Parlementaire vraag nr. 275 van de heer Vincent Van Quickenborne van 16.06.2025

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/020 d.d. 29.07.2025, blz. 194


Fiscale behandeling van zorgwoningen - Implicaties voor de tenlastelegging van zorgbehoevenden

VRAAG (van de heer Van Quickenborne)

Ik wens uw aandacht te vestigen op een probleem dat zich voordoet bij de fiscale behandeling van zorgwoningen in België, specifiek met betrekking tot de tenlastelegging van zorgbehoevenden door belastingplichtigen die hen verzorgen. Dit probleem heeft te maken met de interpretatie van de regelgeving omtrent zorgwonen, zowel op Vlaams als op federaal niveau, en de gevolgen hiervan voor de belastingplichtige. In de praktijk komt het vaak voor dat zorgbehoevenden, zoals ouderen of mensen met een fysieke beperking, bij familieleden inwonen die hen verzorgen. In sommige gevallen wordt er een zorgwoning gecreëerd binnen het bestaande woonhuis om deze zorgbehoevende persoon in een geschikte omgeving te huisvesten. Deze zorgwoningen voldoen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en zijn bedoeld om de zorgbehoevende persoon zelfstandig, maar onder toezicht, te laten wonen. Ondanks het feit dat de zorgbehoevende persoon feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige, is er een probleem ontstaan met de federale belastingdienst, die de persoon niet als ten laste beschouwt. De federale belastingdienst baseert zich op de Vlaamse wetgeving voor zorgwonen, die bepaalt dat wanneer een zorgwoning wordt gecreëerd, de bewoners van die zorgwoning als een afzonderlijk gezin worden beschouwd, zelfs als zij op hetzelfde adres wonen. Dit leidt tot onduidelijkheden en administratieve complicaties voor belastingplichtigen die een zorgbehoevende persoon in huis hebben en hen verzorging bieden, zoals het geval is in bepaalde situaties. Een zorgwoning heeft echter geen eigen wasplaats, berging of andere essentiële voorzieningen die typisch zijn voor een afzonderlijke woning. Dit maakt het moeilijk om de zorgwoning als een volledig onafhankelijke wooneenheid te beschouwen. De zorgbehoevende persoon woont in de praktijk nog steeds onder hetzelfde dak en ontvangt zorg van de belastingplichtige, waardoor het gezinsverband in de praktijk wordt gehandhaafd. Daarnaast rijst de vraag of het voldoende is om aan te tonen dat de zorgbehoevende persoon deel uitmaakt van het gezin op basis van het adres, of dat er een specifiek attest van de gemeente vereist is om dit officieel te bevestigen. In ons geval lijkt dit attest niet te bestaan, hoewel er wel een bevestiging van woonst is verstrekt. 1. Hoe interpreteert de federale belastingdienst de regelgeving omtrent zorgwoningen en de toepassing van artikel 136 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 in gevallen waar zorgbehoevende personen in een zorgwoning wonen, maar feitelijk deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige? 2. Bent u bereid om samen te werken met de betrokken Vlaamse ministers om de regels omtrent zorgwoningen en de fiscale tenlastelegging van zorgbehoevenden te verduidelijken en eventuele inconsistenties tussen de federale en Vlaamse wetgeving te herstellen? 3. Zijn er plannen om specifieke richtlijnen in te voeren voor belastingplichtigen die zorgbehoevenden in een zorgwoning verzorgen, zodat deze personen wel als ten laste kunnen worden genomen, ondanks de formele status van zorgwoning? 4. Welke stappen kunnen belastingplichtigen ondernemen om dergelijke problemen met de belastingdienst op te lossen wanneer ze te maken krijgen met onterecht niet erkende tenlastelegging van zorgbehoevenden in een zorgwoning?

ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen)

Om als ten laste te worden beschouwd, moeten de in artikel 136, 1° tot en met 4°, WIB 92 vermelde personen onder andere voldoen aan de voorwaarde dat ze op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige. Aangezien zorgwonen het creëren van een ondergeschikte wooneenheid impliceert, vormen de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid over het algemeen een afzonderlijk gezin. De bewoners van de ondergeschikte wooneenheid maken dus op 1 januari van het aanslagjaar, over het algemeen, geen deel uit van het gezin dat is gehuisvest in de hoofdwoning. Echter, de beoordeling of de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid al dan niet op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van gezin dat is gehuisvest in de hoofdwoning, vormt een feitenkwestie. De belastingplichtige kan met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed, aantonen dat de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid wel deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige.