gent in het door het geachte lid aangehaalde arrest van 7 november 1989, dat betrekking heeft op een voor het aanslagjaar 1982 in de vennootschapsbelasting gevestigde aanslag, worden de bedragen die in de op 31 december afgesloten boekjaren zijn geboekt voor de uitbetaling in de loop van het daaropvolgende jaar van het vakantiegeld aan personeelsleden, niet in aanmerking genomen voor de vorming van een voorziening voor risico's en kosten als bedoeld in artikel 48 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
Dienaangaande bepaalt artikel 19, vierde lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, zoals gewijzigd bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 12 september 1983, dat inzonderheid ten laste van het boekjaar moeten worden geboekt de bezoldigingen, uitkeringen en andere sociale voordelen die in de loop van een volgend boekjaar zullen worden betaald voor diensten die tijdens het boekjaar zijn verricht.
Overeenkomstig de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel, gevoegd bij het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel, moet het vakantiegeld als een schuld op ten hoogste één jaar worden geboekt (rekening 456 - vakantiegeld) en niet als een voorziening (rubriek 16).
Op het fiscale vlak sluiten de bewoordingen van artikel 49, WIB 1992, aan bij de voormelde boekhoudkundige bepalingen. Het tijdens een boekjaar geboekte, nog te betalen vakantiegeld mag evenwel slechts als een zekere en vaststaande schuld worden beschouwd in de mate dat het overeenstemt met het minimumbedrag van het vakantiegeld dat later door de onderneming zal moeten worden gedragen uit hoofde van de tijdens dat boekjaar betaalde bezoldigingen. Jaarlijks wordt door de Administratie, na overleg met het Verbond van Belgische ondernemingen, de wijze waarop dat bedrag moet worden vastgesteld in een circulaire meegedeeld.
Er dient geen staat nr. 204.3 te worden ingevuld voor zekere en vaststaande schulden.
Voor personen die een vrij beroep, een ambt of een post uitoefenen, mag het bedrag van het nog te betalen vakantiegeld voor hun personeelsleden, dat op dezelfde wijze als de ondernemingen moet worden vastgesteld, onder de beroepskosten worden opgenomen, wanneer dit bedrag wordt ingeschreven in het in artikel 320, § 2, WIB 1992, bedoelde dagboek. Dergelijke belastingplichtigen, die overigens buiten het toepassingsveld van artikel 48, WIB 1992, vallen, dienen derhalve evenmin een staat nr. 204.3 in te vullen.
De vraag welke werknemers al dan niet het voordeel van de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie genieten, behoort tenslotte tot de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Pensioenen. (Vraag nr. 153 van 19 juni 2000.)
Bron: FisconetPlus
