Parlementaire vraag nr. 122 van de heer Wouter Vermeersch van 10.12.2024

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/006 d.d. 24.01.2025, blz. 106

Fiscaal voordeel bedrijfsfiets

VRAAG (van de heer Vermeersch)

Wanneer een bedrijfsfiets kosteloos ter beschikking wordt gesteld aan een werknemer of een bedrijfsleider, moet het bedrag van het voordeel van alle aard dat daaruit voortvloeit, worden vastgesteld volgens de werkelijke waarde bij de verkrijger. Circulaire 2024/C/22 van 28 maart 2024 gaat daar verder op in (punt II.D). In voorbeeld 4 van deze circulaire wordt het geval besproken van een werkgever die een elektrische fiets koopt en deze permanent ter beschikking stelt aan zijn werknemer (waarde: 3.000 euro), evenals de toebehoren (waarde: 500 euro). De werknemer beschikt het hele jaar door over de fiets bij hem thuis. Er wordt aanvaard dat het voordeel wordt vastgesteld op basis van de aankoopprijs van de fiets en de toebehoren gespreid over vijf jaar, zijnde de economische levensduur van de fiets.

1. Wat als de fiets bij de werkgever reeds volledig is afgeschreven (bijv. in het zesde jaar)?

2. Wordt het voordeel dan nog steeds bepaald volgens: (aankoopprijs van de fiets en de toebehoren)/5?

ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale loterij)

Het persoonlijk gebruik van een ter beschikking gestelde bedrijfsfiets doet in beginsel een belastbaar voordeel van alle aard ontstaan bij de werknemer. Dat voordeel moet overeenkomstig artikel 36, § 1, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden vastgesteld volgens de werkelijke waarde bij de werknemer. Het feit dat die bedrijfsfiets in het zesde jaar van de terbeschikkingstelling reeds volledig zou zijn afgeschreven bij de werkgever doet hieraan geen afbreuk. Ook in dat geval zal de werknemer nog steeds een voordeel halen uit de terbeschikkingstelling van die bedrijfsfiets. Om de werkelijke waarde van het voordeel op dat ogenblik vast te stellen, is de werkgever niet verplicht om de methode bedoeld in het voorbeeld 4 toe te passen. De werkelijke waarde van dat voordeel mag hij immers vaststellen rekening houdende met de feitelijke omstandigheden op dat ogenblik, zodat het overeenstemt met de door de werknemer gerealiseerde besparing.