Circulaire 2021/C/105 inzake de wet van 7 februari 2021 houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (W.Reg.), aan het Wetboek der successierechten (W.Succ.), aan het Wetboek diverse rechten en taksen..
Circulaire 2021/C/105 inzake de wet van 7 februari 2021 houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (W.Reg.), aan het Wetboek der successierechten (W.Succ.), aan het Wetboek diverse rechten en taksen en aan de hypotheekwet van 16 december 1851, alsook aan het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
Administratieve commentaar inzake de wet van 7 februari 2021, weliswaar beperkt tot de bespreking van de technische wijzigingen en opheffingen die worden doorgevoerd in het W.Reg. en in het W.Succ.
FOD Financiën, 08.12.2021
INHOUDSTAFEL
2. Wijzigingen en opheffingen in het W.Reg.
3. Wijzigingen en opheffingen in het W.Succ.
In het Belgisch Staatsblad van 19 februari 2021 (blz. 16011) werd de wet gepubliceerd van 7 februari 2021 houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, aan het Wetboek der successierechten, aan het Wetboek diverse rechten en taksen en aan de hypotheekwet van 16 december 1851, alsook aan het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (hierna: wet).
De wet past onder meer het W.Reg. en het W.Succ. aan ten gevolge van andere wetgevingen, heft bepaalde in onbruik geraakte teksten op en brengt diverse wijzigingen aan, van puur technische en taalkundige aard. Het artikel 70, tweede lid W.Succ. is eveneens aangepast, volgend op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 20/2018 van 22 februari 2018.
Tenzij anders aangegeven in de wet, treden de wijzigingen en opheffingen in werking op 1 maart 2021 (zie tevens infra nr. 4).
2. Wijzigingen en opheffingen in het W.Reg.
2.1. Wijzigingsbepalingen
Diverse wijzigingen worden aangebracht in het W.Reg. ingevolge diverse andere wetswijzigingen.
In essentie betreft het een technische aanpassing aan het nieuwe boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek. Het nieuwe boek 3 dat werd ingevoerd door de wet van 4 februari 2020 (B.S., 17 maart 2020) treedt grotendeels in werking op 1 september 2021 (wijziging van art. 5bis en art. 39, 1°, tweede lid, en 4°, tweede lid W.Reg. : art. 2 en 3 wet).
Ook dient het Wetboek van koophandel vervangen te worden door het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen, krachtens de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht (wijziging van artikel 162 W.Reg.: art. 4 wet).
De wet van 18 juni 2018 heeft aan de gemeenten de procedures tot wijziging van voornaam toevertrouwd en heeft de procedures tot wijziging van naam gewijzigd, zonder echter het opschrift van hoofdstuk XVIII van Titel I van het W.Reg., noch het artikel 237 van datzelfde Wetboek (in de Nederlandse tekst, werd het woord “en” voor het woord “adelbrieven” vervangen door de woorden “op de”), noch het opschrift van afdeling II van voormeld hoofdstuk XVIII, aan te passen (art. 5, 6 en 7 wet).
De wet van 18 juni 2018 heeft artikel 249 W.Reg. vervangen, door er echter bepalingen aan toe te voegen (zoals het bepalen van de wijze van betaling) die niet in het W.Reg. thuishoren, maar, in voorkomend geval, in een uitvoeringsbesluit hiervan (art. 8 wet).
De voormelde wet van 18 juni 2018 heeft de afdelingen II en III van voormeld Hoofdstuk XVIII hersteld, maar het opschrift van afdeling III : “Bepalingen gemeen aan afdelingen II en III” moet aangepast worden inzake haar nummering (art. 9 wet).
De wijziging van artikel 280, 1°, tweede lid W.Reg. volgt op de opheffing van artikel 162, 6° van datzelfde wetboek door het artikel 13 van de wet (art. 10 wet).
De wet herformuleert de bevoegdheid van de Koning om de wijze van betaling te bepalen van alle bedragen die verschuldigd zijn krachtens de bepalingen van het W.Reg. en haar uitvoeringsbesluiten, andere dan de strafrechtelijke boetes. Ingevolge het advies 66.057/3 van 3 juni 2019 van de Raad van State wordt artikel 9, derde lid W.Reg. heel beperkend geïnterpreteerd: de Koning zou enkel de betaling per storting of overschrijving op een postcheque-rekening van het bevoegde kantoor mogen voorschrijven, niet meer of niet minder. In plaats van de artikelen 9, derde lid, 267 en 287 W.Reg. te wijzigen, werd een nieuw artikel 289ter W.Reg. ingevoegd, teneinde aan de Koning de mogelijkheid te bieden om de wijze van betaling te bepalen van de bedragen die verschuldigd zijn krachtens het W.Reg. en haar uitvoeringsbesluiten, andere dan de strafrechtelijke boetes (art. 289ter W.Reg.: art. 11 wet).
De wijzigingen zoals aangebracht in het W.Reg. zijn weergegeven in het vet en cursief.
TITEL I – REGISTRATIERECHT
Artikel 5bis W.Reg. (van toepassing vanaf 1 september 2021)
Wanneer een akte die op gedematerialiseerde wijze wordt aangeboden, verplicht onderworpen is aan zowel de formaliteit van de registratie als aan die van de hypothecaire overschrijving, wordt deze akte tezelfdertijd en onder de wettelijke voorwaarden aan beide formaliteiten onderworpen, behalve indien de termijnen voor beide formaliteiten van elkaar verschillen.
De in het eerste lid bepaalde regel geldt tevens voor een akte die op een papieren drager wordt aangeboden en verplicht onderworpen is aan zowel de formaliteit van de registratie als aan die van de hypothecaire overschrijving bij toepassing vanartikel 3.30, § 1, van het Burgerlijk Wetboek.
Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie weigert de registratie van de akte zolang op dit kantoor de vervulling van de formaliteit van de overschrijving voor een akte bedoeld in artikel 3.30, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, wordt geweigerd.
Artikel 39 W.Reg. (van toepassing vanaf 1 september 2021)
De akten en verklaringen worden geregistreerd:
1° De akten van notarissen en gerechtsdeurwaarders op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie bepaald op grond van hun standplaats;
Wanneer een akte die onder de toepassing valt van het koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 2, derde lid, en bovendien moet worden overgeschreven, krachtens artikel 3.30 van het Burgerlijk Wetboek, onroerende goederen betreft die alle gelegen zijn buiten het ambtsgebied van het bovenvermelde kantoor, wordt zij evenwel geregistreerd op het kantoor bevoegd voor de ligging van het goed dat als eerste in de akte wordt vermeld (…);
4° De akten van bestuursoverheden en agenten van de Staat, provinciën, gemeenten en openbare instellingen, ten kantore in welks gebied hun zetel of de zetel van hun functies gelegen is;
Wanneer een akte die onder de toepassing valt van het koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 2, derde lid, en bovendien moet worden overgeschreven, krachtens artikel 3.30 van het Burgerlijk Wetboek, onroerende goederen betreft die alle gelegen zijn buiten het ambtsgebied van het bovenvermelde kantoor, wordt zij evenwel geregistreerd op het kantoor bevoegd voor de ligging van het goed dat als eerste in de akte wordt vermeld; dezelfde regel geldt voor een akte bedoeld in artikel 5bis, tweede lid;
(…)
Artikel 162 W.Reg.
Zijn onder het in artikel 163 aangewezen voorbehoud, van de formaliteit der registratie vrijgesteld.
(…)
13° Akten en vonnissen betreffende procedures vóór vrederechters, wanneer het bedrag van de hoofdeis het maximum van de laatste aanleg niet te boven gaat, of wanneer het gaat om een procedure inzake uitkering tot onderhoud of ingesteld overeenkomstig artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek; Akten en vonnissen betreffende procedures vóór de ondernemingsrechtbanken, wanneer het geschillen geldt die gegrond zijn op de bepalingen van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingenof van de wet van 5 mei 1936 op de rivierbevrachting, indien het bedrag van de hoofdeis het bedrag van de laatste aanleg vóór het vredegerecht niet te boven gaat;
13°bis De exploten van gerechtsdeurwaarders opgesteld ter vervanging van een gerechtsbrief in het geval bepaald in artikel 46, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek;
(…)
HOOFDSTUK XVIII – Speciaal recht op de nationaliteit, de adelbrieven en de verzoeken tot verandering van naam
Artikel 237 W.Reg.
Een speciaal registratierecht wordt geheven op de nationaliteit, op de adelbrieven, met inbegrip van die tot begeving van een hogere adeldomsrang of van opneming onder 's Rijks adel met of zonder titel, en op de verzoeken tot verandering van naam.
Afdeling I - Nationaliteit
(…)
Afdeling II – Open brieven van adeldom en verzoeken tot verandering van naam
Artikel 249 W.Reg. (1ste lid van toepassing sinds 31 maart 2019)
Een recht is verschuldigd wegens de indiening van het verzoek tot verandering van naam bedoeld in artikel 370/3 van het Burgerlijk Wetboek.
Het recht bedraagt 140 euro.
Het recht is niet verschuldigd in geval van een verandering van naam als bedoeld in de artikelen 11bis, 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.
Afdeling III - Bepalingen gemeen aan afdelingen I en II
Artikel 255 W.Reg. (ongewijzigd)
TITEL III – GRIFFIERECHT
Artikel 280 W.Reg.
Zijn van expeditierecht vrijgesteld:
1° uitgiften, kopieën of uittreksels van of uit akten, vonnissen en arresten, die krachtens de artikelen 161 en 162 van het recht of van de formaliteit der registratie zijn vrijgesteld.
Deze bepaling is echter niet van toepassing a) op de in artikel 272, laatste alinea, bedoelde uitgiften, kopieën of uittreksels; b) op de uitgiften, afschriften of uittreksels van of uit de in artikel162, 5°, 13°, 27° en 33°bis tot 37°bis bedoelde akten en vonnissen;
(…)
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALING VOOR ALLE BELASTINGEN
Artikel 289ter W.Reg.
De Koning bepaalt de wijze van betaling van alle bedragen die krachtens de bepalingen van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan verschuldigd zijn, andere dan de strafrechtelijke boetes.
2.2. Opheffingsbepalingen
De wet heft ook diverse bepalingen van het W.Reg. op, te weten:
- artikel 9, eerste en derde lid W.Reg.;
- artikel 162, 6° W.Reg.;
- artikel 249, derde lid W.Reg.;
- artikel 301, 4°, 5°, 8° en 8°bis W.Reg.
De wet herformuleert de bevoegdheid van de Koning om de wijze van betaling te bepalen van alle bedragen die verschuldigd zijn krachtens de bepalingen van het W.Reg. en haar uitvoeringsbesluiten, andere dan de strafrechtelijke boetes, ingevolge het advies 66.608/3-4 van 13 november 2019 van de Raad van State: het artikel 9 W.Reg. mag enkel de registratierechten betreffen. Lid 3 van artikel 9 W.Reg. moet dus worden opgeheven (art. 12 wet).
Het eerste lid moet ook worden opgeheven omwille van het feit dat wat beweerd wordt als macht gegeven te worden aan de Koning, reeds onder Zijn voorrechten valt krachtens de artikelen 37 en 108 van de Grondwet. Daarom wordt artikel 9 gewijzigd: enkel lid 2 van het huidige artikel blijft behouden (art. 12 wet).
Artikel 162, 6° W.Reg. voorzag nog steeds in een vrijstelling van de registratieformaliteit voor akten betreffende de uitvoering van lijfsdwang in strafzaken met het oog op het herstel van de gerechtskosten. Aangezien lijfsdwang in strafzaken werd afgeschaft, moet artikel 162, 6° W.Reg. op haar beurt worden opgeheven (art. 13 wet).
Artikel 249 W.Reg. preciseert in het bijzonder dat de betaling de aanvraag moet voorafgaan. Het gaat om een onnodige herhaling van wat artikel 370/3 van het oud Burgerlijk Wetboek voorziet, waardoor de wet het derde lid van artikel 249 W.Reg. opheft (art. 8 wet).
Ten slotte heft de wet in artikel 301 W.Reg. vrijstellingen op die verwijzen naar wetten of akten, vonnissen en arresten die absoluut niet meer vatbaar zijn, respectievelijk, om toegepast, gesloten of uitgesproken te worden, te weten:
- 4°: de geviseerde hypothese is deze van de wet van 27 maart 1924 betreffende de Nationale Vereniging van handelaars en nijveraars voor het herstel der oorlogsschade en de akten met als voorwerp de werking van de gezegde vereniging, die in onbruik waren geraakt ;
- 5°: het bedoelde feit verwijst naar de wet van 28 juli 1921 op de geldigverklaring van de akten van de burgerlijke stand, de verbetering van de tijdens de oorlog opgemaakte akten van overlijden en de rechterlijke bevestiging van het overlijden, opgeheven in 2007 ;
- 8°: de geviseerde hypothese betreft de wet van 14 april 1965 tot regeling van de financiële staatstussenkomst wegens schade aan private goederen veroorzaakt in verband met de overgang van de Democratische Republiek Kongo tot de onafhankelijkheid, in onbruik geraakt ;
- 8°bis: dit feit dat verwijst naar de wet van 5 januari 1977 houdende uitgifte van een tweede tranche van de lening van het Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer en tot regeling van de problemen betreffende de leningen in Kongolese frank " Koloniale Schuld 4 1/4 pct. 1954-1974 " en " Kongolese Schuld 4 pct. 1955-1975 ", werd niet formeel opgeheven, maar het Belgisch-Congolees fonds voor delging en beheer bestaat niet meer (art. 14 wet).
3. Wijzigingen en opheffingen in het W.Succ.
3.1. Wijzigingsbepalingen
Diverse aanpassingen worden gedaan in het W.Succ. ingevolge diverse andere wetswijzigingen.
In haar arrest nr. 162/2011 van 20 oktober 2011, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het artikel 70, tweede lid W.Succ., in samenhang gelezen met artikel 8 van hetzelfde Wetboek (beding van sommen, renten of waarden ten behoeve van een derde), het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt in zoverre het bepaalt dat de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een Rijksinwoner samen aansprakelijk zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel. Immers, wanneer zij in samenloop komen met een begunstigde van een fictief legaat, kunnen zij er zich op geen enkele manier van vergewissen dat de rechten en intresten, verschuldigd door de fictieve legataris, betaald werden.
In haar arrest nr. 20/2018 van 22 februari 2018, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het artikel 70, tweede lid W.Succ., in samenhang gelezen met artikel 7 van hetzelfde Wetboek (roerende schenking gedaan binnen de 3 jaar voor het overlijden van de schenker), het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet discriminatie schendt in zoverre het bepaalt dat de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een Rijksinwoner samen aansprakelijk zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, zelfs wanneer de eerstgenoemden niet de mogelijkheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de laatstgenoemden de rechten en interesten zullen betalen die zij verschuldigd zijn.
De wet brengt artikel 70 W.Succ. in overeenstemming met deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof: ze maakt aldus de solidariteit tot betaling, zoals voorzien in artikel 70, tweede lid W.Succ., ontoepasselijk op de rechten en intresten verschuldigd op de bevoordelingen geviseerd door artikelen 7 en 8 (art. 15 wet).
Daarnaast, is het aangewezen om de bepalingen met betrekking tot de wijze van betaling op dezelfde manier te formuleren in de verschillende Wetboeken. Bovendien, gezien de opheffing van de 83" book="CATCH_ALL">83infra nr. 3.2.), werd voor het artikel 83 W.Succ. voor een nieuwe formulering gekozen (art. 16 wet). Wat betreft het artikel 153 W.Succ. inzake de jaarlijkse taks tot vergoeding der successierechten; deze werd dienovereenkomstig aangepast (art. 20 wet).
Ook dient het Wetboek van koophandel vervangen te worden door het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen, krachtens de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht: het artikel 84, eerste lid W.Succ. werd dienovereenkomstig aangepast (art. 17 wet).
De verwijzing naar artikel 2279 van het oud Burgerlijk Wetboek (artikel opgeheven door de wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek (B.S., 17 maart 2020)) in het artikel 108 W.Succ., verwijst in realiteit naar de lichamelijke roerende goederen, naar contanten (of contant geld) en naar effecten aan toonder. De tekst van artikel 108 van hetzelfde Wetboek werd bijgevolg verduidelijkt (art. 18 wet).
De vervanging van een deel van de tekst van artikel 150 W.Succ., door de wet van 17 maart 2019, heeft meegebracht dat de verwijzing bij het einde van die bepaling naar “dezelfde wet” betekenisloos werd. De wijziging herstelt eenvoudigweg de tekst in zijn voorgaande reikwijdte (art. 19 wet).
De wijzigingen zoals aangebracht in het W.Succ. zijn weergegeven in het vet en onderlijnd.
Artikel 70 W.Succ.
De erfgenamen, legatarissen en begiftigden zijn tegenover de Staat aansprakelijk voor de rechten van successie of van overgang bij overlijden en voor de interesten, ieder voor het door hem verkregen.
Bovendien, zijn de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een Rijksinwoner samen aansprakelijk, ieder in verhouding van zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel. Deze regel is niet van toepassing op de rechten en interesten verschuldigd op de in artikel 37 voorziene nieuwe aangiften, wanneer het op hen niet berust deze aangiften in te leveren. Hij is evenmin van toepassing op de rechten en interesten verschuldigd op de in artikelen 7 en 8 bedoelde bevoordelingen.
Artikel 83 W.Succ.
De Koning bepaalt de wijze van betaling van alle bedragen die krachtens de bepalingen van dit boek en de uitvoeringsbesluiten ervan verschuldigd zijn, andere dan de strafrechtelijke boetes.
Artikel 84 W.Succ.
Om de invordering van het successierecht te waarborgen, wordt, ten bate van de Staat, op al de nagelaten roerende goederen een algemeen voorrecht gesteld, onmiddellijk rang nemende na deze vermeld onder artikelen 19 en 20 der wet van 16 december 1851 en onder artikel 23 van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen.
Bovendien, wordt de invordering der rechten van successie en van overgang bij overlijden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen door de overledene in het Rijk nagelaten.
Deze waarborgen dekken insgelijks de interesten, alsmede de kosten van vervolging en van geding.
Artikel 108 W.Succ.
De eis tot betaling van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, alsmede van de boeten wegens gebrek aan aangifte of wegens niet-aangifte van enig roerend of onroerend goed, is, tot levering van het tegenbewijs, voldoende vastgesteld bij de door de afgestorvene te zijnen bate of op zijn verzoek verleden akten van eigendom.
Edoch, ten opzichte van lichamelijke roerende goederen, contant geld en effecten aan toonder, bestaat het door vorige alinea gevestigd wettelijk vermoeden slechts op voorwaarde dat de akten niet reeds sedert meer dan drie jaar vóór het overlijden bestaan; in het tegenovergesteld geval, kan het bestaan van bedoelde akten door het bestuur enkel ingeroepen worden als een element van vermoeden, overeenkomstig artikel 105.
Artikel 150 W.Succ.
De belasting is verschuldigd op het geheel van de bezittingen van de inrichting, de vereniging zonder winstoogmerk, private stichting of internationale vereniging zonder winstoogmerk.
Daaronder zijn evenwel niet begrepen:
(…)
5° de effecten uitgegeven door vennootschappen waarvan de vereniging of stichting als bezitter-emittent wordt aangemerkt krachtens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet door dat Wetboek wordt beheerst, overeenkomstig de bepalingen van het recht dat haar beheerst, op voorwaarde dat de certificaten krachtens artikel 13, § 1, eerste lid, van de wet van 15 juli 1998 betreffende de certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen voor de toepassing van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 gelijkgesteld worden met de effecten waarop ze betrekking hebben;
(…)
Artikel 153 W.Succ.
De taks moet gekweten worden uiterlijk bij het verstrijken van de termijn voorzien door artikel 151 voor de neerlegging der aangifte.
Wordt de taks niet betaald binnen deze termijn, dan is de wettelijke interest, tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken, van rechtswege eisbaar vanaf de dag, waarop de betaling had moeten geschieden.
De Koning bepaalt de wijze van betaling van alle bedragen die krachtens de bepalingen van dit boek en de uitvoeringsbesluiten ervan verschuldigd zijn, andere dan de strafrechtelijke boetes.
3.2. Opheffingsbepalingen
De wet heft ook diverse bepalingen van het W.Succ. op, die in onbruik zijn geraakt of zonder voorwerp, te weten:
- de artikelen 831 en 83^2, W.Succ.;
- het artikel 129 W.Succ.;
- het artikel 137, eerste lid, 5°, W.Succ.;
- het gedeelte van het W.Succ. met als opschrift “Intrekkingsbepaling” (art. 163 W.Succ.);
- het gedeelte van het W.Succ. met als opschrift “Overgangsbepalingen” (art. 164 tot 183 W.Succ.).
Het is niet meer mogelijk om de successierechten te betalen via effecten van de geünificeerde 4% schuld, aangezien de Belgische Staat haar leningen heeft terugbetaald in 2013 (art. 83^1 W.Succ.). Het artikel 83² van datzelfde Wetboek, oorspronkelijk genummerd 83, vernummerd in 1958, is opgeheven (art. 21 wet).
Omwille van de opheffing van artikel 83^1 W.Succ., heeft artikel 129 van datzelfde Wetboek geen bestaansreden meer en is eveneens opgeheven (art. 22 wet).
Artikel 83 betreffende de wijze van betaling wordt opnieuw opgenomen onder een nieuwe formulering. Artikel 137, eerste lid, 5° W.Succ. wordt opgeheven ingevolge de opheffing van artikel 831 van datzelfde Wetboek (art. 23 wet).
Het gedeelte van datzelfde Wetboek met als opschrift “Intrekkingsbepaling”, bevattende artikel 163, heeft geen uitwerking meer, waardoor het wordt opgeheven (art. 24 wet).
Het gedeelte van het W.Succ. met als opschrift “Overgangsbepalingen”, bevattende een eerste afdeling “Algemene Maatregelen” (art. 164 tot 178) en een afdeling II met als opschrift “Bijzondere bepalingen” (art. 179 tot 183), heeft geen enkele bestaansreden meer. Dit wordt bijgevolg opgeheven (art. 25 wet).
De wet treedt in werking op 1 maart 2021, met uitzondering van:
- haar artikelen 2 en 3, die de artikelen 5bis en 39, 1°, tweede lid, en 4°, tweede lid W.Reg. wijzigen en die in werking treden op 1 september 2021 (datum waarop het nieuwe Boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek eveneens in werking treedt);
- haar artikel 8, 1°, dat het artikel 249 W.Reg. wijzigt en uitwerking heeft vanaf 31 maart 2019 (art. 35 wet).
