Circulaire nr. 15/2004 (AFZ 15/2004 - Dos. E.L.T.T.91) d.d. 22.10.2004



Met het zegel gelijkgestelde taksen
Aanvullende pensioenen voor zelfstandigen
Programmawet van 24 december 2002


In het Staatsblad van 31 december 2002 werd de programmawet van 24 december 2002 bekendgemaakt.

Deze programmawet bevat een luik betreffende aanvullende pensioenen voor zelfstandigen ("Titel II - Sociale Zaken en Pensioenen", "Hoofdstuk I - Sociaal statuut der zelfstandigen", "Afdeling 4 - Aanvullende pensioenen zelfstandigen"). Het voert een nieuwe doorzichtige regeling in die toegankelijk is voor alle zelfstandigen. Zij kunnen voortaan kiezen uit twee vormen van pensioenovereenkomsten:

  • het gewone pensioenplan, dat vergelijkbaar is met het huidige vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ);
  • het sociale pensioenplan met bepaalde fiscale voordelen op het vlak van de inkomstenbelastingen.
Niettegenstaande de programmawet geen bepalingen op het vlak van de met het zegel gelijkgestelde taksen bevat, heeft de programmawet toch een invloed op de toepassing van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.

De bepalingen betreffende de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen zijn in werking getreden op 1 januari 2004.

De eerste en enige bijlage bevat een uittreksel uit de programmawet.

COMMENTAAR.
1. Doel van de regelgeving.
Momenteel bestaan er diverse formules waarbij zelfstandigen vrijwillig een aanvullend pensioen kunnen opbouwen boven het wettelijke pensioen.

Enerzijds is er het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (verder afgekort als "VAPZ") dat door het koninklijk besluit nummer 1 van 26 maart 1981 als artikel 52 bis van het koninklijk besluit nummer 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen werd ingevoegd [B.S., 3 april 1981; sedertdien meerdere keren gewijzigd.].

Het VAPZ laat de zelfstandige toe om op vrijwillige basis hetzij een aanvullend rustpensioen, hetzij een aanvullend rustpensioen en een aanvullend overlevingspensioen ten voordele van de overlevende echtgenoot te vormen. De oorspronkelijke bedoeling was het VAPZ volledig te integreren in de wettelijke pensioenreglementering voor zelfstandigen. In de uitvoeringsbesluiten van deze bepaling is men evenwel van deze basisfilosofie afgestapt. Het VAPZ vertoont grote gelijkenissen met een individuele verzekeringspolis, met dit verschil dat de zelfstandige zijn bijdragen betaalt aan de sociale verzekeringskas waarbij hij is aangesloten voor de wettelijke bijdragen. Het aanvullend pensioen wordt gevestigd bij verzekeringsovereenkomst en onderschreven bij een toegelaten verzekeringsonderneming die wordt aangeduid door de sociale verzekeringskas welke enkel als bemiddelaar optreedt en niet als contractspartij.

Anderzijds bestaat er voor de vrije beroepsgroepen van geneesheren, tandartsen, apothekers, notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders een eigen sociaal en fiscaal voordelige regeling voor de aanvullende pensioenen die zij via hun voorzorgskas opbouwen [Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers (VKG); Voorzorgskas voor Apothekers (VKA); Aanvullend Pensioenfonds van het Notariaat (APN); Voorzorgskas voor Advocaten en Gerechtsdeurwaarders.].

Beide pensioenvormen behoren tot de zogenaamde "tweede pensioenpijler" voor zelfstandigen. De "tweede pensioenpijler" blijft strikt beperkt tot de aanvullende pensioenen die ontstaan naar aanleiding van de beroepsactiviteit. De "tweede pensioenpijler" staat tegenover de "eerste pensioenpijler", die de wettelijke pensioenvorming omvat, en de "derde pensioenpijler", waarmee de individuele spaarformules worden bedoeld die buiten de beroepsactiviteit worden opgebouwd (individuele levensverzekeringen aangegaan in de sfeer van het privé-leven en pensioensparen).

De nieuwe regelgeving beoogt één doorzichtige regeling inzake aanvullende pensioenen (tweede pijler) in te voeren die toegankelijk is voor alle zelfstandigen, waarbij zij bovendien de vrije keuze van pensioeninstelling hebben.

2. Nieuwe regelgeving.
De zelfstandigen, meewerkende echtgenoten of zelfstandige helpers [De begrippen worden gedefinieerd in artikel 42 van de programmawet.] - verder in de circulaire wordt enkel de term "zelfstandige" gebruikt maar worden de drie categorieën bedoeld - kunnen voor de opbouw van hun aanvullend pensioen (tweede pijler) voortaan kiezen uit twee vormen van pensioenovereenkomst:

  1. de gewone pensioenovereenkomst die te vergelijken is met het huidige VAPZ, met een aanvullende bijdrage beperkt tot 7 % van het bedrijfsinkomen en een maximumplafond van 2.290 euro per jaar, en
  2. de sociale pensioenovereenkomst die een sterk sociale draagwijdte heeft en geniet van een bijkomend fiscaal voordeel: enerzijds wordt het plafond verhoogd met 15 %, hetzij tot 2.634 euro, en anderzijds moet minimum 10 % van de bijdrage van de leden naar solidariteit gaan [Dergelijke pensioenovereenkomst wordt heden enkel aangeboden voor de voormelde vrije beroepsgroepen door hun eigen Voorzorgskas of Aanvullend Pensioenfonds]. Aan de sociale pensioenovereenkomst moet een solidariteitsstelsel worden verbonden. Voor dit solidariteitsstelsel geldt ook de voordelige fiscale behandeling.
Het luik pensioenen bevat waarborgen ingeval van oppensioenstelling (soms ook ingeval van overlijden) waarbij voor de berekening van de opeisbare rechten en prestaties rekening wordt gehouden met het persoonlijk profiel van de aangeslotene en met dat van de groep.

Het luik solidariteit komt tegemoet aan andere sociale behoeften en zal op basis van solidariteit onder de aangeslotenen worden georganiseerd. Zo kan bijvoorbeeld de opbouw van het aanvullend pensioen verder gefinancierd worden gedurende bepaalde perioden van inactiviteit of kan een vergoeding worden toegekend voor inkomensverlies ingeval van permanente arbeidsongeschiktheid [De solidariteitsprestaties en de minimale solidariteit moeten door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaald worden (art. 54 van de programmawet).].

Elke pensioeninstelling kan voortaan beide vormen van pensioenovereenkomst aan alle zelfstandigen aanbieden. De Voorzorgskassen en het Aanvullend Pensioenfonds - die door voormelde beroepsgroepen werden opgericht (zie voetnoot 2) - zullen in het kader van de sociale pensioenovereenkomsten ingevoegd worden, waarbij de rechten van de aangeslotenen gevrijwaard worden.
De zelfstandige kan verder kiezen uit de verschillende producten die een pensioeninstelling aanbiedt (met tariefgarantie of zonder tariefgarantie) en kan ook vrij de pensioeninstelling kiezen: verzekeringsonderneming, verzekeringsinstelling, pensioenkas of pensioenfonds. Hij is eveneens niet langer verplicht om via een sociale verzekeringskas zijn aanvullend pensioen bij een pensioeninstelling op te bouwen: de zelfstandige kan zich nu rechtstreeks tot de pensioeninstelling wenden. Deze kassen kunnen echter nog steeds een bemiddelingsrol blijven vervullen.

3. Invloed op de met het zegel gelijkgestelde taksen.
3.1. Jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten.
Zoals hoger vermeld beoogt de nieuwe wet een eenvormige regeling te geven aan de "tweede pijler"-pensioenvorming voor zelfstandigen. Voor de inkomstenbelastingen moeten de bijdragen die worden gestort in het kader van deze pensioenvorming (zowel voor de gewone als voor de sociale pensioenovereenkomst) [De bijdragen die dienen ter financiering van het luik solidariteit bij de sociale pensioenovereenkomst volgen hetzelfde regime als het luik pensioenen.] evenwel beschouwd worden als bijdragen die verschuldigd zijn in uitvoering van de sociale wetgeving. Bijgevolg worden de bijdragen die betaald worden in het kader van de "tweede pijler" inzake inkomstenbelastingen fiscaal gelijkgesteld met bijdragen die betaald worden in het kader van de " eerste pijler". De enige voorwaarde is dat de aangeslotene tijdens het betreffende jaar effectief en volledig de bijdragen heeft betaald die hij verschuldigd is krachtens het sociaal statuut der zelfstandigen (art. 45 en art. 75 van de programmawet).

Voor wat betreft de directe belastingen vult artikel 75 van de programmawet artikel 52 van het WIB 92 aan met een 7° bis. Deze bepaling stelt dat de pensioen- en solidariteitsbijdragen die worden betaald in het kader van de "tweede pijler"-pensioenvorming voor zelfstandigen aftrekbare beroepskosten zijn zoals bedoeld in artikel 52, 7° WIB 92, indien de door artikel 45 van de programmawet bedoelde voorwaarde wordt nageleefd [Artikel 52, 7°bis WIB 92 verwijst uitdrukkelijk naar artikel 45 van de programmawet.]. Artikel 52, 7°, WIB 92 stelt dat als beroepskosten worden aangemerkt: "de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen van het toepassingsgebied van de sociale wetgeving uitsluit.". De link met de "eerste pijler" wordt duidelijk gelegd.

Voor de toepassing van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten wordt hetzelfde standpunt ingenomen. De door de zelfstandige in het kader en overeenkomstig de voorwaarden van de programmawet betaalde bijdragen moeten fiscaal worden aangemerkt als bijdragen die in uitvoering van de sociale wetgeving worden betaald. Bijgevolg zijn deze bijdragen vrijgesteld van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten. Deze vrijstelling wordt gefundeerd door de gelijkstelling van dergelijke pensioenovereenkomsten met de verzekeringen die worden bedoeld in artikel 176^2, eerste lid, 5°, WZGT. Deze bepaling stelt de verzekeringen die worden aangegaan ter uitvoering van de reglementering betreffende het rust- of overlevingspensioen, met uitzondering van die met betrekking tot de buitenwettelijke voordelen [Artikel 176 2, eerste lid, 5°, WZGT werd laatst gewijzigd door artikel 42 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (B.S., 16 december 1988) ten einde de verzekeringstaks toe te passen op premies die worden gestort in het kader van het koninklijk besluit van 14 mei 1969 betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Het betreft in hoofdzaak de vestiging van een ouderdomsrente ten bate van de aangeslotene.], vrij van de taks. Het is duidelijk dat de programmawet deze pensioenovereenkomsten op fiscaal vlak gelijk stelt met "eerste pijler"-pensioenen en niet beschouwt als buitenwettelijke voordelen [De oorsprong van het VAPZ en de filosofie achter de Voorzorgskassen voor de eerder aangehaalde vrije beroepsgroepen wijst eveneens duidelijk op het doel die aanvullende pensioenvorming als een vorm van wettelijke pensioenvorming te beschouwen.].

Opmerking : zorgverstrekkers met werknemersstatuut.
Artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 - welke de basis vormt voor de sociale voordelen voor geconventioneerde artsen, apothekers en tandartsen - wordt aangepast aan de bepalingen inzake de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen vervat in de programmawet (artikel 71).

Hierbij moet opgemerkt worden dat zorgverstrekkers die werken onder een werknemersstatuut enkel de bescherming genieten van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid (verder vermeld als "tweede pijler voor werknemers") [Parl. St., Kamer, 14 november 2002, Doc 50 2124/001 en 2125/001, Memorie van toelichting (1), p. 63-64. - B.S., 15 mei 2003, 2de editie, erratum B.S., 26 mei 2003.]. Zij kunnen geen beroep doen op de bepalingen inzake de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen vervat in de programmawet van 24 december 2002 en waarover deze circulaire handelt.

A/ De geconventioneerde zorgverstrekkers-werknemers kunnen - in toepassing van artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - hun RIZIV-bijdrage bijgevolg aanwenden voor de vorming van een pensioen in het kader van een sociaal pensioenstelsel overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van voormelde wet van 28 april 2003, ofwel voor de vorming van een individueel aanvullend pensioen bij een erkende pensioeninstelling waaraan een solidariteitsstelsel verbonden is.

Voor wat betreft de toepassing van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten moeten dan ook de regels gevolgd worden die werden vastgelegd voor "tweede pijler"-pensioenen in voormelde wet van 28 april 2003 (tweede pijler voor werknemers) [Deze wet treedt in principe in werking op 1 januari 2004 (ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid). De circulaire AFZ betreffende de wet van 28 april 2003 zal zo spoedig mogelijk worden opgesteld.]. In de regel zal de "tweede pijler"-pensioenvorming belast worden aan het verlaagd tarief van 4,40 % (artikel 175 1, § 2, 5° en 6°, WZGT); indien evenwel aan de pensioentoezegging een solidariteitstoezegging wordt toegevoegd wordt de gehele toezegging vrijgesteld van de taks (artikel 176 2, eerste lid, 4° bis, WZGT) [Elke individuele pensioenvoorziening door middel van de klassieke levensverzekering in het kader van een "derde pijler"-pensioenvoorziening is vrijgesteld overeenkomstig artikel 176 2, eerste lid, 4°, WZGT.].

B/ De niet-geconventioneerde zorgverstrekkers-werknemers hebben geen recht op een RIZIV-bijdrage. Voor wat betreft de toepassing van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten gelden eveneens de regels die werden vastgelegd voor "tweede pijler"-pensioenen in voormelde wet van 28 april 2003 (tweede pijler voor werknemers) [Elke individuele pensioenvoorziening door middel van de klassieke levensverzekering in het kader van een "derde pijler"-pensioenvoorziening is vrijgesteld overeenkomstig artikel 176 2, eerste lid, 4°, WZGT].

3.2. Taks op het lange termijnsparen.
De taks op het lange termijnsparen wordt in principe gevestigd op de theoretische afkoopwaarde - of op de pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden die zijn betaald of toegekend op de datum dat de verzekeringnemer 60 jaar wordt (= werkelijke uitkeringen op 60 jaar) - van individueel gesloten levensverzekeringsovereenkomsten waarvan de verzekeringnemer de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, op voorwaarde dat er, al was het maar gedurende één aanslagjaar, een vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen heeft bestaan [Alsook op het spaartegoed op collectieve of individuele spaarrekeningen (art. 184 WZGT).].

Uit de memorie van toelichting bij de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen [Parl. St., Kamer, 717/1 - 92/93, p. 26 e.v.] - die de taks op het lange termijnsparen in het WZGT met ingang van 1 januari 1993 heeft ingevoegd - blijkt duidelijk de bedoeling om deze anticipatieve heffing enkel toe te passen op "derde pijler"-overeenkomsten (individuele levensverzekeringen en pensioensparen).

Welnu, ten einde een gelijke behandeling (level playing field) toe te passen op de aanvullende pensioenen die worden opgebouwd door middel van "tweede pijler"-voorzieningen voor werknemers, bedrijfsleiders en zelfstandigen, worden de uitkeringen enkel belast in de inkomstenbelastingen (WIB 92) [Impliciet vervat in de toelichting bij artikel 91 (later artikel 78) van de Programmawet van 24 december 2002.]. Artikel 77 van de programmawet voegt aan artikel 145 4 WIB 92 een 3° toe waardoor bijdragen die geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van artikel 52, 7° bis, WIB 92 (beroepskosten) uitgesloten worden van de belastingvermindering als bedoeld in artikel 145 1, 2°, WIB 92. Vermits het verlenen van een belastingvermindering als bedoeld in artikel 145 1, 2°, WIB 92 nu net één van de voorwaarden is voor de toepassing van de taks op het lange termijnsparen, is deze taks, wegens de voormelde uitsluiting, niet van toepassing.

3.3. Jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen.
Artikel 67 van de programmawet van 24 december 2002 breidt het toepassingsgebied van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (verder vermeld als "controlewet") uit tot alle pensioenkassen voor zelfstandigen. Artikel 2, § 3, eerste lid, 4°, van de controlewet bepaalt namelijk dat "de pensioenkassen wiens bedrijvigheid bestaat in het opbouwen van een aanvullend pensioen en/of het uitkeren van de prestaties als bedoeld in de programmawet van 24 december 2002" onder de toepassing van de controlewet vallen. Deze bepaling is in werking getreden op 1 januari 2004.

Opgemerkt moet worden dat vóór de inwerkingtreding van dit artikel enkel de Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers (VKG) en de Voorzorgskas voor Apothekers (VKA) onder het toepassingsgebied van de controlewet vallen (oud artikel 2, § 3, eerste lid, 4°, van de controlewet). Na de inwerkingtreding van dit artikel zullen dus alle bestaande pensioenkassen voor zelfstandigen (notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten) onder het prudentieel toezicht van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) worden onderworpen.

Artikel 105 van de wet van 13 maart 2003 (tweede pijler voor werknemers) wijzigt artikel 183 bis WZGT, zodat voortaan de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen niet alleen van toepassing is op winstdeelnemingen die worden verdeeld door verzekeringsondernemingen en die betrekking hebben op levensverzekeringen (met inbegrip van groepsverzekeringen) of op contracten van lijfrente of tijdelijke renten, maar in principe vanaf 1 januari 2004 ook op verbintenissen aangegaan bij een pensioeninstelling (zie voetnoot 12). Voor het begrip pensioeninstelling moet verwezen worden naar artikel 2, § 3, eerste lid, van de controlewet van 9 juli 1975 [Zie artikel 175 1, § 2, 5°, WZGT zoals gewijzigd door artikel 99 van voormelde wet van 13 maart 2003.].

Bijgevolg worden de sommen die worden verdeeld als winstdeelneming en die betrekking hebben op aanvullende pensioenen voor zelfstandigen als bedoeld in de programmawet van 24 december 2002 onderworpen aan de taks op de winstdeelnemingen.

4. Inwerkingtreding.
De bepalingen betreffende de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen zijn in werking getreden op 1 januari 2004 (artikel 82 van de programmawet) [Uitgezonderd de artikelen 60 en 61 houdende respectievelijk de installatie van de "Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen" en de "Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen", die op 31 december 2002 in werking treden (datum van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad).].

De vrijstelling van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten geldt bijgevolg voor de premies en/of bijdragen die vervallen of betaald worden vanaf 1 januari 2004. De vrijstellingen die in het kader van de aanvullende pensioenvorming voor zelfstandigen werden verleend bij administratieve beslissing blijven onverkort gelden.

Inzake de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen houdt dit in dat de taks zal verschuldigd zijn op de dotaties aan de technische provisies voor de winstdeelnemingen waartoe besloten wordt of van het bedrag dat de onderneming voornemens is voor deze dotaties te bestemmen, en dit op basis van de technische resultaten van het jaar 2004. De jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen die inzake aanvullende pensioenvorming voor zelfstandigen momenteel reeds wordt toegepast op grond van artikel 183 bis WZGT of bij administratieve beslissing blijft onverkort van toepassing.

NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,

Paul NECKEBROECK.

BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002.
24 december 2002. - Programmawet
ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

TITEL I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL II. - Sociale Zaken en Pensioenen
HOOFDSTUK 1. - Sociaal statuut der zelfstandigen


Afdeling 4. - Aanvullende pensioenen zelfstandigen

Onderafdeling 1. - Doel, Toepassingsgebied en Definities

Art. 41 . Deze afdeling heeft tot doel de betrekkingen te regelen inzake aanvullende pensioenen, met inbegrip van de eventuele solidariteitsprestaties, tussen de zelfstandige, de meewerkende echtgenoot, de zelfstandige helper, de aangeslotene en zijn rechthebbenden, de pensioeninstelling en, in voorkomend geval, de rechtspersoon belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel, de pensioenrechten en -reserves te beschermen die voor de aangeslotenen en hun rechthebbenden worden opgebouwd en de doorzichtigheid voor de aangeslotenen te vergroten.

Art. 42 . Voor de toepassing van deze afdeling en van haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :

1° aanvullend pensioen : het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na pensionering, of de ermee overeenstemmende kapitaalswaarde, die op basis van de overeenkomstig een pensioenovereenkomst gedane stortingen worden opgebouwd ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld pensioen;

2° pensioeninstelling : een onderneming of instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 4° en 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, die wordt belast met de opbouw van het aanvullend pensioen en/of de uitkering van de prestaties;

3° zelfstandige : de verzekeringsplichtige zelfstandige die de voor een hoofdberoep voorziene bijdragen verschuldigd is overeenkomstig artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;

4° meewerkende echtgenoot : de persoon bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;

5° helper : de verzekeringsplichtige helper die de voor een hoofdberoep voorziene bijdragen verschuldigd is overeenkomstig artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;

6° aangeslotene : de zelfstandige, de meewerkende echtgenoot en de helper die een pensioenovereenkomst hebben aangegaan en de gewezen zelfstandige, meewerkende echtgenoot en helper die nog steeds actuele of uitgestelde rechten genieten overeenkomstig de pensioenovereenkomst;

7° pensioenovereenkomst : de overeenkomst inzake aanvullend pensioen waarin de rechten en de verplichtingen van de aangeslotene, zijn rechthebbenden en van de pensioeninstelling en de regels inzake de opbouw van het aanvullend pensioen en de uitkering van de prestaties worden bepaald;

8° verworven reserves : de reserves waarop de aangeslotene op een bepaald ogenblik recht heeft overeenkomstig de pensioenovereenkomst;

9° solidariteitsstelsel : het stelsel van solidariteitsprestaties dat wordt ingericht ten voordele van de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden;

10° solidariteitsreglement : het reglement waarin de rechten en de verplichtingen van de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden en van de rechtspersoon die het solidariteitsstelsel inricht, en de regels inzake de uitvoering van het solidariteitsstelsel worden bepaald;

11° wet van 9 juli 1975 : de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;

12° Controledienst voor de Verzekeringen : de openbare instelling opgericht bij artikel 29 van de wet van 9 juli 1975.

Art. 43. Deze afdeling is van toepassing op de aangeslotenen en hun rechthebbenden, de pensioeninstellingen die worden belast met de opbouw van het aanvullend pensioen en/of de uitkering van de prestaties, de rechtspersonen belast met de organisatie van een solidariteitsstelsel, alsook op de commissarissen en de actuarissen, die bij voormelde instellingen en rechtspersonen zijn aangeduid.

Onderafdeling 2. - De pensioenovereenkomst

1. Algemene bepalingen

Art. 44. § 1. Met het oog op de opbouw van een aanvullend pensioen kan een zelfstandige, meewerkende echtgenoot of zelfstandige helper een pensioenovereenkomst sluiten bij een pensioeninstelling.

De tekst van de pensioenovereenkomst wordt aan de aangeslotene verstrekt.

§ 2. De bijdrage die de aangeslotene stort voor de opbouw van het aanvullend pensioen wordt uitgedrukt in een percentage van het bedrijfsinkomen bepaald bij artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.

Zowel de minimum- als de maximumbijdragevoet worden bepaald door de Koning, op de gezamenlijke voordracht van de minister van Financiën, van de minister van Middenstand en van de minister van Pensioenen.

De maximumbijdragevoet mag evenwel 7 % niet overschrijden van het bedrijfsinkomen vastgesteld binnen de grenzen van een drempel en een plafond bepaald door de Koning, op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Financiën, van de Minister van Middenstand en van de Minister van Pensioenen.

De Koning bepaalt hoe de bijdragen worden berekend bij aanvang of hervatting van beroepsactiviteit. Met dit doel bepaalt hij nader wat, in de zin van deze paragraaf, dient verstaan onder aanvang of hervatting van beroepsactiviteit.

§ 3. Het aandeel van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in de sociale voordelen toegekend in het kader van de nationale akkoorden en overeenkomsten bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 valt buiten de begrenzing bepaald in § 2.

§ 4. De Controledienst voor de Verzekeringen maakt om de twee jaar een verslag over de kostenstructuur, de wijze van winstdeling en de toepassing van een afkoopvergoeding.

Art. 45. De bijdragen bedoeld door deze wet hebben, inzake de belastingen op de inkomsten, het karakter van bijdragen verschuldigd in uitvoering van de sociale wetgeving, voor zover de aangeslotene tijdens het betreffende jaar effectief en volledig de bijdragen heeft betaald die hij verschuldigd is krachtens het sociaal statuut der zelfstandigen.

2. Bijzondere bepalingen inzake de sociale pensioenovereenkomsten

Art. 46 . § 1. De maximumbijdragevoet bedoeld in artikel 44, § 2, tweede lid, wordt verhoogd met 15 % voor de pensioenovereenkomsten die aan de volgende voorwaarde voldoen :

- aan de pensioenovereenkomst is een solidariteitsstelsel verbonden, zoals bedoeld in hoofdstuk VI, waarvan de prestaties worden gefinancierd door een solidariteitsbijdrage van ten minste 10 %, geheven op de door de aangeslotene betaalde bijdrage in het kader van artikel 44, § 2;

§ 2. De sociale pensioenovereenkomst vermeldt uitdrukkelijk dat zij werd gesloten in toepassing van dit artikel.

§ 3. De Controledienst Voor de Verzekeringen maakt om de twee jaar een verslag over de kostenstructuur, de wijze van winstdeling en de toepassing van een afkoopvergoeding.

Onderafdeling 3. - Verworven reserves, verworven prestaties en waarborgen

Art. 47 . De aangeslotene behoudt steeds het recht op de overeenkomstig de pensioenovereenkomst verworven reserves.

Bij pensionering worden de overeengekomen pensioenprestaties voor zover nodig aangevuld tot het gedeelte van de gestorte bijdragen dat niet werd verbruikt voor de dekking van het overlijdensrisico vóór de pensionering en, in voorkomend geval, voor de financiering van de solidariteitsprestaties.

De bepaling van het tweede lid is niet van toepassing bij pensionering binnen vijf jaar na het sluiten van de pensioenovereenkomst.

Art. 48. § 1. De pensioeninstelling deelt ten minste eenmaal per jaar aan de aangeslotenen, behalve aan de rentegenieters, een pensioenfiche mee waarop minstens volgende gegevens worden vermeld :

1° het bedrag van de verworven reserves met vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid;

2° de variabele elementen waarmee bij de berekening van de bedragen onder 1° wordt rekening gehouden;

3° het bedrag van de verworven reserves van het vorige jaar.

§ 2. De pensioeninstelling deelt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene een historisch overzicht van de gegevens bedoeld in § 1, 1°, mee. Dit overzicht kan worden beperkt tot de periode van aansluiting bij de pensioeninstelling en tot de periode na de inwerkingtreding van deze wet.

§ 3. De pensioeninstelling deelt ten minste om de vijf jaar het bedrag van de te verwachten rente bij pensionering, zonder aftrek van de belastingen, mee aan alle aangeslotenen vanaf de leeftijd van 45 jaar.

Daarbij wordt uitgegaan van de volgende hypotheses en gegevens :

1° voor de actieve aangeslotenen;

a) de laatste stortingen blijven doorlopen;

b) de verworven reserves en de nog te storten bijdragen opgerent tegen de maximale referentievoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur die vastgesteld wordt in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 of de overeengekomen pensioenprestaties;

2° voor de gewezen aangeslotenen :

de verworven reserves opgerent tegen de maximale referentievoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur die vastgesteld wordt in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 of de gereduceerde pensioenprestaties.

Art. 49 . § 1. Behalve in de gevallen bedoeld in § 2 en voor de overdracht van reserves naar een andere pensioeninstelling bedoeld in artikel 51, kan de aangeslotene het recht op afkoop van zijn reserves enkel uitoefenen of de uitbetaling van zijn prestaties verkrijgen op het ogenblik van zijn pensionering of vanaf het ogenblik waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

§ 2. Voorschotten op prestaties of inpandgevingen van pensioenrechten of de mogelijkheid tot toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet mogen enkel worden toegestaan om de aangeslotene in staat te stellen op het grondgebied van de Europese Unie onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen. Die voorschotten en leningen moeten worden terugbetaald zodra die goederen uit het vermogen van de aangeslotene verdwijnen.

Indien de pensioenovereenkomst in voorschotten op prestaties of inpandgevingen van pensioenrechten of in de mogelijkheid tot toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet voorziet, dienen de beperkingen vermeld in het eerste lid uitdrukkelijk in de pensioenovereenkomst te worden vermeld.

Art. 50. § 1. Wanneer de prestatie uitgekeerd wordt als een kapitaal, heeft de aangeslotene, of, in geval van overlijden zijn rechthebbenden, het recht om de omvorming in een rente te vragen.

De Koning stelt de berekeningswijze ter zake vast.

De pensioeninstelling brengt de aangeslotene van dit recht op de hoogte twee maanden vóór de pensionering of binnen de twee weken nadat zij van de vervroegde pensionering op de hoogte is gebracht. In geval van overlijden van de aangeslotene brengt de pensioeninstelling de rechthebbenden van dit recht op de hoogte binnen de twee weken nadat zij van het overlijden op de hoogte is gebracht.

§ 2. Wanneer het jaarlijks bedrag van de rente bij de aanvang ervan minder dan of gelijk aan 500 euro bedraagt, wordt het kapitaal uitbetaald. Het bedrag van 500 euro wordt geïndexeerd volgens de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Onderafdeling 4. - Stopzetting van de pensioenovereenkomst en pensionering

Art. 51. Een aangeslotene kan ten alle tijde de pensioenovereenkomst stopzetten en een nieuwe pensioenovereenkomst sluiten bij een andere pensioeninstelling.

Een aangeslotene heeft het recht om de verworven reserve over te dragen naar die nieuwe pensioenovereenkomst. Op het ogenblik van de overdracht mag geen verlies van winstdelingen ten laste worden gelegd van de aangeslotene, of van de verworven reserves worden afgetrokken. De nieuwe pensioeninstelling mag geen acquisitiekosten aanrekenen op de overgedragen reserves.

De pensioeninstelling deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de vraag tot overdracht van de reserves schriftelijk of langs elektronische weg het bedrag van de verworven reserves mee.

Art. 52. De pensioeninstelling deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de kennisgeving van de pensionering door de aangeslotenen schriftelijk of langs elektronische weg het bedrag van het opgebouwde pensioenkapitaal, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 47, en de daarmee overeenstemmende rente mee.

Onderafdeling 5. - Transparantie

Art. 53 . De pensioeninstelling stelt elk jaar een verslag op over het beheer van de pensioenovereenkomsten. Dit verslag wordt op verzoek van elke aangeslotene en/of geïnteresseerde ter beschikking gesteld.

Het verslag moet informatie bevatten over de volgende elementen :

1° de beleggingsstrategie op lange en korte termijn en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten;

2° het rendement van de beleggingen;

3° de kostenstructuur;

4° in voorkomend geval de winstdeling onder de aangeslotenen.

Onderafdeling 6. - Solidariteit

Art. 54 . Het solidariteitsstelsel, bedoeld in artikel 46, § 1, wordt beheerst door een solidariteitsreglement, waarvan de tekst op eenvoudig verzoek aan de aangeslotenen wordt verstrekt.

De Koning bepaalt, bij een een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de solidariteitsprestaties die in aanmerking komen, en die betrekking hebben op de financiering van de opbouw van het aanvullend pensioen gedurende bepaalde periodes van inactiviteit, de vergoedingen van inkomstenverlies in bepaalde gevallen of de verhoging van lopende uitkeringen, met aanduiding van de prestaties die minstens in het solidariteitsstelsel moeten worden opgenomen.

Art. 55. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de financiering en het beheer van het solidariteitsstelsel.

Art. 56 . De inrichter van het solidariteitsstelsel wordt aangeduid in de pensioenovereenkomst.

De pensioeninstelling of de rechtspersoon, die het solidariteitsstelsel inricht, beheert het stelsel afgezonderd van zijn andere activiteiten.

Art. 57. De bepalingen van artikel 53 zijn van overeenkomstige toepassing.

Onderafdeling 7. - Toezicht

Art. 58 . Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten wordt toevertrouwd aan de Controledienst voor de Verzekeringen.

Art. 59. De erkende commissarissen, aangeduid overeenkomstig artikel 38 van de wet van 9 juli 1975, en de actuarissen, aangeduid overeenkomstig artikel 40bis van diezelfde wet brengen de Controledienst voor de Verzekeringen op de hoogte van elk feit of elke beslissing waarvan zij bij de uitvoering van hun opdracht kennis hebben gekregen en die een inbreuk op de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten uitmaken.

Melding te goeder trouw aan de Controledienst voor de Verzekeringen door de erkende commissarissen en de actuarissen van de in het eerste lid bedoelde feiten of beslissingen vormt geen inbreuk op ongeacht welke beperking inzake de openbaarmaking van informatie, opgelegd op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid met betrekking tot de inhoud van die melding.

Art. 60. Onder de benaming "Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen" wordt een orgaan ingesteld dat belast wordt met de regelmatige opvolging van de toepassing van de bepalingen van deze wet en met een periodieke evaluatie hiervan. Hij kan op verzoek of uit eigen beweging adviezen of aanbevelingen formuleren ter attentie van de Controledienst voor de Verzekeringen of van de bevoegde ministers. Hij wordt daarenboven belast met alle taken die hem krachtens een wet of door de Koning worden toegewezen.

De Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen is samengesteld uit telkens twee vertegenwoordigers van het ministerie van Middenstand, van het ministerie van Sociale Zaken en van het ministerie van Financiën, aangeduid door de respectieve bevoegde ministers en uit twee vertegenwoordigers van de Controledienst voor de Verzekeringen, aangeduid door de minister van Economie op voorstel van de Raad van de Controledienst voor de Verzekeringen.

De Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen stelt zijn huishoudelijk reglement op.

Art. 61 . § 1. Onder de benaming "Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen", wordt een adviesorgaan ingesteld met als opdracht advies te verstrekken over de besluiten die in uitvoering van deze afdeling worden genomen en overleg te plegen omtrent alle vragen inzake de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten die haar door de bevoegde ministers, de Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen of door de Controledienst voor de Verzekeringen worden voorgelegd.

De Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen kan uit eigen beweging adviezen geven over alle problemen inzake de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten.

§ 2. De Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen bestaat uit vijftien leden, benoemd door de Koning omwille van hun ervaring op het vlak van de in deze afdeling geregelde materies :

1° zes leden worden gekozen om de belangen van de zelfstandigen, de meewerkende echtgenoten en de zelfstandige helpers te vertegenwoordigen, op een dubbele lijst voorgedragen door het Algemeen Beheerscomité voor het Sociaal Statuut van de Zelfstandigen;

2° twee leden worden gekozen uit de vertegenwoordigers van pensioeninstellingen die in België bedrijvig zijn, op een dubbele lijst voorgedragen door de meest representatieve beroepsorganisaties;

3° twee leden worden gekozen uit de vertegenwoordigers van de gepensioneerde zelfstandigen, op een dubbele lijst voorgedragen door het Raadgevend Comité der Gepensioneerden;

4° de overige vijf leden moeten deskundig zijn en blijk geven van ervaring op het vlak van de in deze afdeling geregelde materies.

§ 3. De leden van de Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen worden voor zes jaar benoemd; zij zijn herbenoembaar.

Uitzonderlijk wordt, bij de eerste benoeming, het mandaat van vijf door loting aangewezen leden tot twee jaar beperkt. Het mandaat van vijf andere, eveneens door loting aangewezen leden wordt tot vier jaar beperkt.

De Koning wijst uit de leden de voorzitter van de Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen aan en bepaalt de vergoedingen die de leden zullen genieten.

§ 4. De Controledienst voor de Verzekeringen neemt het secretariaat van de Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen op zich.

De Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen stelt haar huishoudelijk reglement op.

Onderafdeling 8. - Strafbepalingen

Art. 62 . Met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 1.000 tot 10.000 euro, of met één van die straffen alleen worden gestraft, de beheerders, zaakvoerders of lasthebbers van pensioeninstellingen en van andere rechtspersonen belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel die over de toepassing van deze afdeling wetens en willens onjuiste verklaringen hebben afgelegd aan de Controledienst voor de Verzekeringen of aan de door hem gevolmachtigde persoon, of die hebben geweigerd de ter uitvoering van deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Dezelfde straffen zijn van toepassing op de beheerders, commissarissen, aangeduide actuarissen, directeurs, zaakvoerders of lasthebbers van pensioeninstellingen en van andere rechtspersonen belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel die niet hebben voldaan aan de verplichtingen hun opgelegd door deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten of die hebben meegewerkt aan de uitvoering van pensioenovereenkomsten die in strijd zijn met deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten.

Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven in deze afdeling omschreven, zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 %van de in deze onderafdeling bepaalde minimumbedragen.

Onderafdeling 9. - Overgangsbepalingen

Art. 63. Artikel 47, tweede lid, is enkel van toepassing op het deel van de bijdragen dat werd betaald na de datum van inwerkingtreding van dat artikel.

Art. 64. De pensioeninstelling mag de keuze van de aangeslotene inzake beleggingen beperken en het beleggingsbeleid aanpassen aan de garantievereiste binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van artikel 47, tweede lid.

Art. 65. De formele aanpassing van de bestaande pensioenovereenkomsten dient te zijn beëindigd uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel.

Onderafdeling 10. - Wijzigingsbepalingen

1. Wijziging aan de Hypotheekwet van 16 december 1851.

Art. 66 . In artikel 19, 4°ter, van de hypotheekwet van 16 december 1851, ingevoegd bij de wet van 18 december 1968 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van nr. 535 van 31 maart 1987 en 19 mei 1995 en de wet van 25 januari 1999, worden na de woorden "het Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders" de woorden ", de pensioeninstellingen en rechtspersonen, belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel, bedoeld in de programmawet van 24 december 2002" toegevoegd.

2. Wijzigingen aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.

Art. 67. In artikel 2, § 3, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen wordt het 4° als volgt vervangen :

"4° de pensioenkassen wiens bedrijvigheid bestaat in het opbouwen van een aanvullend pensioen en/of het uitkeren van de prestaties als bedoeld in de programmawet van 24 december 2002."

Art. 68. In artikel 9, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 juli 1991, worden de woorden "De in artikel 2, § 3, 6°, bedoelde private voorzorgsinstellingen" vervangen door de woorden "De in artikel 2, § 3, 4° en 6°, bedoelde instellingen".

Art. 69 . Artikel 36 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 juli 1991, wordt aangevuld met de volgende zin :

"Deze kosten hebben inzonderheid betrekking op de werkingskosten van de Controledienst voor de Verzekeringen en de Commissie voor de Verzekeringen, bedoeld in respectievelijk de artikelen 29 en 41, en de Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen en de Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen, bedoeld in respectievelijk de artikelen 60 en 61 van de programmawet van 24 december 2002.".

3. Wijziging aan het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.

Art. 70 . Artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de programmawet van 30 december 2001, wordt vervangen als volgt :

"Art. 52bis. De sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, kunnen de bijdragen verschuldigd in toepassing van de programmawet van 24 december 2002 ontvangen. Zij maken de bijdragen over aan de door de betrokken zelfstandigen gekozen pensioeninstelling.

De Koning kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.".

4. Wijzigingen aan de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Art. 71. In artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatst gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° § 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :

"Deze voordelen kunnen onder meer bestaan in een aandeel van het Instituut in de premies of bijdragen voor overeenkomsten die een vervangingsinkomen garanderen bij invaliditeit of voor pensioenovereenkomsten die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in artikel 46, § 1, van de programmawet van 24 december 2002 of voor pensioenstelsels of bij ontstentenis van dergelijke stelsels, voor overeenkomsten gesloten bij een pensioeninstelling, erkend in toepassing van artikel 22 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden voor zover die stelsels of overeenkomsten voldoen aan de voorwaarde bedoeld in voormeld artikel 46, § 1. De premies of bijdragen kunnen slechts gestort worden aan ondernemingen of instellingen bedoeld in artikel 2, § 1 en § 3, 4°, 5° en 6°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.

De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden en volgens welke modaliteiten de premies of bijdragen van het Instituut kunnen worden gestort. Hij kan de voorwaarden inzake minimale activiteit bepalen waaraan de geneesheren, tandheelkundigen, apothekers en kinesitherapeuten moeten voldoen om recht te hebben op de sociale voordelen. Hij kan de modaliteiten bepalen voor het controleren van deze voorwaarden en de procedure vastleggen voor het terugvorderen van het aandeel van het Instituut indien aan de voorwaarden niet is voldaan.";

2° § 1, derde tot en met het tiende lid, en § 1bis worden opgeheven.

Onderafdeling 11. - Fiscale bepalingen

Art. 72. Artikel 34, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 17 mei 2000, wordt aangevuld als volgt :

"alsmede aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002;".

Art. 73 . Artikel 38, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij de wetten van 22 mei 2001 en 10 juli 2001, bij koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :

"16° voordelen die ten name van de verkrijger voortvloeien uit de rechtstreekse betaling door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van bijdragen of premies aan een pensioeninstelling voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;".

Art. 74. Artikel 39, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 mei 2000 en 19 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :

"d) ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen die in aanmerking konden komen als beroepskosten overeenkomstig artikel 52, 7°bis ;".

Art. 75. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 30 maart 1994, 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :

"7°bis. tot de in 7° bedoelde bijdragen behoren inzonderheid de bijdragen als vermeld in artikel 45 van de programmawet van 24 december 2002, met uitzondering van de premies of bijdragen die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering rechtstreeks aan een pensioeninstelling worden betaald voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en die ten name van de verkrijger zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, eerste lid, 16°. ".

Art. 76 . In artikel 59, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994, worden de woorden "artikel 52, 7°bis of in" ingevoegd tussen de woorden "met werkgevers- of persoonlijke bijdragen als bedoeld in" en de woorden "artikel 145 3".

Art. 77. Artikel 145 4 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :

"3° die bijdragen niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van artikel 52, 7°bis .".

Art. 78 . In artikel 169, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de woorden "zoals het van kracht was voordat het door artikel 70 van de programmawet van 24 december 2002, werd vervangen, of van aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van ..., " ingevoegd tussen de woorden "of van aanvullende pensioenen overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen" en de woorden "alsmede kapitalen".

Art. 79. In artikel 364ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden ", door in artikel 52, 7°bis, vermelde bijdragen" ingevoegd tussen de woorden "die gevormd zijn door werkgeversbijdragen" en de woorden "of door persoonlijke bijdragen".

Onderafdeling 12. - Slotbepalingen

Art. 80 . De Koning neemt, op gezamenlijke voordracht van de minister van Pensioenen, de minister belast met Middenstand en de minister van Economie en na advies van de Raad voor het Vrij aanvullend pensioen voor Zelfstandigen en de Controledienst voor de Verzekeringen de besluiten die voor de uitvoering van deze wet nodig zijn.

Art. 81. Met het oog op de goede uitvoering van de opdrachten die door deze wet aan de Controledienst voor de Verzekeringen worden toegekend, breidt de Koning het organiek kader van het personeel van de Controledienst voor de Verzekeringen, zoals vastgesteld in uitvoering van artikel 34, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975, uit binnen een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel.

Art. 82. De artikelen 41 tot 71, 80 en 81 treden in werking op 1 januari 2004 behalve voor de artikelen 60 en 61, die op de datum van publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad in werking treden.

De artikelen 72 tot 79 treden in werking vanaf aanslagjaar 2005.



Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands Zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 24 december 2002.