Parlementaire vraag nr. 21 van de heer Barzin van 06.07.1995

VRAAG 95/021/2
Bull. nr. 755, pag. 3219
Berekening - Hypothecaire lening - Begrip woning
Artikel 145^1, 3°, van het WIB 92 verleent een belastingvermindering die wordt berekend op "de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en gewaarborgd is door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal". De administratieve circulaire nr. CI.D.19/402.192 van 25 april 1990 (Bull. bel. nr. 695) bepaalt dat "onder woning moet worden verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat wegens zijn aard normaliter bestemd is om te worden bewoond, zoals inzonderheid een eengezinswoning of een appartement".
1. Is het begrip woning ook toepasbaar op gebouwen of gedeelten van gebouwen die in studio's of studentenkamers zijn ingedeeld ?
2. Kan u voor de duidelijkheid, in het geval van een gebouw ingedeeld in studio's of studentenkamers, en voor zover de wettelijke voorwaarden zijn geëerbiedigd :
a)
hetzij bevestigen dat de hoger bedoelde belastingvermindering eveneens geldt voor dat soort gebouwen;
b)
hetzij, als het antwoord negatief is, toelichten waarop u zich beroept (wettekst, rechtspraak, rechtsleer, ...); in dezelfde veronderstelling, op grond van welke criteria wordt een onderscheid gemaakt tussen een appartement, een studio of een studentenkot;
c)
hetzij, nog altijd in de veronderstelling van een negatief antwoord, hoe verenigt u dat met de definitie gegeven door artikel 53, 2°, van het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten gewijzigd door de wet van 19 juli 1979, artikel 35, 1° ?
ANTWOORD
Onder het begrip woning, zoals het is gebruikt in de wettelijke bepaling waarvan sprake in de aanhef van de vraag, moet een gebouw of een gedeelte van een gebouw worden verstaan dat wegens zijn aard voor bewoning bestemd is of als zodanig wordt gebruikt, hetzij door een gezin, hetzij door een alleenstaande, en waar de verschillende gezinsactiviteiten (zoals wonen, slapen, maaltijden bereiden, enz.) worden uitgeoefend.
Zijn geen woningen in de zin van wat voorafgaat, de kamers in gemeenschappelijke gebouwen (kloosters, klinieken, hospitalen, weeshuizen, enz.), alsmede kamers voor studenten of voor seizoenarbeiders.
Ik zie overigens geen tegenstrijdigheid tussen deze omschrijving van het begrip woning en die gegeven in artikel 53, 2°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Opdat een studentenkamer als een woning in de zin van laatstvermelde bepaling zou kunnen worden beschouwd, is inzonderheid vereist dat haar een eigen kadastraal inkomen is toegekend, wat op zijn minst uitzonderlijk is.