Circulaire nr. Ci.RH.332/466.292 dd. 29.05.1995
CIRC 29.05.95/2
Circulaire nr. Ci.RH.332/466.292 dd. 29.05.1995
Bull. nr. 751, pag. 1810
DIVERS INKOMEN VAN ROERENDE AARD
Belastingtarief.
ROEREND INKOMEN
Belastingtarief.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.
INHOUDSTAFEL Nrs. I. INLEIDING 1 II. WETTEKSTEN 2 III. ALGEMENE DRAAGWIJDTE A. INLEIDING 4 B. W 24.12.1993 6 C. W 30.3.1994 8 D. OPMERKING 11 IV. AANSLAGVOETEN A. VOORAFGAANDE OPMERKING 12 B. AANSLAGVOET VAN 10 % 13 C. AANSLAGVOET VAN 13 % 14 D. AANSLAGVOET VAN 20 % 15 E. AANSLAGVOET VAN 25 % 16 V. INWERKINGTREDING 17 I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die aan de afzonderlijke taxatie van de roerende inkomsten en de diverse inkomsten van roerende aard zijn aangebracht door :
Daar die verschillend wijzigingen eenzelfde materie betreffen, werd het opportuun geacht om ze in één circulaire te bespreken, alhoewel de datum van inwerkingtreding niet steeds dezelfde is.
II. WETTEKSTEN
2. Schematisch kunnen de wijzigingen die, inzake de afzonderlijke taxatie van de roerende inkomsten en de diverse inkomsten van roerende aard in de PB, in het WIB 92 zijn aangebracht, en die, behoudens andersluidende vermelding, in werking treden met ingang van het aj. 1995, als volgt worden weergegeven :
3. De bepalingen van het WIB 92 die door de verschillende in nr. 2 hierboven aangehaalde aanpassingen werden gewijzigd, luiden voortaan als volgt (De tekst van art. 269, WIB 92 (berekening van de RV), waarvan de opeenvolgende wijzigingen door respectievelijk art. 31, W 24.12.1993 en art. 20, W 30.3.1994 de basis van de in deze circulaire besproken wijzigingen vormen, wordt hier eveneens weergegeven).
§ 1. Onder netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen wordt het bedrag verstaan dat in enige vorm is geïnd of verkregen, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten, en verhoogd met de roerende voorheffing en met de fictieve roerende voorheffing.
Behalve indien dat inkomen ingevolge artikel 171, 2°bis tot 3°bis (In eerste instantie heeft art. 29, W 24.12.1993 de oorspronkelijke tekst "ingevolge artikel 171, 2° en 3°" vervangen door de woorden "ingevolge artikel 171, 2°bis en 3°". Die laatste tekst, die in principe geldig is met ingang van het aj. 1995, zal evenwel nooit uitwerking hebben, daar hij opnieuw werd gewijzigd door art. 2, W 30.3.1994, dat eveneens in werking treedt met ingang van het aj. 1995), afzonderlijk wordt belast, wordt het verminderd met de desbetreffende innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten.
§ 2. Interest van schulden aangegaan om inkomsten van roerende goederen en kapitalen te verkrijgen of te behouden is niet aftrekbaar.
§ 3. Onverminderd de toepassing van het bepaalde in § 2, wordt onder netto-inkomen van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen het brutobedrag verstaan, verminderd met de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd volgens percentages die de Koning bepaalt.
In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten :
...
...
...
Art. 269, WIB 92 (Deze bepaling wordt slechts ter informatie medegedeeld. Art. 269, WIB 92 (dat volledig werd vervangen door art. 20, W 30.3.1994) is van toepassing op de vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, met dien verstande dat wat de in het 2de lid, 2°, bedoelde inkomsten betreft, die inkomsten bovendien betrekking moeten hebben op een boekjaar dat aan het aanslagjaar 1995 of aan een later aanslagjaar verbonden is)
De aanslagvoet van de roerende voorheffing is vastgesteld op :
De aanslagvoet van 25 % wordt evenwel verlaagd tot :
Voor zover de vennootschap die de inkomsten uitkeert niet onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van deze verlaging, wordt de aanslagvoet van 25 % eveneens verlaagd tot 13 % voor de volgende dividenden :
De in het tweede lid, 2°, en in het derde lid, a en b, bedoelde aanslagvoet van 13 % is slechts van toepassing voor zover de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben geen enkel voorrecht toekennen ten opzichte van de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen.
Voor de in het derde lid, a en b, vermelde vennootschappen die na 31 december 1993 hun kapitaal verminderen, worden de kapitaalverhogingen waartoe zij overgaan slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen.
Deze kapitaalverhogingen worden evenwel geheel in aanmerking genomen wanneer de kapitaalverminderingen beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Worden geacht aan de in het zesde lid vermelde voorwaarde te beantwoorden, de kapitaalverminderingen gebruikt om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om onbeschikbare reserves aan te leggen.
Ingeval van overdracht door de natuurlijke personen of rechtspersonen door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, of, in geval van oprichting bij openbare inschrijving, die de ontwerp-oprichtingsakte hebben ondertekend, door de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap die de overdracht verkrijgt van, hetzij goederen die vóór 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend, hetzij aandelen die deel hebben uitgemaakt van hun privaat vermogen, hetzij goederen die hebben toegehoord aan een vennootschap waarvan zij vóór 1 januari 1994 aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten waren, wordt alleen het bedrag van die inbreng in geld, dat meer bedraagt dan de overdrachtprijs, in aanmerking genomen voor de toepassing van het derde lid, a en b.
Het achtste lid is van toepassing op de overdracht gedaan door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die in eigen naam, maar voor rekening van een in dat lid vermelde persoon, handelt.
Art. 519, WIB 92 (Vóór de wijziging door art. 33, W 24.12.1993, luidde de tekst van art. 519, WIB 92 als volgt : "In afwijking van de artikelen 171, 2°, en 269, eerste lid, 1°, wordt het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing, vastgesteld op 25 % :
In afwijking van de artikelen 171, 2°bis, a, en 269, eerste lid, 1°, wordt het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing, vastgesteld op 25 % :
III. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
A. Inleiding
4. Met betrekking tot de diverse wijzigingen die inzake de taxatie van roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard achtereenvolgens door de W 24.12.1993 en de W 30.3.1994 in het WIB 92 zijn aangebracht, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de wezenlijke wijzigingen en de louter vormelijke wijzigingen.
5. De voornaamste wezenlijke wijzigingen kunnen als volgt samengevat worden :
B. W 24.12.1993
6. Ten gronde bevat de W 24.12.1993 slechts twee bepalingen die van aard zijn om het beoogde doel te verwezenlijken :
7. De andere bepalingen van de W 24.12.1993 die op dezelfde problematiek betrekking hebben, strekken er alleen toe de diverse artikels van het WIB 92 in overeenstemming te brengen met de in nr. 6 aangehaalde wijzigingen. Dit is het geval met de in de art. 22, § 1, 2de lid en 519, WIB 92 aangebrachte wijzigingen.
C. W 30.3.1994
8. De in de W 30.3.1994 ingeschreven maatregelen strekken er inzonderheid toe de aanslagvoet van de RV, en de ermede overeenstemmende aanslagvoet van de PB (in geval van afzonderlijke taxatie), van 25 % (of 20 % naargelang van het geval) naar 13 % (ACB niet inbegrepen) terug te brengen wat de volgende 3 categorieën van dividenden betreft :
9. Daartoe werd art. 269, WIB 92, dat de berekeningsmodaliteiten inzake RV vastlegt, volledig vervangen door art. 20, W 30.3.1994 (Dit artikel zal uitvoeriger besproken worden in een afzonderlijke circulaire). Dienovereenkomstig heeft art. 13, 1°, van dezelfde wet de tekst van art. 171, 2°bis, WIB 92 derwijze aangepast dat de in nr. 8 bedoelde dividenden voortaan ook in de PB afzonderlijk belastbaar zijn tegen 13 % (ACB niet inbegrepen).
10. De overige bepalingen van de W 30.3.1994, die aan het WIB 92 wijzigingen inzake de taxatie van roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard hebben gebracht, strekken er alleen toe de algemene samenhang van het wetboek te verzekeren gelet op de in nr. 9 aangehaalde wijzigingen. Dit is het geval met de in de art. 22, § 1, 2de lid, 171, 3°, 171, 3°bis en 519, WIB 92 aangebrachte wijzigingen.
D. Opmerking
11. Tenslotte wordt de aandacht er nog op gevestigd dat het belastingstelsel van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van de diverse inkomsten van roerende aard, die ter uitvoering van vóór 1.3.1990 gesloten overeenkomsten zijn toegekend, ondanks de opeenvolgende wijzigingen aan art. 519, WIB 92 door art. 33, W 24.12.1993 en door art. 26, W 30.3.1994, ongewijzigd blijft, d.w.z. dat in dergelijk geval nog steeds de aanslagvoet van 25 % (ACB niet inbegrepen) van toepassing is.
IV. AANSLAGVOETEN
A. Voorafgaande opmerking
12. In de hiernavolgende rubrieken wordt uitsluitend de problematiek van de afzonderlijke taxatie van de roerende inkomsten en sommige diverse inkomsten van roerende aard in de PB behandeld. De problematiek die eigen is aan de RV zal in een afzonderlijke circulaire besproken worden.
De hierna vermelde aanslagvoeten, die doorgaans van toepassing zijn op de vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, houden geen rekening met de ACB. Uiteraard is de ACB steeds van toepassing.
B. Aanslagvoet van 10 %
13. Ingevolge de opheffing van art. 171, 2°, a, WIB 92 door art. 30, 1°, W 24.12.1993, is met ingang van het aj. 1995 (inkomsten van het jaar 1994) geen afzonderlijke taxatie tegen 10 % meer mogelijk.
C. Aanslagvoet van 13 %
14. Wat de vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten van kapitalen en roerende goederen (die geen dividenden zijn) en in art. 90, 5° tot 7°, WIB 92, vermelde diverse inkomsten van roerende aard betreft, is de aanslagvoet van 13 % in zekere zin de "gewone" aanslagvoet geworden, die in de plaats komt van die van 10 %.
Zijn aldus bedoeld in art. 171, 2°bis, a, WIB 92 :
De aanslagvoet van 13 % geldt echter nooit voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten van roerende aard die toegekend zijn ter uitvoering van vóór 1.3.1990 gesloten overeenkomsten. Dergelijke inkomsten zijn immers steeds aan het tarief van 25 % onderworpen (zie ook nr. 16, 2de lid).
Anderzijds is de aanslagvoet van 13 %, krachtens art. 171, 2°bis, b, WIB 92, eveneens van toepassing op sommige dividenden die aan welbepaalde voorwaarden voldoen (zie nr. 8 hiervoor).
D. Aanslagvoet van 20 %
15. De aanslagvoet van 20 %, die thans is vastgelegd in art. 171, 3°bis, WIB 92, is slechts van toepassing voor dividenden van AFV- aandelen, mits de vennootschap die de inkomsten uitkeert, niet onherroepelijk heeft verzaakt (met het oog op het verkrijgen van het in art. 269, 2de lid, 2°, WIB 92, inzake RV vermelde gunsttarief van 13 %) aan de overdracht :
E. Aanslagvoet van 25 %
16. Krachtens art. 171, 3°, WIB 92 blijft de aanslagvoet van 25 % bij voortduur van toepassing op de dividenden, met uitzondering wel te verstaan van de :
Daarnaast blijven ook de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en de diverse inkomsten van roerende aard, die ter uitvoering van vóór 1.3.1990 gesloten overeenkomsten zijn toegekend of betaalbaar gesteld, bij voortduur aan de aanslagvoet van 25 % onderworpen en dit krachtens art. 519, WIB 92 dat daartoe expliciet afwijkt van het bepaalde in de art. 171, 2°bis, a, en 269, 1ste lid, 1°, WIB 92.
V. INWERKINGTREDING
17. De hiervoor besproken wijzigingen zijn in de regel van toepassing op vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.
Inzake PB gelden zij voor het eerst met betrekking tot het aj. 1995 (inkomsten van 1994).
Circulaire nr. Ci.RH.332/466.292 dd. 29.05.1995
Bull. nr. 751, pag. 1810
DIVERS INKOMEN VAN ROERENDE AARD
Belastingtarief.
ROEREND INKOMEN
Belastingtarief.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.
INHOUDSTAFEL Nrs. I. INLEIDING 1 II. WETTEKSTEN 2 III. ALGEMENE DRAAGWIJDTE A. INLEIDING 4 B. W 24.12.1993 6 C. W 30.3.1994 8 D. OPMERKING 11 IV. AANSLAGVOETEN A. VOORAFGAANDE OPMERKING 12 B. AANSLAGVOET VAN 10 % 13 C. AANSLAGVOET VAN 13 % 14 D. AANSLAGVOET VAN 20 % 15 E. AANSLAGVOET VAN 25 % 16 V. INWERKINGTREDING 17 I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die aan de afzonderlijke taxatie van de roerende inkomsten en de diverse inkomsten van roerende aard zijn aangebracht door :
- de art. 29, 30 (pro parte) en 33, programmawet 24.12.1993 (V 2280 - Bull. 736);
- de art. 2, 13 en 26, W 30.3.1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit (V 2297 - Bull. 739).
Daar die verschillend wijzigingen eenzelfde materie betreffen, werd het opportuun geacht om ze in één circulaire te bespreken, alhoewel de datum van inwerkingtreding niet steeds dezelfde is.
II. WETTEKSTEN
2. Schematisch kunnen de wijzigingen die, inzake de afzonderlijke taxatie van de roerende inkomsten en de diverse inkomsten van roerende aard in de PB, in het WIB 92 zijn aangebracht, en die, behoudens andersluidende vermelding, in werking treden met ingang van het aj. 1995, als volgt worden weergegeven :
- in art. 22, § 1, 2de lid, WIB 92 werd de oorspronkelijke verwijzing naar art. 171, 2° en 3°, WIB 92 vooreerst vervangen door een verwijzing naar art. 171, 2°bis en 3°, WIB 92 (art. 29, W 24.12.1993) en vervolgens door een verwijzing naar art. 171, 2°bis tot 3°bis, WIB 92 (art. 2, W 30.3.1994);
- art. 171, 2°, a, WIB 92 werd opgeheven door art. 30, 1°, W 24.12.1993;
- art. 171, 2°bis, WIB 92 werd vooreerst ingevoegd door art. 30, 2°, W 24.12.1993 en werd vervolgens volledig vervangen door art. 13, 1°, W 30.3.1994;
- art. 171, 3°, WIB 92 werd vervangen door art. 13, 2°, W 30.3.1994;
- art. 171, 3°bis, WIB 92 werd ingevoegd door art. 13, 3°, W 30.3.1994;
- art. 519, WIB 92 werd gewijzigd door :
- art. 33, W 24.12.1993;
- art. 26, 1°, W 30.3.1994 (inwerkingtreding : vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten - zie art. 29, § 1, 6°, W 30.3.1994);
- art. 26, 2°, W 30.3.1994, doch enkel wat de Franse tekst betreft (inwerkingtreding : aj. 1992 - zie art. 29, § 1, 2°, W 30.3.1994).
3. De bepalingen van het WIB 92 die door de verschillende in nr. 2 hierboven aangehaalde aanpassingen werden gewijzigd, luiden voortaan als volgt (De tekst van art. 269, WIB 92 (berekening van de RV), waarvan de opeenvolgende wijzigingen door respectievelijk art. 31, W 24.12.1993 en art. 20, W 30.3.1994 de basis van de in deze circulaire besproken wijzigingen vormen, wordt hier eveneens weergegeven).
| Art. | 22, WIB 92 |
Behalve indien dat inkomen ingevolge artikel 171, 2°bis tot 3°bis (In eerste instantie heeft art. 29, W 24.12.1993 de oorspronkelijke tekst "ingevolge artikel 171, 2° en 3°" vervangen door de woorden "ingevolge artikel 171, 2°bis en 3°". Die laatste tekst, die in principe geldig is met ingang van het aj. 1995, zal evenwel nooit uitwerking hebben, daar hij opnieuw werd gewijzigd door art. 2, W 30.3.1994, dat eveneens in werking treedt met ingang van het aj. 1995), afzonderlijk wordt belast, wordt het verminderd met de desbetreffende innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten.
§ 2. Interest van schulden aangegaan om inkomsten van roerende goederen en kapitalen te verkrijgen of te behouden is niet aftrekbaar.
§ 3. Onverminderd de toepassing van het bepaalde in § 2, wordt onder netto-inkomen van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen het brutobedrag verstaan, verminderd met de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd volgens percentages die de Koning bepaalt.
| Art. | 171, WIB 92 |
...
| 2° | tegen een aanslagvoet van 10 % : |
| a) | ... (Met ingang van het aj. 1995 is art. 171, 2°, a, WIB 92 opgeheven door art. 30, 1°, W 24.12.1993. Voorheen betrof die bepaling "de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en de in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten"). |
| 2°bis | tegen een aanslagvoet van 13 % (De oorspronkelijk door art. 30, 2°, W 24.12.1993 ingevoegde tekst van art. 171, 2°bis, WIB 92 (inwerkingtreding : aj. 1995), luidde als volgt : 2°bis tegen een aanslagvoet van 13 %, de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en de in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten;" Gelet op zijn vervanging door art. 13, 1°, W 30.3.1994 (dat ook van toepassing is vanaf aj. 1995) : |
| a) | de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en de in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten (Art. 90, WIB 92 : "Diverse inkomsten zijn : ... |
| 5° | inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers is plaatsen; |
| 6° | loten van effecten van leningen, met uitzondering van de loten die van elke Belgische zakelijke en personele belasting of van elke belasting zijn vrijgesteld; |
| 7° | opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht; ...") |
| b) | de in artikel 269, tweede lid, 2°, en derde lid, vermelde dividenden; |
| 3° | tegen een aanslagvoet van 25 %, de dividenden, met uitzondering van die vermeld in artikel 269, tweede en derde lid (Tekst zoals hij met ingang van het aj. 1995 is vervangen door art. 13, 2°, W 30.3.1994. Tot en met het aj. 1994 luidde de tekst als volgt : "3° tegen een aanslagvoet van 25 % de dividenden;"); |
| 3°bis | tegen een aanslagvoet van 20 %, de in artikel 269, tweede lid, 1°, vermelde dividenden (Tekst die, met ingang van het aj. 1995, is ingevoegd door art. 13, 3°, W 30.3.1994); |
Art. 269, WIB 92 (Deze bepaling wordt slechts ter informatie medegedeeld. Art. 269, WIB 92 (dat volledig werd vervangen door art. 20, W 30.3.1994) is van toepassing op de vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, met dien verstande dat wat de in het 2de lid, 2°, bedoelde inkomsten betreft, die inkomsten bovendien betrekking moeten hebben op een boekjaar dat aan het aanslagjaar 1995 of aan een later aanslagjaar verbonden is)
De aanslagvoet van de roerende voorheffing is vastgesteld op :
| 1° | 13 % voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn, alsmede voor diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 5° tot 7°; |
| 2° | 25 % voor de dividenden. |
| 1° | 20 % voor dividenden van aandelen die inbrengen in geld vertegenwoordigen die in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in Belgische vennootschappen en die zijn verleend of toegekend voor de vijf, de tien of de negen eerste boekjaren waarvoor die inkomsten van personenbelasting zijn vrijgesteld krachtens artikel 3, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 15; |
| 2° | 13 % voor dividenden van in 1° vermelde aandelen die genoteerd zijn op een beurs voor roerende waarden wanneer de vennootschap die de inkomsten uitkeert onherroepelijk heeft verzaakt aan de overdracht, op de aan de desbetreffende aandelen uitgekeerde inkomsten : |
- van de belastingbesparing die uit de ter zake voorziene vrijstelling van vennootschapsbelasting voortvloeit;
- van het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de bedoelde vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waaraan de desbetreffende vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen.
Voor zover de vennootschap die de inkomsten uitkeert niet onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van deze verlaging, wordt de aanslagvoet van 25 % eveneens verlaagd tot 13 % voor de volgende dividenden :
| a) | dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden; |
| b) | dividenden van aandelen die, vanaf hun uitgifte, hetzij het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever, hetzij in België in open bewaargeving zijn gegeven, waarvan de Koning de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen, wanneer die aandelen werden uitgegeven vanaf 1 januari 1994 ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal en overeenstemmen met inbrengen in geld; |
| c) | dividenden uitgekeerd door beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, die geen dividenden zijn als vermeld in artikel 21, 2°. |
Voor de in het derde lid, a en b, vermelde vennootschappen die na 31 december 1993 hun kapitaal verminderen, worden de kapitaalverhogingen waartoe zij overgaan slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen.
Deze kapitaalverhogingen worden evenwel geheel in aanmerking genomen wanneer de kapitaalverminderingen beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Worden geacht aan de in het zesde lid vermelde voorwaarde te beantwoorden, de kapitaalverminderingen gebruikt om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om onbeschikbare reserves aan te leggen.
Ingeval van overdracht door de natuurlijke personen of rechtspersonen door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, of, in geval van oprichting bij openbare inschrijving, die de ontwerp-oprichtingsakte hebben ondertekend, door de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap die de overdracht verkrijgt van, hetzij goederen die vóór 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend, hetzij aandelen die deel hebben uitgemaakt van hun privaat vermogen, hetzij goederen die hebben toegehoord aan een vennootschap waarvan zij vóór 1 januari 1994 aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten waren, wordt alleen het bedrag van die inbreng in geld, dat meer bedraagt dan de overdrachtprijs, in aanmerking genomen voor de toepassing van het derde lid, a en b.
Het achtste lid is van toepassing op de overdracht gedaan door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die in eigen naam, maar voor rekening van een in dat lid vermelde persoon, handelt.
Art. 519, WIB 92 (Vóór de wijziging door art. 33, W 24.12.1993, luidde de tekst van art. 519, WIB 92 als volgt : "In afwijking van de artikelen 171, 2°, en 269, eerste lid, 1°, wordt het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing, vastgesteld op 25 % :
- voor inkomsten van gelddeposito's met aanduiding van termijn of een opzeggingstermijn van minder dan 6 maanden die zijn gedaan of hernieuwd vóór 1 januari 1990;
- voor de andere inkomsten van roerende goederen en kapitalen en de andere diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 4° tot 6°, die zijn toegekend ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vóór 1 maart 1990".)
In afwijking van de artikelen 171, 2°bis, a, en 269, eerste lid, 1°, wordt het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing, vastgesteld op 25 % :
- voor inkomsten van gelddeposito's met aanduiding van termijn of een opzeggingstermijn van minder dan 6 maanden die zijn gedaan of hernieuwd vóór 1 januari 1990;
- voor de andere inkomsten van roerende goederen en kapitalen en de andere diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 5° tot 7°, die zijn toegekend ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vóór 1 maart 1990.
III. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
A. Inleiding
4. Met betrekking tot de diverse wijzigingen die inzake de taxatie van roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard achtereenvolgens door de W 24.12.1993 en de W 30.3.1994 in het WIB 92 zijn aangebracht, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de wezenlijke wijzigingen en de louter vormelijke wijzigingen.
5. De voornaamste wezenlijke wijzigingen kunnen als volgt samengevat worden :
- een verhoging van de belasting op sommige roerende inkomsten die geen dividenden zijn en op sommige diverse inkomsten van roerende aard, door het optrekken van de aanslagvoet van de RV en van de PB (in geval van afzonderlijke taxatie) van 10 naar 13 % (ACB niet inbegrepen);
- een verlaging van de belasting op sommige dividenden, door het terugbrengen van de aanslagvoet van de RV en van de PB (in geval van afzonderlijke taxatie) van 25 naar 13 % (ACB niet inbegrepen).
B. W 24.12.1993
6. Ten gronde bevat de W 24.12.1993 slechts twee bepalingen die van aard zijn om het beoogde doel te verwezenlijken :
- wat de afzonderlijke taxatie in de PB betreft, heft art. 30 de voorheen in art. 171, 2°, a, WIB 92 vermelde aanslagvoet van 10 % op en vervangt hem door een aanslagvoet van 13 % via de invoeging van een 2°bis in art. 171, WIB 92;
- wat de berekening van de RV betreft, vervangt art. 31 de voorheen in art. 269, 1ste lid, 1°, WIB 92 vermelde aanslagvoet van 10 % door die van 13 %.
7. De andere bepalingen van de W 24.12.1993 die op dezelfde problematiek betrekking hebben, strekken er alleen toe de diverse artikels van het WIB 92 in overeenstemming te brengen met de in nr. 6 aangehaalde wijzigingen. Dit is het geval met de in de art. 22, § 1, 2de lid en 519, WIB 92 aangebrachte wijzigingen.
C. W 30.3.1994
8. De in de W 30.3.1994 ingeschreven maatregelen strekken er inzonderheid toe de aanslagvoet van de RV, en de ermede overeenstemmende aanslagvoet van de PB (in geval van afzonderlijke taxatie), van 25 % (of 20 % naargelang van het geval) naar 13 % (ACB niet inbegrepen) terug te brengen wat de volgende 3 categorieën van dividenden betreft :
| 1° | dividenden van AFV-aandelen, wanneer de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven verzaakt aan de overdracht van de aan dergelijke effecten verbonden fiscale voordelen naar de erop betrekking hebbende inkomsten; |
| 2° | dividenden van aandelen die vanaf 1 januari 1994 zijn uitgegeven en aan één van de volgende voorwaarden voldoen : |
| a) | ofwel zijn uitgegeven door het openbaar aantrekken van spaargelden, dit wil zeggen volgens de criteria bepaald in het KB 9.1.1991 over het openbaar karakter van verrichtingen om spaargelden aan te trekken en de gelijkstelling van bepaalde verrichtingen met een openbaar bod; |
| b) | ofwel sinds hun uitgifte bij de uitgever op naam zijn ingeschreven; |
| c) | ofwel sinds hun uitgifte in België in open bewaargeving zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen; |
| 3° | dividenden uitgekeerd door beleggingsvennootschappen als bedoeld in de art. 114, 118 en 119quinquies van de W 4.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten (V 2071 - Bull. 702). |
10. De overige bepalingen van de W 30.3.1994, die aan het WIB 92 wijzigingen inzake de taxatie van roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard hebben gebracht, strekken er alleen toe de algemene samenhang van het wetboek te verzekeren gelet op de in nr. 9 aangehaalde wijzigingen. Dit is het geval met de in de art. 22, § 1, 2de lid, 171, 3°, 171, 3°bis en 519, WIB 92 aangebrachte wijzigingen.
D. Opmerking
11. Tenslotte wordt de aandacht er nog op gevestigd dat het belastingstelsel van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van de diverse inkomsten van roerende aard, die ter uitvoering van vóór 1.3.1990 gesloten overeenkomsten zijn toegekend, ondanks de opeenvolgende wijzigingen aan art. 519, WIB 92 door art. 33, W 24.12.1993 en door art. 26, W 30.3.1994, ongewijzigd blijft, d.w.z. dat in dergelijk geval nog steeds de aanslagvoet van 25 % (ACB niet inbegrepen) van toepassing is.
IV. AANSLAGVOETEN
A. Voorafgaande opmerking
12. In de hiernavolgende rubrieken wordt uitsluitend de problematiek van de afzonderlijke taxatie van de roerende inkomsten en sommige diverse inkomsten van roerende aard in de PB behandeld. De problematiek die eigen is aan de RV zal in een afzonderlijke circulaire besproken worden.
De hierna vermelde aanslagvoeten, die doorgaans van toepassing zijn op de vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, houden geen rekening met de ACB. Uiteraard is de ACB steeds van toepassing.
B. Aanslagvoet van 10 %
13. Ingevolge de opheffing van art. 171, 2°, a, WIB 92 door art. 30, 1°, W 24.12.1993, is met ingang van het aj. 1995 (inkomsten van het jaar 1994) geen afzonderlijke taxatie tegen 10 % meer mogelijk.
C. Aanslagvoet van 13 %
14. Wat de vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten van kapitalen en roerende goederen (die geen dividenden zijn) en in art. 90, 5° tot 7°, WIB 92, vermelde diverse inkomsten van roerende aard betreft, is de aanslagvoet van 13 % in zekere zin de "gewone" aanslagvoet geworden, die in de plaats komt van die van 10 %.
Zijn aldus bedoeld in art. 171, 2°bis, a, WIB 92 :
- de in art. 17, § 1, 3°, WIB 92 beoogde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;
- de in de art. 17, § 1, 4° en 20, WIB 92 beoogde inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten;
- de in art. 90, 5°, WIB 92 beoogde inkomsten die worden verkregen uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen, of uit de concessie van het recht om een plaats te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen;
- de in art. 90, 6°, WIB 92 beoogde loten van effecten van leningen;
- de in art. 90, 7°, WIB 92 beoogde opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht.
De aanslagvoet van 13 % geldt echter nooit voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten van roerende aard die toegekend zijn ter uitvoering van vóór 1.3.1990 gesloten overeenkomsten. Dergelijke inkomsten zijn immers steeds aan het tarief van 25 % onderworpen (zie ook nr. 16, 2de lid).
Anderzijds is de aanslagvoet van 13 %, krachtens art. 171, 2°bis, b, WIB 92, eveneens van toepassing op sommige dividenden die aan welbepaalde voorwaarden voldoen (zie nr. 8 hiervoor).
D. Aanslagvoet van 20 %
15. De aanslagvoet van 20 %, die thans is vastgelegd in art. 171, 3°bis, WIB 92, is slechts van toepassing voor dividenden van AFV- aandelen, mits de vennootschap die de inkomsten uitkeert, niet onherroepelijk heeft verzaakt (met het oog op het verkrijgen van het in art. 269, 2de lid, 2°, WIB 92, inzake RV vermelde gunsttarief van 13 %) aan de overdracht :
- van de belastingbesparing die uit de ter zake voorziene vrijstelling van Ven.B voortvloeit;
- van het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de bedoelde vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waaraan de desbetreffende vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen.
E. Aanslagvoet van 25 %
16. Krachtens art. 171, 3°, WIB 92 blijft de aanslagvoet van 25 % bij voortduur van toepassing op de dividenden, met uitzondering wel te verstaan van de :
- in art. 269, 2de lid, 2° en 3de lid, WIB 92 vermelde dividenden waarop de aanslagvoet van 13 % van toepassing is (zie nrs. 8 en 14, laatste lid);
- in art. 269, 2de lid, 1° WIB 92, vermelde AFV-dividenden waarop de aanslagvoet van 20 % van toepassing is (zie dienaangaande evenwel ook nr. 15).
Daarnaast blijven ook de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en de diverse inkomsten van roerende aard, die ter uitvoering van vóór 1.3.1990 gesloten overeenkomsten zijn toegekend of betaalbaar gesteld, bij voortduur aan de aanslagvoet van 25 % onderworpen en dit krachtens art. 519, WIB 92 dat daartoe expliciet afwijkt van het bepaalde in de art. 171, 2°bis, a, en 269, 1ste lid, 1°, WIB 92.
V. INWERKINGTREDING
17. De hiervoor besproken wijzigingen zijn in de regel van toepassing op vanaf 1.1.1994 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.
Inzake PB gelden zij voor het eerst met betrekking tot het aj. 1995 (inkomsten van 1994).
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,
M. CHERPION
Bron: FisconetPlus
