Circulaire nr. Ci.D.19/444.905 van 14.11.1994

CIRC 14.11.94/1
Bull. nr. 745, pag. 25
AFZONDERLIJK BELASTBAAR INKOMEN
Aanslagvoet van 16,5 %

EFFECTENMAKELAAR
Belastingstelsel

FISCALE EN FINANCIELE BEPALINGEN 1992
Effectenmakelaar
24e aflevering
INHOUDSOPGAVE Nrs. I. WETTEKST .............................................. I/950 II. ALGEMEEN A. Historiek .......................................... I/951 B. De beurshervorming ................................. I/952 C. Fiscale aspecten ................................... I/957 III. VEREFFENING VAN DE VROEGERE BEURZEN A. Algemeen ........................................... I/958 B. Beurs van Brussel .................................. I/959 C. Beurs van Antwerpen ................................ I/960 D. Beurs van Gent ..................................... I/961 E. Beurs van Luik ..................................... I/962 IV. BELASTINGSTELSEL VAN DE VERDEELDE BEDRAGEN A. Algemeen ........................................... I/963 B. Belastbaar tijdperk ................................ I/966 C. Belastbaar bedrag .................................. I/967 D. Aanslagvoet ........................................ I/970 E. Voorafbetalingen ................................... I/971 V. INWERKINGTREDING ...................................... I/972
EFFECTENMAKELAARS
I. WETTEKST
I/950 Art. 44, W 28. 7.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen (V 2185 - Bull. 719) heeft in boek II, titel IV, hoofdstuk II (waarvan het oorspronkelijke opschrift "Wijzigingen van titel VIII van het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen" bij art. 43, W 28.7.1992 door "Fiscale bepalingen" werd vervangen) van de W 4.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten (V 2071 - Bull. 702), een als volgt luidend artikel 1O1bis ingevoegd :
Art.
101bis W 4.12.1990
In afwijking van de artikelen 130 tot 174 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is de in artikel 80, § l, derde lid, van deze wet (Art. 80, W 4.12.1990 : § 1. De in artikel 88 van titel V van boek I van het Wetboek van Koophandel bedoelde instellingen worden ontbonden. Het netto-actief van deze instellingen dat deel uitmaakt van hun vermogen dat werd overgedragen aan de betrokken Effectenbeursvennootschap, wordt door de Minister van Financiën vastgesteld op de datum waarop deze wet in werking treedt, op grond van een verslag van een college van drie door hem op advies van de Beurscommissie aangestelde bedrijfsrevisoren. De tegenwaarde van dit netto-actief wordt binnen zes maanden na de beslissing van de Minister van Financiën als bedoeld in het vorige lid, op grond van de door de Koning vastgestelde regels, door de Effectenbeursvennootschap in contanten uitbetaald aan de effectenmakelaars of aan hun rechthebbenden die binnen twee jaar vóór de inwerkingtreding van deze wet waren ingeschreven op de lijst van de beurs. Overigens regelt de Koning de vereffening van de vennootschappen. § 2. Op de aandelen van de Effectenbeursvennootschap moet slechts worden ingeschreven en ze moeten slechts worden volgestort op de datum waarop het in § 1, derde lid, bedoelde netto-actief wordt uitbetaald. Het maatschappelijk actief van de Effectenbeursvennootschap bestaat tot op die dag uit het netto-actief dat krachtens artikel 8 werd overgedragen) vermelde tegenwaarde van het netto-actief ten name van de effectenmakelaars of hun rechthebbenden afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 %, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 130 tot 168 van hetzelfde Wetboek op het geheel van de belastbare inkomsten met inbegrip van de hierboven vermelde tegenwaarde.
Krachtens art. 47, § 1, W 28.7.1992, treedt art. 101bis, W 4.12.1990 in werking met ingang van het aj. 1992.
II. ALGEMEEN
A. Historiek
I/951 Vóór de door de W 4.12.1990 ingestelde hervorming van de financiële markten hadden de effectenmakelaars - en dit sedert bijna 200 jaar - een reeks monopolies (waarvan zij er mettertijd evenwel enkele met de banken, de spaarkassen en de openbare kredietinstellingen hebben moeten delen), zoals :
  • het monopolie voor de ontvangst van beursorders;
  • het monopolie voor de uitvoering van beursorders met betrekking tot fondsen die op de beursnotering in een Belgische Beurs zijn ingeschreven en het monopolie voor het te koop aanbieden of verkopen van effecten op door de Beurscommissie georganiseerde openbare veilingen (dat monopolie gold evenwel niet voor de inkoop of verkoop, door de overheid, van door diezelfde overheid geëmitteerde effecten, en evenmin voor de beursorders uit het buitenland die betrekking hadden op in het buitenland genoteerde effecten);
  • het monopolie voor sommige aan- of verkopen buiten de Beurs;
  • het monopolie voor de deviezenhandel.
Oorspronkelijk waren de effectenmakelaars ministeriële ambtenaren en hadden hun borderellen de waarden van authentieke akten, net als de notariële geschriften. De wet van 30.12.1867 tot herziening van titel V van boek I van het Wetboek van Koophandel reglementeerde hun activiteiten door ze met daden van koophandel gelijk te stellen. Sedertdien was de corporatie (In zijn advies nopens het ontwerp dat de W 4.12.1990 is geworden, stelde de Raad van State dat de corporatie van de effectenmakelaars in boek I, titel V, van het Wetboek van Koophandel verkeerdelijk als vereniging werd bestempeld (Doc. 1156/1, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1989 - 1990, blz. 166)) van de effectenmakelaars, zoals voor de beroepsorden (notarissen, advocaten, geneesheren, architecten, apothekers), op democratische wijze ingericht.
De organisatie van de Beurs werd, onder toezicht van de Regering behartigd door de Beurscommissie. Dit tuchtorgaan werd verkozen bij gelijk stemrecht van alle leden van de corporatie, die elk over één stem beschikten, ongeacht het belang van hun kantoor of van de zaken die ze behandelden.
Het vermogen van de corporatie werd hoofdzakelijk gestijfd met een gedeelte van het aanvullend recht (dat voorheen noteringsrecht werd genoemd) dat op alle op de beurs genoteerde verrichtingen geheven werd. De effectenmakelaars hadden evenwel geen enkel recht op dat vermogen en bij hun vertrek ontvingen zij geen enkel gedeelte van het kapitaal.
Naast de Beurs van Brussel waren er ook nog de Beurzen van Gent, Antwerpen en Luik.
B. De beurshervorming
I/952 Uit diverse op het einde van de jaren tachtig uitgevoerde studies, was gebleken dat een grondige hervorming van de werking van de Beurs, en dus van de beurswetgeving, aan een dringende behoefte beantwoordde. Ten aanzien van naburige financiële centra als Amsterdam, Londen en Parijs vertoonde de Beurs van Brussel (veruit de belangrijkste van het land) immers verscheidene grote handicaps :
  • een te sterk versnipperde en gecompartimenteerde bemiddelingsstructuur (het beroep telde ongeveer 350 effectenmakelaars, verdeeld over 200 firma's);
  • een te strenge reglementering (het reglementaire kader, ontstaan uit het koninklijk besluit van 30.1.1935, was helemaal niet aangepast aan de realiteit van het hedendaagse beurswezen);
  • de hoge transactiekosten die het concurrentievermogen verzwakten:
  • een computer- en telecommunicatie-infrastructuur die nog in een beginstadium verkeerden;
  • de bijna totale afwezigheid van afzetmarkten voor nieuwe financiële instrumenten.
I/953 In die omstandigheden opteerde de Regering voor een grondige hervorming die, wat de effectenmakelaars betreft, als volgt kan worden samengevat :
  • bemiddelaars op de beurs mogen hun werkzaamheden niet langer uitoefenen als zelfstandige natuurlijke personen; die werkzaamheden moeten voortaan verplicht uitgeoefend worden in het kader van een beursvennootschap;
  • het kapitaal van de beursvennootschappen (ten minste 10 miljoen F of 50 miljoen F indien het een NV betreft) moet kunnen opengesteld worden voor andere aandeelhouders dan effectenmakelaars (onder meer bepaalde kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen).
I/954 Kortom, het ontwerp van hervorming (dat de W 4.12.1990 is geworden) wilde de corporatieve structuur en de institutionele organisatie van het beroep van effectenmakelaar doen verdwijnen en voorrang geven aan het functionele en commerciële aspect van de financiële markten.
Daar dient evenwel onmiddellijk aan toegevoegd te worden dat ook al is het voortaan verboden om het beroep van bemiddelaar als zelfstandig natuurlijke persoon uit te oefenen : de titel van effectenmakelaar desalniettemin blijft bestaan en verder beschermd blijft, wat het behoud van toegangsvoorwaarden tot het beroep (wetenschappelijke kwalificatie, beroepsexamen en stage), een bepaalde plichtenleer en het toezicht van de controle-instanties inhoudt.
I/955 Voortaan speelt de beursactiviteit zich af binnen een Effectenbeurs, die door art. 5, W 4.12.1990 wordt gedefinieerd als een effectenmarkt voor openbare transacties, waar eenieder door bemiddeling van een tot de beurs toegelaten bemiddelaar, effecten die in deze markt zijn opgenomen, kan kopen of verkopen. De Effectenbeurs wordt bestuurd door een publiekrechtelijk rechtspersoon, opgericht in de vorm van een coöperatieve vennootschap, met als naam Effectenbeursvennootschap, gevolgd door de naam van de gemeente waar zij gevestigd is. Deze vennootschap, waarvan de verplichtingen handelsverplichtingen zijn, streeft geen winst na (art. 7, W 4.12.1990).
Krachtens art. 8, W 4.12.1990, treden de Effectenbeursvennootschappen, die, gelet op het bepaalde in art. 5, § 2 van dezelfde wet, zijn opgericht in Antwerpen, Brussel, Gent en Luik, van rechtswege in de rechten en verplichtingen van de verenigingen van effectenmakelaars die voorheen in dezelfde steden waren gevestigd, op de dag van hun ontbinding, waarbij het vermogen van deze verenigingen op diezelfde datum van rechtswege aan de overeenstemmende Effectenbeursvennootschappen wordt overgedragen.
Art. 9, W 4.12.1990 stelt dat enkel beursvennootschappen aandeelhouder kunnen zijn van een Effectenbeursvennootschap.
Tenslotte bepaalt art. 35, § 1, W 4.12.1990 dat de beursvennootschappen moeten opgericht zijn in de vorm van een handelsvennootschap naar Belgisch recht, terwijl art. 36 van dezelfde wet daar nog aan toevoegt dat die vennootschappen moeten beschikken over een maatschappelijk kapitaal dat voor ten minste 10 miljoen F werd volgestort (dit bedrag wordt verhoogd tot 50 miljoen F voor naamloze vennootschappen). Het is uitsluitend binnen het kader van dergelijke vennootschappen dat de effectenmakelaars voortaan nog hun beroep mogen uitoefenen.
I/956 Elders bepaalt art. 80, W 4.12.1990 dat het netto-actief van de vroegere (en thans ontbonden) corporaties van effectenmakelaars, dat in rechte aan de Effectenbeursvennootschap is overgedragen, op de datum waarop deze wet in werking treedt (dit is 1.1.1991) door de Minister van Financiën moet worden vastgesteld op grond van een verslag van een college van drie door hem op advies van de Beurscommissie aangestelde bedrijfsrevisoren, en dat de tegenwaarde van dat netto-actief, binnen zes maanden na de beslissing van de Minister en op grond van door de Koning vastgestelde regels, in contanten moet worden uitbetaald aan de effectenmakelaars die binnen twee jaar vóór de inwerkingtreding van deze wet op de lijst van de beurs waren ingeschreven (in feite gaat het dus om effectenmakelaars die op enig ogenblik van het tijdperk van 1.1.1989 tot 31.12.1990 op die lijst waren ingeschreven) of aan hun rechthebbenden.
Eigenlijk regelt deze bepaling gewoonweg de terugbetaling van de tegenwaarde van de reserves die de effectenmakelaars in de loop der jaren gezamenlijk hebben aangelegd en die zij tot dusver zonder bezwaar aan hun opvolgers overdroegen.
De aldus herverdeelde bedragen moesten de effectenmakelaars in principe toelaten om gezamenlijk (de voortaan verplichte) beursvennootschappen op te richten waarvan het kapitaal het door de wet opgelegde minimum bereikte. Die beursvennootschappen, die op die manier over voldoende eigen fondsen beschikken, zouden bijgevolg zelf op het kapitaal van de nieuwe Effectenbeursvennootschap kunnen inschrijven, waardoor deze laatste :
  • de investeringen zou kunnen doen die nodig zijn voor haar goede werking;
  • haar veiligheidsreserve zou kunnen stijven.
Het is nochtans evident dat de effectenmakelaars, om diverse redenen (dicht bij de pensioenleeftijd, te gering aandeel in de verdeelde bedragen om de 10 of 50 miljoen F te verzamelen die nodig zijn om een beursvennootschap op te richten, enz.), niet allemaal hun werkzaamheden na de hervorming nog wensten verder te zetten. In dat geval moesten de uit de vereffening van de vroegere corporaties verkregen bedragen hen onder meer toelaten de kosten te betalen die inherent zijn aan het beëindigen van hun werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld de aan het personeel te betalen opzeggingsvergoedingen.
C. Fiscale aspecten
I/957 Tijdens de parlementaire besprekingen die aan de W 4.12.1990 voorafgingen, is het belastingstelsel met betrekking tot de bedragen die aldus onder de effectenmakelaars zouden worden verdeeld, nooit ter sprake gekomen.
Daar de meningen dienaangaande in de erop volgende twee jaar nogal uiteenliepen, besloot de Regering de zaken te verduidelijken; zij maakte gebruik van de W 28.7.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen om in de W 4.12.1990 een artikel 101bis in te voegen waarin wordt gesteld dat, in afwijking van de art. 130 tot 174, WIB 92, de bedragen in kwestie ten name van de genieters afzonderlijk belastbaar zijn tegen een aanslagvoet van 16,5 % (behoudens indien de samenstelling van alle inkomsten voordeliger is).
Gelet op de omstandigheden waarin de beoogde bedragen aan de effectenmakelaars zijn toegekend, moeten zij in principe worden gerangschikt onder de in art. 28, eerste lid, 2°, WIB 92 bedoelde inkomsten die worden verkregen na de stopzetting en voortkomen uit de vorige beroepswerkzaamheid. De wetgever heeft evenwel geoordeeld te moeten afwijken van het in art. 171, 5°, c, WIB 92 beoogde belastingstelsel (afzonderlijke taxatie tegen de gemiddelde aanslagvoet van het vorige jaar) en heeft de op die inkomsten toepasselijke aanslagvoet eenvormig op 16,5 % vastgelegd.
Art. 101bis, W 4.12.1990 treedt in werking met ingang van het aj. 1992 (inkomsten van het jaar 1991).
III. VEREFFENING VAN DE VROEGERE BEURZEN
A. Algemeen
I/958 Ten gevolge van de W 4.12.1990 ging de Regering, onder het gezag van de Minister van Financiën, over tot de vereffening van de vroegere beursverenigingen. Bij die gelegenheid werden de beurzen van Gent en Luik, waar zo goed als geen activiteit meer was, overigens definitief gesloten. De beurzen van Brussel en Antwerpen bleven evenwel verder werkzaam.
B. Beurs van Brussel
I/959 Art. 1, KB 26.9.1991 tot vaststelling van de regels voor de uitbetaling van de tegenwaarde van het netto-actief van de vereniging van wisselagenten van de openbare fondsen- en wisselbeurs van Brussel en houdende de sluiting van haar vereffening (BS 28.9.1991, blz. 21398), luidt als volgt :
"De Effectenbeursvennootschap van Brussel betaalt de tegenwaarde van het netto-actief van de openbare fondsen- en wisselbeurs van Brussel uit volgens de volgende regels :
één derde van deze tegenwaarde wordt verdeeld in evenredigheid met de anciënniteit van de effectenmakelaar uitgedrukt in het aantal dagen dat hij op de lijst van de Beurs van Brussel ingeschreven was, vanaf 1 januari 1946;
twee derde van deze tegenwaarde wordt verdeeld in evenredigheid met de aanvullende rechten die met ingang van het jaar 1977 zijn betaald door de uitvoerder van een verrichting overeenkomstig artikel 162bis van de verordening op de openbare fondsen- en wisselbeurs van Brussel, gevoegd bij het koninklijk besluit van 1 februari 1935.
Indien de uitvoerder een firma met verscheidene effectenmakelaars is, wordt het met toepassing van de 2° van het eerste lid bekomen bedrag verdeeld in evenredigheid met de door deze effectenmakelaars aan de Waarborgkas betaalde aanvullende rechten, overeenkomstig artikel 26 van het algemeen reglement van de Waarborgkas van de wisselagenten, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 5 augustus 1988. "
Art. 2 van hetzelfde KB sluit de vereffening van de vereniging van wisselagenten van de openbare fondsen- en wisselbeurs van Brussel.
Voormeld KB treedt in werking op 30.9.1991.
C. Beurs van Antwerpen
I/960 Art. l, KB 23.10.1991 tot vaststelling van de regels voor de uitbetaling van de tegenwaarde van het netto-actief van de openbare fondsen- en wisselbeurs van Antwerpen en houdende de sluiting van haar vereffening (BS 30.10.1991, blz. 24341), luidt als volgt :
"De Effectenbeursvennootschap van Antwerpen betaalt de tegenwaarde van het netto-actief van de openbare fondsen- en wisselbeurs van Antwerpen uit volgens de hierna volgende regels.
Eerst wordt een bedrag van 20.000 frank toegekend aan elke effectenmakelaar per volledig jaar dat hij, te rekenen vanaf zijn datum van inschrijving tot en met 31 december 1990, als wisselagent ingeschreven was op de lijst van de Beurs van Antwerpen. Aan elke effectenmakelaar wordt evenwel maximum 100.000 frank toegekend.
De som van de bedragen die krachtens het tweede lid toekomen aan effectenmakelaars die op 26 april 1991 vennoten waren van of aangesloten waren bij eenzelfde beursvennootschap, mag 100.000 frank per beursvennootschap niet overschrijden. Indien dit wel het geval is, worden deze bedragen tot 100.000 frank verminderd door toepassing van een evenredige verdeling tussen de betrokken effectenmakelaars.
Vervolgens wordt het overblijvend saldo van de tegenwaarde van het netto-actief aan elke effectenmakelaar toegewezen in evenredigheid met zijn aandeel in de volgende bedragen die, voor wat betreft de jaren 1988, 1989 en 1990, door hemzelf of door de beursvennootschap waarvan hij vennoot was, aan de openbare fondsen- en wisselbeurs van Antwerpen zijn gestort :
de aanvullende rechten die, overeenkomstig artikel 134.19 van het koninklijk besluit van 1 februari 1935 houdende de verordening op de openbare fondsen- en wisselbeurs van Antwerpen, aan de ordergever in rekening werden gebracht;
de in artikel 107 van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde kosten in verband met de openbare veilingen;
de kosten voor het gebruik van de beurscomputer.
Zo de in het vierde lid beoogde bedragen door beursvennootschappen zijn gestort, worden ze desgevallend over hun vennoten-effectenmakelaars uitgesplitst op de wijze die in 1989 van toepassing was voor het aanvullend waarborgfonds krachtens artikel 26 van het algemeen reglement van de Waarborgkas van de wisselagenten, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 5 augustus 1988."
Art. 2 van hetzelfde KB sluit de vereffening van de openbare fondsen- en wisselbeurs van Antwerpen.
Dit KB treedt in werking op 30.10.1991.
D. Beurs van Gent
I/961 Het KB 31.12.1990 betreffende de sluiting van de openbare fondsen- en wisselbeurs van Gent (BS 12.1.1991, blz. 676 ), dat in werking treedt op 31.12.1990, regelt zonder meer de sluiting van de Beurs van Gent en dit wegens het feit dat het volume van de op die beurs verhandelde effecten niet langer een niveau bereikte dat voldoende werd geacht om haar werkingskosten te dekken.
Hetzelfde KB stelt de vereffenaars aan die onder meer de schuldeisers moeten voldoen.
In een bericht dat verschenen is in het BS van 18.3.1992, blz. 5752, heeft de Minister van Financiën aangekondigd dat op 4.3.1992 is overgegaan tot de sluiting van de vereffeningsverrichtingen van de Beurs van Gent.
E. Beurs van Luik
I/962 Het KB 30.3.1994 betreffende de sluiting van de Effectenbeurs van Luik (BS 14.4.1994, blz. 9875), dat in werking treedt op 14.4.1994, regelt de definitieve sluiting van de Beurs van Luik en bepaalt o.m. dat de vereniging van wisselagenten, alhoewel ontbonden door art. 80, § 1, eerste lid, W 4.12.1990, niettemin de rechtspersoonlijkheid behoudt met het oog op de vereffeningsverrichtingen.
Hetzelfde KB stelt de vereffenaars aan en bepaalt dat indien de vereffening na inning van de schuldvorderingen en betaling van de schulden, een netto-actief vertoont, dit onder de effectenmakelaars die op 31.12.1990 op de beurslijst waren ingeschreven of hun rechthebbenden zal worden verdeeld in evenredigheid met het aantal volledige jaren dat ze op de beurslijst waren ingeschreven.
Tot op heden heeft de Minister van Financiën nog geen bericht aangaande de sluiting van de vereffeningsverrichtingen van de Beurs van Luik gepubliceerd.
IV. BELASTINGSTELSEL VAN DE VERDEELDE BEDRAGEN
A. Algemeen
I/963 Art. 101bis, W 4.12.1990, ingevoegd door art. 44, W 28.7.1992 bepaalt uitdrukkelijk dat de tegenwaarde van het netto-actief die in uitvoering van art. 80, § 1, derde lid van diezelfde W 4.12.1990 onder de effectenmakelaars of hun rechthebbenden is verdeeld, in afwijking van de art. 130 tot 174, WIB 92, afzonderlijk belastbaar is tegen 16,5 %, behoudens indien de samentelling van alle inkomsten voordeliger is.
Dienaangaande wordt in de Memorie van Toelichting met betrekking tot het ontwerp, dat de W 28.7.1992 is geworden, gesteld dat die uitbetaling onbetwistbaar een belastbaar beroepsinkomen vormt, aangezien de effectenmakelaars het bedoelde netto-actief, via fiskaal aftrekbare bijdragen, hebben opgebouwd in het kader van hun beroepswerkzaamheid en zij nu uit hoofde van die - inmiddels als natuurlijke persoon stopgezette - beroepswerkzaamheid recht hebben op hun aandeel in dat netto-actief (Doc. 444/1, Kamer van Volksvertegenwoordigers, buitengewone zitting 1991-1992, blz. 29 en 30).
I/964 Alhoewel de wetgever, zoals de Minister van Financiën trouwens heeft verklaard, alle twijfels heeft willen wegnemen met betrekking tot de belasting op de geldsommen die de vroegere Beursvennootschappen aan de effectenmakelaars moesten uitbetalen (Doc. 444/9, Kamer van Volksvertegenwoordigers, buitengewone zitting 1991-1992, blz. 171), heeft hij zich toch niet beperkt tot een loutere verwijzing naar art. 171, 5°, c, WIB 92 (winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid), maar heeft hij daarentegen resoluut een specifiek aanslagstelsel ingesteld dat afwijkt van de art. 130 tot 174, WIB 92.
I/965 Het gevolg daarvan is dat in plaats van belast te worden tegen de gemiddelde aanslagvoet van het vorige jaar, zoals dat in beginsel het geval is met de in art. 28, eerste lid, 2°, WIB 92, bedoelde inkomsten, aan de effectenmakelaars in het kader van de vereffening van de vroegere beursverenigingen toegekende bedragen in principe steeds afzonderlijk belast worden tegen een aanslagvoet van 16,5 %.
B. Belastbaar tijdperk
I/966 Tijdens de parlementaire besprekingen die aan de W 28.7.1992 voorafgingen, werd gepreciseerd dat de onder de effectenmakelaars verdeelde tegenwaarde van het netto-actief van de vroegere verenigingen, in eenmaal belastbaar was voor het belastbaar tijdperk waarin zij werkelijk werd toegekend (Doc. 444/1, Kamer van Volksvertegenwoordigers, buitengewone zitting 1991-1992, blz. 30).
Derhalve is het tijdstip waarop de genieters over een zekere en vaststaande vordering op de hen toekomende bedragen konden beschikken, bepalend en niet het tijdstip waarop de bedragen in werkelijkheid zijn uitbetaald.
Wat de effectenmakelaars betreft die vóór de inwerkingtreding van de W 4.12.1990 (dus vóór 1.1.1991) lid waren van de Beursverenigingen van Brussel en Antwerpen, waarvan de vereffening respectievelijk op 30.9.1991 en 30.10.1991 is gesloten, is het in aanmerking te nemen belastbaar tijdperk noodzakelijkerwijze het jaar 1991 dat uiteraard verbonden is aan het aj. 1992.
C. Belastbaar bedrag
I/967 De bedragen die aan effectenmakelaars, natuurlijke personen, of aan hun rechthebbenden zijn toegekend uit hoofde van de vereffening van de vroegere beursverenigingen, vormen voor hun totaal bedrag een in de PB belastbaar inkomen.
I/968 Dienaangaande wordt de aandacht erop gevestigd dat het belastbaar bedrag in geen geval mag worden verminderd met de sommen die de effectenmakelaar, via zijn beursvennootschap, heeft moeten storten als deelname in de oprichting van de nieuwe Effectenbeursvennootschap (zie I/955). Het gaat hier immers om twee, op fiscaal vlak, totaal verschillende verrichtingen :
  • de verkregen uitbetaling vormt een belastbaar inkomen voor het jaar van toekenning;
  • de voor de oprichting van een vennootschap gestorte sommen vertegenwoordigen een persoonlijke inbreng die geen enkel verband heeft met het beroepspatrimonium van de betrokkene, die overigens aandeelhouder of vennoot is geworden.
De taxatieambtenaren moeten er zich bijgevolg van vergewissen dat de twee voormelde verrichtingen in de boekhoudkundige geschriften niet ten onrechte werden gecompenseerd, wat de facto tot een aanzienlijke verlaging van het belastbaar inkomen zou leiden.
Om pragmatische redenen mocht het belastbare bedrag van de toegekende sommen, naargelang het geval, tegenover de code 700 of 710 van de aangifte in de PB worden vermeld, alhoewel die codes in werkelijkheid stopzettingsmeerwaarden betreffen.
I/969 Vanzelfsprekend blijven de (beroeps)kosten die sommige effectenmakelaars na de definitieve stopzetting van hun beroepswerkzaamheid hebben gedaan (aan het personeel betaalde opzeggingsvergoedingen, wegens het voortijdig verbreken van de handelshuurovereenkomst betaalde vergoedingen, enz.) volgens de gewone regels en onder de gebruikelijke voorwaarden aftrekbaar; zij moeten, naargelang het geval, tegenover de code 704 of 714 van de aangifte in de PB worden vermeld.
D. Aanslagvoet
I/970 Krachtens art. 101bis, W 4.12.1990, zijn de bedragen in kwestie, voor hun totaal bedrag, in beginsel afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 %.
Gelet op het bepaalde in fine van de voormelde wetsbepaling, wordt van die regel slechts afgeweken indien de samentelling van alle inkomsten voor de belastingplichtige voordeliger is (deze verduidelijking, die nochtans in de aanhef van art. 171, WIB 92 is opgenomen, was onontbeerlijk geworden omdat art. 101bis, W 4.12.1990 uitdrukkelijk van de art. 130 tot 174, WIB 92 afwijkt).
E. Voorafbetalingen
I/971 Daar de bedragen die aan de effectenmakelaars of hun rechthebbenden worden toegekend, moeten worden gerangschikt onder de inkomsten die na de stopzetting uit de voorheen uitgeoefende beroepswerkzaamheid zijn verkregen, moeten met betrekking tot die inkomsten geen voorafbetalingen worden gedaan.
De op die inkomsten betrekking hebbende belasting wordt bijgevolg niet vermeerderd ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan, ook niet indien die inkomsten voor de berekening van de belasting met de andere inkomsten van de belastingplichtige worden samengeteld.
V. INWERKINGTREDING
I/972 Art. 47, § 1, W 28.7.1992 bepaalt dat art. 44 van dezelfde wet, dat een art. 101bis in de W 4.12.1990 invoegt, in werking treedt met ingang van het aj. 1992 (inkomsten van het jaar 1991).