Circulaire nr. Ci.RH.862/536.019 d.d. 04.05.2001

Bull. nr. 816, pag. 1255

ADMINISTRATIEVE GESCHILLENPROCEDURE
Bezwaarschrift
Ontheffing van ambtswege

BEZWAARTERMIJN
Bezwaartermijn

GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING
Vordering bij de rechtbank van eerste aanleg

ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
Nieuw feit of bescheid
Toepassingsvoorwaarde van een ontheffing van ambtswege

RECHTSPRAAK
Arrest van het Arbitragehof


Vernietigingsarrest van het Arbitragehof: opening van een nieuwe bezwaartermijn. Artikel 376, § 1, WIB 92. Nieuw bewijskrachtig feit dat de overbelasting bewijst: arrest van het Arbitragehof.

Aan alle ambtenaren van niveau 1, 2+ en 2

De snelle toename van het aantal arresten van het Arbitragehof heeft het bestuur ertoe gebracht te onderzoeken welke gevolgen die beslissingen hebben op de beroepsmogelijkheden van de belastingplichtigen om de belastingen te betwisten die werden gevestigd overeenkomstig wettelijke bepalingen die in strijd met de grondwet werden bevonden.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen vernietigingsarresten en arresten op prejudiciële vragen.

1 . Vernietigingsarresten

Vernietigingsarresten hebben "een absoluut gezag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad" (art. 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof BS 7.1.1989) en vanaf de datum van die publicatie beschikt de belastingplichtige over een nieuwe bezwaartermijn van zes maanden, niettegenstaande de termijn beoogd in artikel 371, WIB 92 verstreken is (art. 18, Wet van 6.1.1989, op.cit.).

Een administratief beroep ingediend vanaf de datum van het arrest maar voor de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad is dus in beginsel onontvankelijk want voorbarig, behalve indien de gewone beroepstermijn overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 voor de betrokkene nog niet verstreken is.

De Administratie is evenwel van oordeel dat in dat geval de bepalingen van artikel 376, § 1, WIB 92 van toepassing zijn en dat het arrest van het Arbitragehof dat de bepaling waarop de taxatie is gesteund vernietigt wegens strijdigheid met de grondwet, een nieuw bewijskrachtig feit is in de zin van dat artikel. In dat opzicht moet worden beklemtoond dat een dergelijk vernietigingsarrest niet kan worden beschouwd als een wijziging in de rechtspraak in de zin van artikel 376, § 2, WIB 92, aangezien het Arbitragehof uitspraak doet over de geldigheid van een rechtsnorm te aanzien van de Grondwet en niet over zijn toepassing of interpretatie.

2. Arresten op prejudiciële vragen

In dat geval opent de bijzondere wet op het Arbitragehof geen nieuwe beroepstermijn tegen de verrichtingen die een toepassing vormen op de ongrondwettelijk verklaarde bepaling.

De Administratie is nochtans van oordeel dat de arresten van het Arbitragehof op prejudiciële vragen, moeten worden beschouwd als een nieuw bewijskrachtig feit in de zin van artikel 376, § 1, WIB 92.

Zo het correct is dat een arrest geveld op een prejudiciële vraag niet de nietigheid met zich brengt van de ongrondwettelijk bevonden wetsbepaling, dan zal de weigering om tot ambtshalve ontheffing over te gaan nochtans onvermijdelijk gevolgd worden door een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg die de belastingplichtige in het gelijk zal stellen overeenkomstig artikel 26, § 2, lid 3, 1°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof. Dat artikel schrijft voor dat een rechtscollege niet gehouden is een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met hetzelfde onderwerp. Dat rechtscollege moet zich dan wel voegen naar het arrest van het Arbitragehof.

Om bijgevolg geen aanleiding te geven tot nutteloze gerechtelijke procedures, heeft de Administratie beslist dat de gewestelijke directeur een ambtshalve ontheffing mag toepassen door zich te voegen naar een arrest van het Arbitragehof, voor zover de toepassingsvoorwaarden van artikel 376, § 1, WIB 92 vervuld zijn.

In dat verband mag niet uit het oog worden verloren dat het nieuw bewijskrachtig feit waarvan sprake in artikel 376, WIB 92 slechts door de belastingplichtige kan worden aangevoerd indien de bezwaartermijn voorgeschreven in artikel 371, WIB 92 verstreken was op de datum van het arrest van het Arbitragehof of uiterlijk op de datum van de publicatie van dat arrest in het Belgisch Staatsblad.

Aangezien het gaat om de toepassing van een ambtshalve ontheffing ingevolge een als ongrondwettelijk beoordeelde bepaling, moet de voor de belastingplichtige gunstigste datum in aanmerking worden genomen bij het onderzoek of de toepassingsvoorwaarden van artikel 376, § 1, WIB 92 verenigd zijn.

NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Directrice,

M. BALLEUX.