Parlementaire vraag nr. 117 van de heer Olivier van 18.09.1996

VRAAG 96/117
Vr. en Antw., Senaat, nr. 1-31, 1996-1997, blz. 1517-1517
Bull. nr. 769, pag. 471
Onroerende voorheffing - Vermindering - Kinderen ten laste
Een vermindering van onroerende voorheffing van 10 pct. per kind ten laste (van 20 pct. per gehandicapte persoon ten laste) wordt toegekend in verband met één onroerend goed dat wordt betrokken door het hoofd van een gezin met op 1 januari ten minste twee kinderen in leven of één gehandicapte persoon, met inbegrip van de echtgenoot (art. 257, 3°, WIB 92). De fiscale hervormingswet van 7 december 1988, bepaalt dat aan het begrip "kind" dezelfde inhoud mag worden toegekend als in de personenbelasting.
Het artikel 258 WIB 92 bepaalt dat de verminderingen worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het aanslagjaar-OV.
Naar mijn bescheiden mening slaat de vermindering op het goed en niet op de gezinssituatie en moet de vermindering van onroerende voorheffing als definitief verworven worden beschouwd. Anderen zijn een andere mening toegedaan.
Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen:
1. Kan de geachte minister bevestigen dat de vermindering van onroerende voorheffing als definitief verworven mag worden beschouwd ?
2. Zo nee, wanneer kan een "kind" niet meer geacht worden deel uit te maken van het gezin in functie van het toekennen van een vermindering van onroerende voorheffing ?
3. Bestaan er specifieke richtlijnen voor de administratie ter zake ?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vragen over de vermindering van onroerende voorheffing (OV) krachtens artikel 257, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).
Het eerste lid van het voormeld artikel bepaalt de voorwaarden waaraan het gezin moet voldoen opdat het recht op de vermindering van OV (betreffend het onroerend goed dat het betrekt) zou ontstaan:
  • Ofwel ten minste twee kinderen in leven hebben;
  • Ofwel een gehandicapte persoon bevatten.
Het tweede lid van het voormeld artikel bepaalt het tarief van de vermindering van OV dat moet worden toegepast eens het recht op de vermindering verworven is: 10 pct. voor ieder niet-gehandicapt kind ten laste en 20 pct. voor iedere gehandicapte persoon ten laste, met inbegrip van de echtgenoot.
Zowel het ontstaan van het recht op de vermindering als het tarief ervan worden dus bepaald door de gezinssituatie. Aangezien deze gezinssituatie kan veranderen met de tijd, kan de vermindering van OV dan ook niet als definitief verworven worden beschouwd.
Om in functie van het toekennen van de hier besproken vermindering van OV als ten laste van het gezinshoofd te worden beschouwd, moeten de kinderen (evenals de gehandicapte personen andere dan de echtgenoot) deel uitmaken van zijn gezin op 1 januari van het jaar waarvan het jaartal het aanslagjaar bepaalt, en daarenboven, gedurende het vorige jaar, geen bestaansmiddelen hebben genoten waarvan het nettobedrag 60 000 frank te boven gaat (dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd ingevolge en volgens de modaliteiten van artikel 178, §§ 1 en 2, WIB 92.
Worden geacht kinderen te zijn die tot het gezin van de bewoner behoren, voor zover zij er deel van uitmaken op 1 januari van het aanslagjaar:
1. Zijn afstammelingen die van zijn echtgenoot (wettige kinderen, wettelijk aangenomen of natuurlijke kinderen, schoonzonen en schoondochters, kleinkinderen en achterkleinkinderen);
2. De andere kinderen dan afstammelingen, die volledig of hoofdzakelijk ten zijnen laste zijn (bijvoorbeeld kinderen wier ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet, vreemde kinderen, zelfs indien zij niet ouderloos zijn).
Specifieke administratieve richtlijnen hierover zijn terug te vinden in de Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, nrs. 257/40 tot 257/62.