Parlementaire vraag nr. 1366 van de heer de Clippele van 17.01.1995
VRAAG 95/1366
Vraag nr. 1366 van de heer de Clippele dd. 17.01.1995.
Bull. nr. 752, pag. 2423
Vestiging en invordering - Behoefte van financiële of economische aard.
Artikel 344 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de belastingplichtige die een akte aangaat, moet bewijzen dat de verrichting in kwestie aan rechtmatige behoeften van financiële of economische aard tegemoet komt. Zo kan de fiscus de opsplitsing van een vennootschap in een exploitatiemaatschappij en een vermogensvennootschap betwisten. Naar verluidt zou momenteel op Europees niveau een ruimere interpretatie worden gegeven aan de mogelijkheden die worden geboden om rechtsmisbruik tegen te gaan. Naast het economische of het financiële aspect zouden nu ook de behoeften van het gezin aan de Administratie der directe belastingen kunnen worden tegengeworpen.
Bevestigt u die interpretatie ?
ANTWOORD
Het geacht lid maakt in zijn vraag een toespeling naar de richtlijn van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lid-staten. Artikel 11.1 van de richtlijn laat de lid-staten toe te weigeren het stelsel inzake grensoverschrijdende verrichtingen, wanneer belastingfraude of -ontwijking het hoofddoel of één van de hoofddoelen is van een verrichting.
De richtlijn omvat vervolgens ter verduidelijking de toevoeging dat "het feit dat een rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de transactie betrokken vennootschappen, kan doen veronderstellen dat die transactie als hoofddoel of één van hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking het hoofddoel of één van de hoofddoelen is van een verrichting.
De richtlijn omvat vervolgens ter verduidelijking de toevoeging dat "het feit dat een rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de transactie betrokken vennootschappen, kan doen veronderstellen dat die transactie als hoofddoel of één van de hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft".
Hoewel ik moet opmerken dat ik zeker niet gemachtigd ben een gezaghebbende interpretatie te geven omtrent bepalingen van het Europees recht, zie ik echter niet in op welke informatie en op welke juridische basis uw bewering steunt dat de interpretatie van de anti- rechtsmisbruikmaatregel op Europees vlak tot familiale behoeften zou worden uitgebreid.
Ik vestig overigens uw aandacht erop dat niet artikel 344 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) in casu aan de orde is gesteld, maar wel de anti-rechtsmisbruikbepaling betreffende inbrengen, fusies en splitsingen die respectievelijk vermeld is in de artikelen 46 en 211 van voormeld Wetboek. Sta me toe in dit verband op te merken dat die enkel betrekking heeft op interne verrichtingen van fusies en splitsingen, met uitsluiting van de door de richtlijn beoogde grensoverschrijdende fusies en splitsingen.
Vraag nr. 1366 van de heer de Clippele dd. 17.01.1995.
Bull. nr. 752, pag. 2423
Vestiging en invordering - Behoefte van financiële of economische aard.
Artikel 344 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de belastingplichtige die een akte aangaat, moet bewijzen dat de verrichting in kwestie aan rechtmatige behoeften van financiële of economische aard tegemoet komt. Zo kan de fiscus de opsplitsing van een vennootschap in een exploitatiemaatschappij en een vermogensvennootschap betwisten. Naar verluidt zou momenteel op Europees niveau een ruimere interpretatie worden gegeven aan de mogelijkheden die worden geboden om rechtsmisbruik tegen te gaan. Naast het economische of het financiële aspect zouden nu ook de behoeften van het gezin aan de Administratie der directe belastingen kunnen worden tegengeworpen.
Bevestigt u die interpretatie ?
ANTWOORD
Het geacht lid maakt in zijn vraag een toespeling naar de richtlijn van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lid-staten. Artikel 11.1 van de richtlijn laat de lid-staten toe te weigeren het stelsel inzake grensoverschrijdende verrichtingen, wanneer belastingfraude of -ontwijking het hoofddoel of één van de hoofddoelen is van een verrichting.
De richtlijn omvat vervolgens ter verduidelijking de toevoeging dat "het feit dat een rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de transactie betrokken vennootschappen, kan doen veronderstellen dat die transactie als hoofddoel of één van hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking het hoofddoel of één van de hoofddoelen is van een verrichting.
De richtlijn omvat vervolgens ter verduidelijking de toevoeging dat "het feit dat een rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de transactie betrokken vennootschappen, kan doen veronderstellen dat die transactie als hoofddoel of één van de hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft".
Hoewel ik moet opmerken dat ik zeker niet gemachtigd ben een gezaghebbende interpretatie te geven omtrent bepalingen van het Europees recht, zie ik echter niet in op welke informatie en op welke juridische basis uw bewering steunt dat de interpretatie van de anti- rechtsmisbruikmaatregel op Europees vlak tot familiale behoeften zou worden uitgebreid.
Ik vestig overigens uw aandacht erop dat niet artikel 344 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) in casu aan de orde is gesteld, maar wel de anti-rechtsmisbruikbepaling betreffende inbrengen, fusies en splitsingen die respectievelijk vermeld is in de artikelen 46 en 211 van voormeld Wetboek. Sta me toe in dit verband op te merken dat die enkel betrekking heeft op interne verrichtingen van fusies en splitsingen, met uitsluiting van de door de richtlijn beoogde grensoverschrijdende fusies en splitsingen.
Bron: FisconetPlus
