Circulaire nr. Ci.RH.26/389.287 d.d. 19.04.1988
Bull. nr. 673, pag. 948
PENSIOENSPAREN
Algemene commentaar.
INHOUDSTABEL Nrs. I. Inleiding 1-6 II. Instellingen en ondernemingen gemachtigd om het pensioensparen te organiseren: A. Algemeen 7 B. Vormen van pensioensparen 8 1. Collectieve spaarrekening a) Vorm 9-11 b) Erkenning van gemeenschappelijke beleggingsfondsen 12-14 c) Instellingen en ondernemingen die het beheer waarnemen 15 2. Individuele spaarrekening a) Vorm 16 b) Eigen beheer 17-19 c) Beheer bij volmacht 20 3. Spaarverzekering a) Vorm 21-23 b) Bedoelde ondernemingen 24 C. Regels opgelegd aan instellingen en ondernemingen 25-35 III. Belegging van stortingen en opbrengsten A. Belegging van de stortingen 1. Collectieve spaarrekening 36-48 2. Individuele spaarrekening 49-50 3. Spaarverzekering 51-52 B. Belegging van de opbrengsten 1. Algemeen 53 2. Collectieve spaarrekening 54-55 3. Individuele spaarrekening 56-59 4. Spaarverzekering 60 C. Tijdstip van en controle op de beleggingen 1. Collectieve spaarrekening 61-62 2. Individuele spaarrekening 63-65 3. Spaarverzekering 66 IV. Belastingplichtigen die op de aftrek aanspraak hebben A. Belastingplichtigen die een spaarrekening kunnen openen of een spaarverzekering kunnen aangaan 67-75 B. Personen die stortingen mogen aftrekken 76-86 V. Voorwaarden met betrekking tot contracten en stortingen A. Algemeen 87 B. Begunstigde 88-89 C. Minimumlooptijd van spaarrekening of -verzekering 90-93 D. Attest 94 E. Verbod op meerdere contracten te storten 95 F. Andere voorwaarden 96 G. Belastbaar tijdperk 97 VI. Aftrekbaar bedrag A. Algemeen 98 B. Eventuele latere verhoging van de maximumaftrek 99-101 VII. Wijze van aftrek van de stortingen A. Algemeen 102-103 B. Verbod bepaalde aftrekken gelijktijdig te doen 104-105 VIII. Belastingstelsel van de tegoeden, renten, kapitalen, enz. A. Belastbaarheid 106 B. Vrijstelling 107-108 C. Belastingplichtige 109-110 D. Belastbaar tijdperk 111 E. Met uitkeringen gelijkgestelde overdrachten 112-114 F. Vertrek naar het buitenland 115-117 G. Vaststelling van het belastbaar bedrag 1. Algemeen 118-121 2. Spaarrekeningen a) Te kapitaliseren bedrag 122-123 b) Valutadatum voor stortingen en opnemingen 124-127 c) Gedeeltelijke terugbetaling 128-129 3. Formaliteiten 130 H. Gezamenlijke aanslag tegen het progressief tarief 131-134 I. Afzonderlijke aanslag tegen 16,5 pct. 1. Voorwaarden a) In verband met de verkrijger 135 b) In verband met de looptijd en de stortingen 136 2. Overlijden 137-139 3. Belastingplichtigen die spaartegoeden of technische reserves hebben overgedragen 140 4. Overgangsmaatregel 141 IX. Bedrijfsvoorheffing 142 X. Vrijstelling van de opbrengsten van spaarrekeningen als roerend inkomen 143-148 XI. Inwerkingtreding 149 Bijlage 1 Bijlage 2 I. INLEIDING
1. Ter uitvoering van art. 52, W 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen (BS 20.8.1986, V. 1852 - B. 653), is een stelsel van derdeleeftijds- of pensioensparen (verder kortweg "pensioensparen" genoemd) ingevoerd bij KB 22.12.1986, BS 1.1.1987 (V. 1877 - B. 658) (Dit KB is inmiddels bekrachtigd door art. 54, W 7.11.1987 (V. 1921 - B. 668)).
2. Het nieuwe stelsel strekt ertoe via fiscale weg het lange-termijnsparen aan te moedigen waarbij middelen vrij komen die door de ondernemingen kunnen worden aangewend om te investeren en werkgelegenheid te creëren; in die zin kan het pensioensparen worden aangemerkt als een verlenging van het KB nr. 15 van 9.3.1982 waarvan de uitwerking sedert 31.12.1985 is beëindigd.
3. Het betreft een permanente maatregel, reden waarom de bepalingen van het KB 22.12.1986 in het WIB zijn ingevoegd. In de hiernavolgende commentaar wordt steeds verwezen naar de nieuwe bepalingen van het WIB, opgenomen onder bijlage 1.
4. De op het pensioensparen betrekking hebbende bepalingen zijn ingevoerd door de art. 1 tot 3 en 5 tot 7, KB 22.12.1986 dat het WIB wijzigt en aanvult. Die artikelen wijzigen inderdaad de art. 6, 19, 32bis, 93 en 164, WIB en voeren een nieuwe versie in van art. 72, WIB. Verder wijzigt art. 4, KB 22.12.1986 de bepalingen van art. 71, § 1, 8°, en § 2, 4e lid, WIB betreffende de permanente aandelenaftrek (zie circ. 5.2.1988, Ci.RH.26/387.538, B. 670).
Art. 8, KB 22.12.1986 brengt een wijziging aan in de W 27.3.1957 betreffende o.m. de gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Art. 9 tenslotte regelt de inwerkingtreding van de verschillende nieuwe bepalingen en bevat tevens een aantal overgangsbepalingen en bijzondere maatregelen voor personen die voor 1.1.1932 geboren zijn.
5. In deze circulaire worden vooreerst de bepalingen gecommentarieerd die de aftrekbare stortingen inzake pensioensparen en het belasten van de achteraf opgetrokken bedragen betreffen.
Op het einde van de circulaire wordt ook aandacht besteed aan de vrijstelling van de opbrengsten van spaarrekeningen als roerend inkomen.
6. Bijlage 1 bevat :
- de gecoördineerde tekst van de gewijzigde of nieuwe artikelen van het WIB;
- de tekst van art. 9, KB 22.12.1986;
- de tekst van het KB 10.1.1987.
II. INSTELLINGEN EN ONDERNEMINGEN GEMACHTIGD OM HET PENSIOENSPAREN TE
ORGANISEREN
A. Algemeen
7. Om aan pensioensparen te doen moet de belastingplichtige bepaalde bedragen storten bij een financiële instelling (een bank, een openbare kredietinstelling, een privé-spaarbank, enz.), bij een vennootschap van wisselagenten of bij een verzekeringsmaatschappij.
De instellingen en ondernemingen die gerechtigd zijn om dergelijke stortingen te aanvaarden kunnen in twee grote groepen onderverdeeld worden :
- enerzijds de financiële instellingen en vennootschappen van wisselagenten waarbij de belastingplichtigen een spaarrekening kunnen openen;
- anderzijds de verzekeringsondernemingen waarbij zij een spaarverzekering kunnen aangaan.
B. Vormen van pensioensparen
8. Om zoveel mogelijk aan de wensen van de beleggers tegemoet te komen, zijn drie vormen van pensioensparen ingesteld:
- de collectieve spaarrekening;
- de individuele spaarrekening;
- de spaarverzekering.
1. Collectieve spaarrekening
a) Vorm
9. De collectieve spaarrekening kan worden geopend bij één van de in nr. 15 vermelde instellingen of ondernemingen die de op die rekening verrichte stortingen gebruiken voor de inschrijving op delen van gemeenschappelijke beleggingsfondsen welke daartoe door de Minister van Financiën erkend zijn (zie nr. 13).
10. Deze gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn van een bijzonder type, in die zin dat de onverdeelde massa van de roerende waarden die voor rekening van de houders van een rekening wordt beheerd, niet wordt vertegenwoordigd door effecten (certificaten) maar door een inschrijving op rekening ten name van de instelling of onderneming door wiens tussenkomst op de delen is ingeschreven door de spaarders. Er is sprake van een collectieve spaarrekening omdat de financiële instelling, enz. de spaarders die bij haar storten collectief vertegenwoordigt t.o.v. de beheermaatschappij.
11. De bijzondere aard van deze beleggingsfondsen, noodzaakte een wijziging van de art. 1 en 3, § 2, van de W 27.3.1957 betreffende de gemeenschappelijke beleggingsfondsen en tot wijziging van het Wetboek der Zegelrechten en het Wetboek der met het Zegel gelijkgestelde Taksen; dit is bewerkstelligd bij art. 8, KB 22.12.1986.
b) Erkenning van gemeenschappelijke beleggingsfondsen (G.B.F.)
12. Om door de Minister van Financiën te kunnen worden erkend, moeten de beleggingsfondsen voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in het KB 10.1.1987 (zie bijlage 1). Die erkenning kan, overeenkomstig de bepalingen van datzelfde KB, worden ingetrokken. De erkenningen en de intrekkingen ervan worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
13. Tot dusver zijn de volgende gemeenschappelijke beleggingsfondsen erkend :
- bij MB 4.2.1987 (BS 10.2.1987, V. 1886 - B. 660)
- Astro, beheerd door de NV Astro Management;
- ES Pension Fund, beheerd door de NV Selecta Beleggingen 2;
- Privest, beheerd door de NV Bemab;
- Star Fund, beheerd door de NV Star Management.
- bij MB 9.2.1987 (BS 18.2.1987, V. 1889 - B. 660)
- Britec-Pensioenfonds, beheerd door de NV Britec;
- Metropolitan Pensioenspaarfonds, beheerd door de NV Beheermaatschappij van de Metropolitan Fondsen;
- Interselex Pension Fund, beheerd door de NV Interselex;
- Profund, beheerd door de NV Privatrust.
- bij MB 17.2.1987 (BS 21.2.1987, V. 1891 - B. 660)
- De Maertelaere Pension Fund, beheerd door de NV De Maertelaere Fondsenbeheer;
- Hermes Pensioenfonds, beheerd door de NV Beursfondsen-Beheer;
- Inter-Beurs-Hermes-Pensioenfonds, beheerd door de NV Beursfondsen-Beheer.
14. Hoe de beheermaatschappijen de gelden van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen moeten aanwenden, wordt besproken in de nrs. 36 tot 48, 54 en 55.
c) Instellingen en ondernemingen die het beheer waarnemen
15. De hierna vermelde instellingen en ondernemingen mogen collectieve spaarrekeningen openen en beheren :
| 1° | de Belgische en buitenlandse banken, opgenomen in nr. 15/30 Com.IB; |
| 2° | de Belgische openbare kredietinstellingen, met name: |
- de Nationale Bank van België;
- het Herdisconterings- en Waarborginstituut;
- de Algemene Spaar- en Lijfrentekas;
- de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid;
- het Gemeentekrediet van België;
- de Nationale Kas voor Beroepskrediet;
- het Centraal Bureau voor Hypothecair Krediet;
- het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet;
| 3° | de privé-spaarkassen die aan de controle van de Bankcommissie onderworpen zijn (cf. 15/31 Com.IB); |
| 4° | de kredietkassen erkend door het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet, de kredietverenigingen erkend door de Nationale Kas voor Beroepskrediet, de plaatselijke handelsvennootschappen en de gewestelijke of beroepsfederaties van deze vennootschappen die machtiging bezitten om krachtens de W 29.3.1929 kredieten voor ambachtelijke outillering te verlenen (cf. 127/18 en 127/19 Com.IB); |
| 5° | de kapitalisatieondernemingen die onder het KB nr. 43 van 15.12.1934 vallen; overeenkomstig art. 1 van dat KB zijn de ter zake bedoelde kapitalisatieondernemingen die, welke een beroep doen op de spaarders en die, in ruil van ineens of op geregelde tijdstippen gedane stortingen bepaalde verbintenissen aangaan, indien zij ten minste 300 aangeslotenen groeperen of indien hun verbintenissen over meer dan twee jaar lopen (Kapitalisatieondernemingen zijn echter de facto uitgesloten daar hun kapitalisatie-activiteit als dusdanig niet verenigbaar is met de in art. 72, WIB bedoelde spaarverrichtingen); |
| 6° | de in België gevestigde wisselagenten die overeenkomstig art. 73 van titel V van boek I van het Wetboek van Koophandel hun beroep uitoefenen in de vorm van een vennootschap onder firma of van een vennootschap bij eenvoudige geldschieting en aangesloten zijn bij de waarborgkas van de wisselagenten (Zie KB 20.01.1987 (BS 29.1.1987, V. 1883 - B. 659)). |
a) Vorm
16. Een andere mogelijkheid om aan pensioensparen te doen is de individuele spaarrekening die de belastingplichtige kan openen bij dezelfde instellingen of ondernemingen welke gemachtigd zijn om collectieve spaarrekeningen te openen (zie nr. 15). De gestorte bedragen worden bij die instelling of onderneming ingeschreven op naam van de houder van de rekening.
b) Eigen beheer
17. Indien hij zulks wenst, kan de betrokkene zijn rekening zelf beheren. In dat geval moet hij bij die instelling of onderneming een schriftelijke verbintenis overleggen om de op zijn rekening geboekte sommen, alsmede de terugbetalingen en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden, op de wettelijk voorgeschreven wijze te beleggen (zie nrs. 49, 50 en 56 tot 59).
18. Ten laatste op de dag van elke storting op zijn rekening, moet de houder een schriftelijke beleggingsopdracht ten belope van het betreffende bedrag bezorgen aan de instelling of onderneming waarbij de individuele spaarrekening is geopend. Die opdracht moet concreet vermelden welke roerende waarden die instelling of onderneming als belegging moet aankopen.
19. Tevens is voorgeschreven dat de belegging in elk geval door de financiële instelling of onderneming moet uitgevoerd zijn binnen de twee maanden na de storting of de terbeschikkingstelling van de bedragen (art. 72, § 5, lid 1, in fine, WIB).
c) Beheer bij volmacht
20. In de plaats van zelf zijn rekening te beheren en dus ook zelf in te staan voor de passende beleggingen, kan de houder het beheer van zijn rekening toevertrouwen aan de instelling of onderneming waarbij hij een individuele spaarrekening heeft geopend. Daartoe geeft hij schriftelijk volmacht om de op zijn rekening geboekte sommen op de in de wet voorgeschreven wijze te beleggen. Hij bepaalt dus zelf niet in welke roerende waarden zijn stortingen concreet zullen worden belegd.
3. Spaarverzekering
a) Vorm
21. De spaarverzekering is de verzekering die de verzekeringnemer op zijn hoofd aangaat om bij een verzekeringsonderneming een pensioen, een rente of een kapitaal te vestigen bij leven of bij overlijden.
22. Deze vorm van pensioensparen is gebaseerd op de gebruikelijke techniek van de levensverzekering, waarbij de verzekeringsmaatschappij de spaarder vooraf een bepaald rendement waarborgt, afhankelijk van de gestorte premies en de looptijd van het contract. Het contractueel bedongen voordeel kan eventueel met een winstdeelneming verhoogd worden.
23. In beginsel komen alle types van levensverzekeringen als spaarverzekering in aanmerking.
b) Bedoelde ondernemingen
24. Het betreft de Belgische verzekeringsondernemingen en de Belgische inrichtingen van buitenlandse ondernemingen die in België verzekeringen op het leven mogen afsluiten overeenkomstig de W 9.7.1975 betreffende de controle van de verzekeringsondernemingen.
C. Regels opgelegd aan instellingen en ondernemingen
25. Naast hun specifieke beleggingsverplichtingen, die verder worden behandeld, moeten de instellingen en ondernemingen die het pensioensparen organiseren nog een aantal regels naleven.
26. Vooreerst mag, overeenkomstig art. 72, § 1, 1ste lid, 3, WIB, een verzekeringsonderneming per belastingplichtige slechts één enkele spaarverzekering sluiten; evenzo mogen financiële instellingen en ondernemingen per belastingplichtige slechts één enkele collectieve of één enkele individuele spaarrekening openen (cf. art. 72, § 1, laatste lid, WIB).
Deze beperking moet als volgt worden begrepen : op geen enkel tijdstip mag éénzelfde belastingplichtige bij éénzelfde instelling of onderneming meer dan één spaarrekening of spaarverzekering hebben (zie ook nr. 114).
27. De voormelde bepalingen schrijven eveneens voor dat de bedoelde instellingen en ondernemingen in een bepaald jaar geen premies of stortingen mogen aanvaarden die hoger zijn dan het thans toegestane maximumbedrag van 20.000 F per belastingplichtige.
28. De bij het pensioensparen betrokken instellingen en ondernemingen moeten de administratie kennis geven:
- van alle spaarrekeningen die worden geopend en van alle spaarverzekeringen die worden gesloten;
- van het jaarbedrag van de stortingen op dergelijke contracten (cf. art. 72, § 3, 3de lid, WIB);
- van de overdrachten van spaartegoeden of technische reserves (zowel inkomende als uitgaande) die geen aanleiding geven tot dadelijke belastingheffing (zie nrs. 91 en 113).
29. In dit verband wordt de aandacht erop gevestigd dat, om de aftrek van de gestorte sommen of premies te kunnen verkrijgen, de belastingplichtige bij zijn aangifte in de PB een attest moet voegen dat wordt afgeleverd door de instelling of onderneming bij wie de storting is verricht (cf. art. 72, § 7, 2de lid, WIB).
30. Dit attest, waarvan het model (zie bijlage 2) wordt vastgelegd door de gedelegeerde van de Minister van Financiën, draagt het nr. 281.60, wordt door de instelling of onderneming in tweevoud opgesteld en maakt het mogelijk tegelijkertijd aan de in de nrs. 28 en 29 vermelde formaliteiten te voldoen.
31. Dat attest vermeldt :
- de volledige identiteit van de belastingplichtige;
- de aard van het contract;
- het nummer van de spaarrekening of van de verzekeringspolis;
- de datum waarop de overeenkomst is aangegaan;
- het jaar en het bedrag van de verrichte stortingen.
Verder bevestigt de instelling of onderneming dat wat haar betreft aan alle wettelijke bepalingen inzake pensioensparen voldaan is.
32. Het originele attest moet uiterlijk einde februari van het jaar dat volgt op dat waarin de storting is uitgevoerd aan de spaarder worden uitgereikt.
33. Het dubbel van het attest moet binnen dezelfde termijn worden toegezonden aan het bevoegde "Documentatiecentrum-Bedrijfsvoorheffing". Deze dienst zendt het attest door naar de betrokken taxatiedienst om het in het aanslagdossier van de belastingplichtige te plaatsen. De belastingplichtige dient zijn exemplaar bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen te voegen om de aftrek te kunnen verkrijgen.
34. Wanneer de in nr. 18 bedoelde beleggingsopdracht i.v.m. een individuele spaarrekening niet is voorgelegd of wanneer de erin vermelde belegging niet overeenstemt met hetgeen wettelijk is bepaald, of nog wanneer geen volmacht tot belegging is gegeven (zie nr. 20), mag de betrokken instelling of onderneming de verrichte storting niet boeken op de individuele spaarrekening van de betrokkene (cf. art. 72, § 5, 4de lid, WIB).
35. Tenslotte moeten de betrokken instellingen en ondernemingen de gewone verplichtingen naleven die op hen rusten als schuldenaars van de BV, telkens wanneer zij belastbare uitkeringen of transferten doen (zie ook nr. 142).
III. BELEGGING VAN STORTINGEN EN OPBRENGSTEN
A. Belegging van de stortingen
1. Collectieve spaarrekening
36. Deze vorm van pensioensparen vindt plaats door bemiddeling van een erkend gemeenschappelijk beleggingsfonds. Een dergelijk fonds heeft geen rechtspersoonlijkheid. De bezittingen ervan worden door een beheermaatschappij beheerd.
37. Art. 72, § 4, 1ste lid, WIB, schrijft voor dat de beheermaatschappij de activa van het fonds, na aftrek van de lasten, uitsluitend mag beleggen in de hierna vermelde activa. De lasten waarvan sprake zijn de eventuele toetredingskosten.
38. Ten minste 30 pct. van de activa moet worden belegd in aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van vennootschappen naar Belgisch recht vertegenwoordigen. Hier worden zowel vennootschappen op aandelen als de personenvennootschappen bedoeld die aan de Ven.B zijn onderworpen.
39. Het G.B.F. mag ook beleggen in obligaties, uitgegeven in Belgische frank of - in hoofdsom en in interesten - onvoorwaardelijk gewaarborgd door de Belgische overheid. Ter zake verstaat men onder de overheid de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties van gemeenten, de gemeenten en andere openbare instellingen of inrichtingen.
40. Verder kan nog worden belegd in :
- obligaties of kasbons in Belgische frank met een looptijd van meer dan één jaar, uitgegeven door Belgische publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen;
- gelddeposito's in Belgische frank met een looptijd van meer dan één jaar;
- vastgoedcertificaten of hypothecaire leningen gewaarborgd door in België gelegen onroerende goederen.
41. De G.B.F.'s mogen slechts ten hoogste 10 pct. beleggen in buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde roerende waarden of in delen van Belgische G.B.F. die door de Bankcommissie erkend zijn.
42. In nr. 41 betreft het dus zowel aandelen van buitenlandse vennootschappen als obligaties, kasbons, enz. van buitenlandse overheden, publiek- en privaatrechtelijke vennootschappen die op een Belgische beurs genoteerd zijn, zomede delen van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen, ongeacht of die fondsen al dan niet, hoofdzakelijk of bijkomstig, in buitenlandse waarden beleggen.
43. De beperking tot 10 pct. geldt voor de beide in nr. 41 bedoelde beleggingsvormen samen.
44. Ten slotte mogen ten hoogste 10 pct. van de activa van het G.B.F. belegd worden in tegoeden op rekening in Belgische frank bij de in nr. 15, 1° tot 5°, bedoelde instellingen of ondernemingen.
45. De aandacht wordt erop gevestigd dat alleen inzake aandelen van Belgische vennootschappen een minimumbeleggingswaarde is gesteld, namelijk 30 pct. (zie nr. 38). Anderzijds is voor de in nrs. 41 en 44 bedoelde waarden telkens een maximumbelegging van 10 pct. bepaald.
46. Voor de in nr. 40 bedoelde waarden zijn er geen specifieke minima of maxima voorgeschreven, doch wegens het vorenbedoelde minimum van 30 pct. mag het totaal van deze waarden nooit meer bedragen dan 70 pct. van de activa van het G.B.F.
47. Een G.B.F. dat voor 85 pct. zou beleggen in Belgische aandelen, voor 7 pct. in buitenlandse aandelen die in België zijn genoteerd en het saldo (8 pct.) zou aanhouden in Belgische tegoeden op rekening zou dus aan zijn beleggingsverplichting voldoen.
Hetzelfde geldt voor een fonds dat 40 pct. belegt in Belgische aandelen, 55 pct. in Belgische obligaties en 5 pct. in Belgische tegoeden op rekening.
48. Art. 72, § 4, 2de lid, WIB, bepaalt dat het in nr. 38 vermelde minimum van 30 pct. en de in nrs. 41 en 44 bedoelde maxima van 10 pct. worden berekend op de data waarop de effecten in kwestie worden aangeschaft (zie ook nrs. 61 en 62).
2. Individuele spaarrekening
49. Overeenkomstig art. 72, § 5, WIB, moeten alle op een individuele spaarrekening geboekte sommen (dit zijn dus de fiscaal aftrekbare stortingen) zomede terugbetalingen van effecten (zoals bv. obligaties, enz. op de vervaldag) en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden op dezelfde wijze en in dezelfde verhoudingen worden belegd als de activa van de G.B.F. (zie nrs. 37 tot 48).
50. Ook hier betreft het netto-bedragen, d.w.z. bedragen na aftrek van de gebruikelijke kosten die bij de storting worden aangerekend door de beherende instelling of onderneming of die bij aankoop, verkoop of terugbetaling van roerende waarden worden in rekening gebracht.
3. Spaarverzekering
51. Overeenkomstig art. 72, § 6, WIB, moeten de dekkingswaarden van de technische reserves van de spaarverzekeringen (zie ook nr. 53 en 60) op dezelfde wijze belegd worden als de activa van de collectieve spaarrekeningen.
52. De aan de verzekeringsondernemingen opgelegde beleggingsvoorschriften zijn derhalve identiek aan die welke worden opgelegd aan de beheermaatschappij van een G.B.F. voor de collectieve spaarrekeningen (zie nrs. 37 tot 48).
B. Belegging van de opbrengsten
1. Algemeen
53. De opbrengsten van de waarden van de spaarrekeningen (collectieve of individuele) mogen niet worden uitgekeerd maar moeten op hun beurt worden belegd.
Hetzelfde geldt uiteraard ook voor spaarverzekeringen vermits de opbrengsten deel uitmaken van de technische reserves.
2. Collectieve spaarrekening
54. Uit de aanhef van het 1ste lid van art. 72, § 4, WIB, blijkt dat de beheermaatschappij van een erkend G.B.F. de inkomsten van de activa van dat fonds op dezelfde wijze en volgens dezelfde verhoudingen moet beleggen als de activa zelf. Het betreft dus de beleggingen en verhoudingen bedoeld sub 37 tot 48. Wel te verstaan moeten alleen de netto-inkomsten, d.w.z. de inkomsten na aftrek van de erop drukkende lasten, op de voorgeschreven wijze belegd worden.
55. De beleggingsvoorschriften voor de collectieve spaarrekening zijn dus identiek voor de eigenlijke stortingen, voor de terugbetalingen, voor de herbeleggingen (arbitrages) en voor de opbrengsten of inkomsten. De beoordeling gebeurt dan ook in globo voor het totale actief van het beleggingsfonds.
3. Individuele spaarrekening
56. Wat deze spaarvorm betreft, wordt de aandacht gevestigd op een bijzonderheid : volgens art. 72, § 5, 5e lid, WIB, moeten de inkomsten uit de individuele spaarrekening, na aftrek van de lasten, volledig worden belegd in de waarden en de (tegoeden op) rekening als omschreven in art. 72, § 4, 1ste lid, met uitsluiting van die welke bedoeld zijn in 5°, van hetzelfde lid.
| 57. | Uit de geciteerde wetsbepaling volgt : |
| 1° | dat voor de inkomsten van de individuele spaarrekening noch een minimumbelegging van 30 pct. in Belgische aandelen, noch een maximumbelegging van 10 pct. in tegoeden op rekening wordt opgelegd; |
| 2° | dat die inkomsten hoegenaamd niet mogen worden belegd in buitenlandse roerende waarden en evenmin in delen van een Belgische G.B.F. |
59. De instelling of onderneming die individuele spaarrekeningen bijhoudt is er daarom toe gehouden de waarde ervan te splitsen in "eigenlijke activa" en in "inkomsten", ten einde de controle op de beleggingen mogelijk te maken.
4. Spaarverzekering
60. Voor de verzekeringsondernemingen maken de opbrengsten van de premies van spaarverzekeringen deel uit van de technische reserves, zodat het bepaalde in nr. 51 erop van toepassing is.
C. Tijdstip van en controle op de beleggingen
1. Collectieve spaarrekening
61. Uit art. 2, § 4, KB 10.1.1987 betreffende de erkenning van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen (zie nr. 12) volgt dat de beleggingsverplichtingen in de zin van art. 72, § 4, WIB worden geacht te zijn nageleefd indien uit de stukken, die de beheermaatschappij periodiek moet indienen, blijkt :
| a) | dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal van de Belgische aandelen hoger is dan 30 pct. van de refertewaarde van het fonds; |
| b) | dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal, enerzijds, van de buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde waarden en de delen van erkende Belgische G.B.F., en anderzijds, van de tegoeden op rekening in Belgische frank, niet hoger is dan 10 pct. van de refertewaarde van het fonds; |
| c) | dat de refertewaarde van het fonds, die dient om de in a) en b) hierboven bedoelde coëfficiënten te meten, voor ieder kalenderkwartaal wordt bepaald door de gemiddelde waarde in kapitaal van het fonds te verminderen met 1/3 van de waarde in kapitaal van de netto-inschrijvingen bij het fonds tijdens de derde maand die voorafgaat aan het kalenderkwartaal waarvoor de refertewaarde wordt berekend, met 2/3 van de netto-inschrijvingen tijdens de tweede maand die het betrokken kwartaal voorafgaat en niet het totaal van dezelfde inschrijvingen tijdens de maand die hetzelfde kalenderkwartaal voorafgaat. |
2. Individuele spaarrekening
63. Overeenkomstig art. 72, § 5, 1ste lid, WIB, moeten de op een individuele spaarrekening geboekte stortingen evenals de terugbetalingen (bv. van obligaties en kasbons op de vervaldag) en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden belegd worden binnen de twee maanden volgend op de storting of de terbeschikkingstelling van de bedragen.
64. De controle op het nakomen van die verplichting wordt wat de eigenlijke stortingen betreft in de eerste plaats opgedragen aan de instelling of onderneming waarbij de individuele spaarrekening geopend is. Wanneer de houder van een individuele spaarrekening ten laatste op de dag van de storting geen geschreven beleggingsopdracht voorlegt of wanneer de in die opdracht vermelde belegging niet aan de wettelijke vereisten voldoet, of nog wanneer de houder aan de betrokken instelling of onderneming geen volmacht heeft gegeven om de passende beleggingen te doen, mag die instelling of onderneming de verrichte storting immers niet op de individuele spaarrekening boeken (art. 72, § 5, 4e lid, WIB).
65. Bij koninklijk besluit kunnen bovendien bijzondere maatregelen worden getroffen om de administratie in de mogelijkheid te stellen na te gaan of de houder van een individuele spaarrekening en de instelling of onderneming waarbij zulke rekening is geopend hun verplichtingen ter zake hebben nageleefd.
3. Spaarverzekering
66. De verzekeringsondernemingen moeten hun boekhouding zo organiseren dat de administratie kan nagaan of de dekkingswaarden van de technische reserves betreffende de activiteiten van de spaarverzekeringen afzonderlijk genomen, belegd zijn overeenkomstig het bepaalde in art. 72, § 4, WIB.
IV. BELASTINGPLICHTIGEN DIE OP DE AFTREK AANSPRAAK HEBBEN
| A. | Belastingplichtigen die een spaarrekening kunnen openen of een spaarverzekering kunnen aangaan |
68. Uit de aangehaalde wetsbepaling blijkt dus dat alleen die personen een spaarrekening kunnen openen of een spaarverzekering kunnen aangaan die tegelijkertijd aan de volgende twee voorwaarden voldoen :
| 1° | aan de PB onderworpen zijn; |
| 2° | minstens 18 jaar oud zijn en de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt. |
70. Art. 9, § 5, KB 22.12.1986 schept een wettelijke fictie waardoor de stortingen die in 1987 voor 14 februari zijn gedaan, worden geacht te hebben plaatsgehad tijdens het jaar 1986. Dienvolgens wordt ook het desbetreffende contract geacht te zijn gesloten in 1986 en moet voor die gevallen aan de leeftijdsvoorwaarde voldaan zijn op 31.12.1986 (zie verslag aan de Koning, BS 1.1.1987, p. 44).
71. Een natuurlijke persoon voldoet aan de sub 68, 1°, bedoelde voorwaarde indien hij op 31 december van het jaar van openen van een spaarrekening of van het sluiten van een spaarverzekering in principe aan de PB onderworpen is, d.w.z. de hoedanigheid van rijksinwoner heeft.
72. Ter zake is wel vereist dat de betrokken belastingplichtige tijdens het desbetreffende jaar belastbare inkomsten heeft ook al is het belastbaar minimuminkomen niet bereikt.
73. Gehuwden kunnen elk afzonderlijk een spaarrekening openen of een spaarverzekering aangaan. mits zij persoonlijk aan de sub 68 bedoelde voorwaarden voldoen (art. 72, § 2, 2e lid, WIB) (zie evenwel ook nr. 79).
74. Ook bruggepensioneerden of gepensioneerden die nog geen 65 jaar oud zijn kunnen nog tot het pensioensparen toetreden.
75. De belastingplichtigen mogen tijdens éénzelfde belastbaar tijdperk OFWEL één spaarrekening openen OFWEL één spaarverzekering aangaan. Zij mogen dus tijdens hetzelfde jaar ten hoogste één overeenkomst inzake pensioensparen sluiten. Deze beperking geldt niet voor overeenkomsten die tijdens verschillende jaren worden gesloten, ongeacht of de nieuwe overeenkomst al dan niet gepaard gaat met een overdracht van een spaartegoed of van premies.
B. Personen die stortingen mogen aftrekken
76. Als regel kan worden gesteld dat al de sub A hiervoor (nrs. 67 tot 74) bedoelde natuurlijke personen stortingen voor pensioensparen kunnen aftrekken van hun belastbare inkomsten. Volledigheidshalve moeten evenwel de hierna volgende preciseringen worden verstrekt.
77. Aan de sub 68 bedoelde vereiste (aan de PB onderworpen zijn) moet uitsluitend voldaan zijn op het einde van het jaar waarin de spaarrekening is geopend of de spaarverzekering is aangegaan.
Hieruit volgt o.m. dat een belastingplichtige die op een later tijdstip de hoedanigheid van rijksinwoner verliest, het recht op aftrek van de gestorte sommen behoudt. De aftrek kan dan uiteraard alleen worden aangerekend op zijn Belgische inkomsten die aan de BNV onderworpen worden.
78. Wat echtgenoten betreft, is het niet noodzakelijk dat zij beiden belastbare inkomsten hebben genoten. De stortingen van elke echtgenoot op zijn afzonderlijke rekening of verzekering worden afgetrokken van het vooraf samengevoegde gezinsinkomen, ongeacht de samenstelling ervan.
79. Het bepaalde in nr. 78 geldt uiteraard niet voor het jaar van huwelijk, vanaf het jaar van ontbinding van het huwelijk (ingevolge overlijden of echtscheiding) of vanaf het jaar volgend op dat van de feitelijke scheiding, aangezien in al die gevallen de door iedere echtgenoot verschuldigde belasting afzonderlijk wordt vastgesteld en op ieders naam wordt gevestigd.
80. Stortingen die door ouders gedaan zouden worden op een spaarrekening of een spaarverzekering op naam van hun kinderen, geven geen aanleiding tot aftrek ten name van eerstgenoemden.
81. Zoals gezegd in nr. 74 mogen ook bruggepensioneerden en gepensioneerden die geen 65 jaar oud zijn tot het pensioensparen toetreden. Hierbij moet worden aangestipt dat de aftrek in de regel slechts de laatste maal kan worden toegepast op de inkomsten van het jaar waarin de belastingplichtige - man of vrouw - de leeftijd van 64 jaar bereikt (art. 72, § 3, 2e lid, WIB).
82. Het recht van aftrek vervalt bovendien vanaf het jaar waarin de belastingplichtige voor zijn 65 jaar zijn spaartegoed, zijn kapitaal of zijn afkoopwaarde uitbetaald krijgt in omstandigheden (zie nrs. 135 tot 140) die in principe aanleiding geven tot afzonderlijke belasting tegen de aanslagvoet van 16,5 pct. (zelfs indien deze inkomsten in feite samen met zijn andere inkomsten tegen de progressieve aanslagvoeten worden belast omdat deze wijze van belasten voordeliger is voor de belastingplichtige).
83. Op het bepaalde in nr. 82 kan geen uitzondering worden gemaakt voor personen die na de aldaar bedoelde uitbetaling nog een andere spaarrekening of -verzekering aanhouden waarop zij stortingen doen of die achteraf nog een dergelijke rekening openen of een verzekering aangaan.
Personen die wegens het overlijden van hun echtgenoot genoodzaakt worden hun eigen spaarrekening vervroegd te vereffenen (zie nrs. 138 en 139), mogen daarentegen wel de stortingen aftrekken die zij naderhand op een nieuw geopende spaarrekening doen.
84. Wanneer een belastingplichtige overlijdt voor het jaar waarin hij 65 jaar wordt, mag de voor de overlijdensdatum gedane storting nog worden afgetrokken van de inkomsten die de erflater tijdens het jaar van zijn overlijden heeft verkregen.
85. Binnen eenzelfde gezin moet de toestand individueel worden nagegaan. Het is derhalve mogelijk dat één van de echtgenoten zijn spaartegoed, kapitaal of afkoopwaarde opneemt op de wijze bedoeld in nr. 82 en dus niet verder belastingvrij kan storten, terwijl de andere echtgenoot zijn tegoed niet opneemt en dus bij voortduur wel belastingvrij kan storten op zijn eigen rekening of verzekering.
86. Het is evident dat bruggepensioneerden en gepensioneerden die geen 65 jaar oud zijn wel verder aftrekbare stortingen kunnen doen wanneer zij hun spaartegoed of kapitaal niet opnemen of wanneer zij dit doen onder omstandigheden die in principe aanleiding geven tot het belasten tegen het progressieve tarief.
V. VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT CONTRACTEN EN STORTINGEN
A. Algemeen
87. De stortingen inzake pensioensparen zijn slechts aftrekbaar indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan (art. 72, §§ 2, 3 en 7, WIB) :
| 1° | bij het aangaan van het contract moeten de voordelen van de spaarrekening of -verzekering bedongen zijn, bij leven ten bate van de belastingplichtige zelf, bij overlijden ten bate van zijn echtgenoot of bloedverwanten tot de 2de graad; |
| 2° | de spaarrekening moet geopend worden of de spaarverzekering moet aangegaan worden voor een minimumlooptijd van 10 jaar; |
| 3° | de belastingplichtige moet een daartoe bestemd attest van storting voegen bij de aangifte in de inkomstenbelastingen waarin de aftrek wordt vermeld; |
| 4° | de belastingplichtige mag tijdens eenzelfde belastbaar tijdperk slechts op één enkele spaarrekening of -verzekering stortingen hebben verricht; |
| 5° | de stortingen moeten definitief en, buiten elke wettelijke verplichting om, in België gedaan zijn. |
88. De in nr. 87, 1°, bedoelde begunstigingsclausule is dezelfde als die welke in art. 55, 2°, WIB, is gesteld voor de aftrekbaarheid van premies van levensverzekeringen.
Aangezien zulke clausule onontbeerlijk is en steeds uitdrukkelijk voorkomt in elk verzekeringscontract kan bij spaarverzekeringen steeds aan de hand van de polis worden nagegaan of aan de wettelijk opgelegde voorwaarde voldaan is.
89. Wat spaarrekeningen betreft wordt opgemerkt dat een spaarrekening in feite een bijzondere vorm van deposito is en dat de belastingplichtige eigenaar blijft van de gedeponeerde sommen en de opbrengsten ervan zodat hij deze volgens het burgerlijk recht steeds kan terugvragen. Bij overlijden maakt het op dat ogenblik gevormde kapitaal zonder meer deel uit van de nalatenschap van de erflater.
Hieruit volgt dat een begunstigingsclausule voor spaarrekeningen praktisch zonder voorwerp is. Derhalve moet niet geëist worden dat ze in de desbetreffende overeenkomsten voorkomt.
C. Minimumlooptijd van spaarrekening of -verzekering
90. De belastingplichtige die een individuele of collectieve spaarrekening opent moet zich ertoe verbinden deze rekening voor ten minste 10 jaar aan te houden. Deze termijn wordt van dag tot dag gerekend. Voor personen die voor 1.1.1932 geboren zijn is een verbintenis van 5 jaar echter voldoende (zie art. 9, § 4, 1ste lid, KB 22.12.1986).
Spaarverzekeringen dienen eveneens een looptijd van ten minste 10 of 5 jaar te hebben, naar het hierboven gemaakte onderscheid; of aan deze voorwaarde voldaan is moet blijken uit de begin- en einddatum van de polis.
Deze regels vormen echter geen beletsel voor bepaalde overdrachten van het spaartegoed van een spaarrekening of van de technische reserve van een spaarverzekering (zie nrs. 28 en 112 tot 114).
91. Bij volledige overdracht van de voorheen op een individuele of collectieve spaarrekening gevormde tegoeden naar een andere individuele of collectieve spaarrekening bij dezelfde of een andere financiële instelling of onderneming - waarbij de eerste rekening ophoudt te bestaan zonder aanleiding te geven tot belastingheffing mag de reeds op het eerste contract verlopen termijn worden medegeteld om de minimumlooptijd van de nieuwe spaarrekening te berekenen (Verslag aan de Koning bij het KB 22.12.1986, BS 1.1.1987, p. 43).
Dezelfde regel geldt mutatis mutandis bij overdracht van de volledige technische reserve van een spaarverzekering naar een nieuw contract bij dezelfde of een andere verzekeringsmaatschappij.
De vorenbedoelde overdrachten worden vermeld op het attest 281.60 van het jaar van de overdracht. De overdragende instelling of onderneming vermeldt :
"volledig spaartegoed van ........F overgedragen naar ........." (naam van de instelling of de onderneming).
De instelling of onderneming die het spaartegoed ontvangt, vermeldt op haar attest van hetzelfde jaar :
"volledig spaartegoed van .........F overgebracht van ........" (naam van de instelling of onderneming).
Gaat het om interne overdrachten, dan kan worden volstaan met de vermelding : "volledige overdracht van rekening (polis) nr ......"
92. De in nr. 91 bedoelde regel geldt niet bij gedeeltelijke overdrachten of wanneer een andere spaarrekening wordt geopend of een andere spaarverzekering wordt gesloten, zonder overdracht van het spaartegoed of de technische reserve.
93. Spaarrekeningen en -verzekeringen waarop in 1987 voor 14.2.1987 stortingen zijn gedaan, worden voor de berekening van de minimumlooptijd geacht te zijn aangegaan op 31.12.1986.
D. Attest
94. De aftrek van de stortingen wordt slechts aanvaard indien de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen het attest heeft gevoegd waarvan sprake in de nrs. 29 tot 33 (art. 72, § 7, WIB).
Belastingplichtigen die nagelaten hebben deze formaliteit na te leven, kunnen de aftrek alsnog verkrijgen indien zij dit attest op een later tijdstip bezorgen aan de taxatiedienst waaronder zij ressorteren of aan de ambtenaar die belast is met het onderzoek van het desbetreffende bezwaarschrift.
E. Verbod op meerdere contracten te storten
95. Wanneer een belastingplichtige op twee of meer spaarrekeningen of -verzekeringen stortingen heeft gedaan tijdens hetzelfde belastbare tijdperk, wordt de aftrek beperkt tot de stortingen op één enkele rekening of verzekering, naar keuze van de betrokkene.
F. Andere voorwaarden
96. De stortingen inzake pensioensparen moeten definitief en in België gedaan zijn en dit buiten elke wettelijke verplichting om. Deze voorwaarden spreken voor zichzelf en behoeven geen nadere commentaar.
G. Belastbaar tijdperk
97. Overeenkomstig art. 72, § 7, WIB, mogen de stortingen voor het pensioensparen slechts worden afgetrokken van de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin die stortingen gedaan zijn.
Stortingen voor 14.2.1987 worden uitsluitend afgetrokken van de inkomsten van het jaar 1986. Alleen wanneer tijdens die periode meer dan 20.000 F is gestort en het attest nr. 281.60 van 1986 slechts dit bedrag van 20.000 F vermeldt, mag het overschot als een storting van het jaar 1987 (aftrekbaar voor het aj. 1988) worden aangemerkt.
VI. AFTREKBAAR BEDRAG
A. Algemeen
98. Art. 9, § 3, 1ste lid, KB 22.12.1986, beperkt het aftrekbare bedrag in een eerste fase van uitvoering tot 20.000 F (bruto) per belastbaar tijdperk en per belastingplichtige. Het maximumbedrag van 20.000 F omvat alle kosten die de instelling of onderneming op welke wijze ook aan de spaarder aanrekent.
De premies van aanvullende verzekering tegen ongevallen of invaliditeit die gekoppeld zijn aan een spaarrekening of -verzekering komen niet in aanmerking voor aftrek, ongeacht of zij al dan niet begrepen zijn in het bedrag van 20.000 F.
Daar in een gezin elke echtgenoot een spaarrekening of spaarverzekering kan openen, kan de aftrek maximaal 40.000 F bereiken voor de twee gehuwden samen.
Geen enkele verhoging van het aftrekbare bedrag is mogelijk in verhouding tot het aantal personen ten laste.
B. Eventuele latere verhoging van de maximumaftrek
99. Art. 9, § 3, 2de lid, KB 22.12.1986 bepaalt dat de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van 20.000 F kan verhogen tot het wettelijke maximum van 40.000 F.
100. Van de in nr. 99 bedoelde verhoging zullen de volgende belastingplichtigen evenwel wettelijk uitgesloten zijn :
- personen die persoonlijke bijdragen voor een groepsverzekering of voor een pensioenfonds van hun totaal bedrijfsinkomen aftrekken (bijdragen bedoeld in art. 54, 2°, a, WIB) of ten gunste van wie werkgeversbijdragen met hetzelfde doel worden gestort (bijdragen bedoeld in art. 45, 3°, b, WIB) of nog ten gunste van wie in een extra-wettelijk pensioen als bedoeld in art. 45, 6°, WIB, wordt voorzien;
- personen die, gelet op hun hoofdberoep, in de toekomst aanspraak kunnen maken op een overheidspensioen of op een aanvullend overheidspensioen.
101. De in de nrs. 99 en 100 bedoelde maatregelen zijn thans nog niet getroffen, zodat hierover nog geen commentaar kan worden verstrekt.
VII. WIJZE VAN AFTREK VAN DE STORTINGEN
A. Algemeen
102. De aftrek van de stortingen inzake pensioensparen is vergelijkbaar met die van verschillende andere aftrekken welke op grond van art. 71, WIB in mindering komen van de gezamenlijk belastbare inkomsten. Al die aftrekken worden samen evenredig aangerekend op de verschillende bestanddelen van het gezamenlijk belastbare netto-inkomen (art. 47octies, KB/WIB, gewijzigd door KB 7.4.1987, V. 1899 - B. 662).
103. Het aftrekbare bedrag van de stortingen inzake pensioensparen wordt niet beïnvloed door de wijze waarop de gezamenlijk belastbare inkomsten zijn samengesteld.
B. Verbod bepaalde aftrekken gelijktijdig te doen
104. Overeenkomstig art. 72, § 10, WIB, kan de aftrek voor pensioensparen niet samen met de permanente aandelenaftrek als bedoeld in art. 71, § 1, 8°, WIB genoten worden.
105. Volgens het Verslag aan de Koning bij het KB 22.12.1986 (BS 1.1.1987, p. 47) moet dit verbod wat gehuwden betreft als volgt worden begrepen (zie nrs. 18 en 33, circ. 5.2.1988, Ci.RH.26/387.538)
- voor het aj. 1987 : wanneer één der gehuwden de voorkeur geeft aan de permanente aandelenaftrek (maximaal 40.000 F verhoogd met 10.000 F voor de echtgenoot en voor iedere andere persoon ten laste) kunnen geen van beide echtgenoten een aftrek voor pensioensparen verkrijgen;
- vanaf het aj. 1988 : de regel van de niet-samenvoeging geldt voor elke echtgenoot afzonderlijk. Aldus kan de man de permanente aandelenaftrek doen gelden, terwijl de vrouw de aftrek voor pensioensparen mag toepassen, of omgekeerd; eerstbedoelde aftrek is vanaf dat aj. immers ook beperkt tot maximaal 20.000 F per echtgenoot.
VIII. BELASTINGSTELSEL, VAN DE TEGOEDEN, RENTEN, KAPITALEN, ENZ.
A. Belastbaarheid
106. Art. 32bis, WIB, geeft een omschrijving van de belastbare pensioenen, renten en de als zodanig geldende toelagen, kapitalen, enz.
Dit artikel is aangevuld door art. 3, KB 22.12.1986, ten einde er de tegoeden van spaarrekeningen en de pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen in op te nemen.
De in het kader van het pensioensparen gevormde tegoeden, renten, kapitalen, enz. verkrijgen aldus, ongeacht de wijze waarop ze worden uitgekeerd, de aard van belastbare bedrijfsinkomsten behorende tot de categorie van de pensioenen. Hierop zijn dan ook in principe alle voor dergelijke inkomsten geldende regels van toepassing (bv. geen aftrek van forfaitaire bedrijfslasten, speciale belastingvermindering indien ze gezamenlijk met de andere inkomsten worden verschuldigd van de BV, enz.).
B. Vrijstelling
107. De gewijzigde tekst van art. 32bis, WIB., bepaalt echter dat de in nr. 106 bedoelde gelden, die voortkomen van spaarrekeningen en - verzekeringen, van belasting vrijgesteld zijn indien de vrijstelling van de stortingen niet is op grond van art. 72, § 2, WIB (Onverminderd de toepassing van art. 11, 6° en 17, WIB in geval van uitkering van een rente (zie Com.IB nrs. 17/10 tot 13)).
108. Indien echter voor ten minste één storting vrijstelling is gevraagd en - als was het slechts gedeeltelijk - is verkregen, wordt het gehele spaartegoed, kapitaal, enz. belastbaar bij de betaling, toekenning of overdracht aan de belastingplichtige zelf of aan derden.
C. Belastingplichtige
109. De aanslag wordt steeds gevestigd op naam van de persoon of de personen aan wie de uitkeringen inzake pensioensparen toekomen.
110. In de praktijk worden de volgende gevallen onder scheiden :
Uitkeringen bij leven:
- in ieder geval moet de persoon die de spaarrekening heeft geopend of de -verzekering heeft gesloten, als belastingplichtige worden aangemerkt;
Uitkeringen bij overlijden:
- voor spaarverzekeringen zijn de in de polis aangewezen begunstigden belastingplichtig (in voorkomend geval elk voor zijn aandeel);
- voor spaarrekeningen worden de erfgenamen elk voor hun aandeel als belastingplichtige beschouwd.
D. Belastbaar tijdperk
111. De spaartegoeden, renten, kapitalen en afkoopwaarden zijn inkomsten van het belastbare tijdperk waarin ze aan de belastingplichtige zijn betaald of toegekend.
E. Met uitkeringen gelijkgestelde overdrachten
112. Art. 72, § 9, WIB, bepaalt dat sommige overdrachten van spaartegoeden of van technische reserves met een toekenning aan de belastingplichtige worden gelijkgesteld en dus eveneens aanleiding geven tot belastingheffing.
Het betreft de volgende overdrachten:
- alle gedeeltelijke overdrachten van tegoeden van spaarrekeningen of van technische reserves van spaarverzekeringen;
- alle volledige overdrachten van tegoeden van een individuele of collectieve spaarrekening naar een spaarverzekering;
- alle volledige overdrachten van technische reserves betreffende een spaarverzekering naar een individuele of collectieve spaarrekening.
113. De volgende volledige overdrachten worden niet met een uitkering gelijkgesteld en geven dan ook geen aanleiding tot belastingheffing (zie ook nr. 28) :
- van een collectieve spaarrekening bij een bepaalde instelling of onderneming naar een collectieve of een individuele spaarrekening bij een andere instelling of onderneming;
- van een individuele spaarrekening bij een bepaalde instelling of onderneming naar een individuele of een collectieve spaarrekening bij een andere instelling of onderneming;
- van een spaarverzekering bij een bepaalde onderneming naar een spaarverzekering bij een andere onderneming.
Uiteraard worden hier steeds contracten op naam van dezelfde belastingplichtige bedoeld.
114. Volledige overdrachten naar gelijksoortige contracten op naam van dezelfde belastingplichtige bij dezelfde instelling of onderneming zijn eveneens toegelaten, in afwijking van het bepaalde in nr. 26, daar in dergelijke gevallen de contracten die voor de overdracht bestonden, door deze overdracht ophouden te bestaan.
Ook de volledige overdracht van het spaartegoed dat een belastingplichtige heeft op zijn collectieve rekening naar een nieuwe op zijn naam te openen individuele rekening bij dezelfde instelling - en vice versa - is toegestaan.
F. Vertrek naar het buitenland
115. Wanneer een belastingplichtige die in aanmerking komt voor het belasten van zijn spaartegoed, kapitaal of afkoopwaarde tegen 16,5 pct. (zie nrs. 135 tot 141), zijn fiscale woonplaats voor de datum van betaling of toekenning overbrengt naar het buitenland, worden de desbetreffende sommen geacht te zijn uitgekeerd op de laatste dag waarop de beroepswerkzaamheid in België wordt uitgeoefend (art. 93, § 4, 2de lid, WIB).
116. Concreet betreft het personen die ten minste 65 jaar oud zijn, of die met brugpensioen zijn, of die ten hoogste vijf jaar voor de normale datum met pensioen gegaan zijn.
Als zij zich in het buitenland vestigen voor de datum van betaling of toekenning van het inkomen, wordt hun spaartegoed, kapitaal of afkoopwaarde wettelijk geacht te zijn toegekend op de laatste dag van hun beroepswerkzaamheid in België. Krachtens een wettelijke fictie ontstaat aldus op die dag de belastbaarheid van het inkomen, alsof de betrokkenen dat inkomen op dat tijdstip hadden geïnd.
117. Deze wettelijke fictie is niet van toepassing ten aanzien van personen die zich niet in een van de in nr. 116, 1ste lid bedoelde situaties bevinden (inzonderheid personen die geen 65 jaar oud zijn en nog een beroep uitoefenen en personen die meer dan 5 jaar voor de normale datum met pensioen gegaan zijn).
G. Vaststelling van het belastbare bedrag
1. Algemeen
118. Voor de kapitalen, afkoopwaarden en renten van spaarverzekeringen gelden de gewone regels. De bij contract tussen partijen bepaalde voordelen bij leven of bij overlijden zijn volledig belastbaar voor hun werkelijk bedrag (In de gevallen die bedoeld zijn sub nrs. 115 en 116 is het belastbare bedrag gelijk aan de afkoopwaarde of het kapitaal waarop de verzekerde aanspraak kan maken op de laatste dag van de beroepswerkzaamheid in België).
Wel moet worden vermeld dat de door verzekeringsondernemingen toegekende winstdeelnemingen niet belastbaar zijn.
119. Met betrekking tot individuele en collectieve spaarrekeningen wordt het belastbare bedrag bepaald volgens een wettelijke fictie, ongeacht het werkelijke rendement van de gespaarde sommen en de hoogte van het uiteindelijk uitgekeerde spaartegoed (art. 32bis, laatste lid, WIB).
120. Het belastbare bedrag van de spaartegoeden stemt in alle gevallen overeen met het bedrag dat voortvloeit uit de kapitalisatie tegen 6,25 pct. per jaar van alle op de rekening ingeschreven nettosommen.
121. De kapitalisatievoet van 6,25 pct. kan bij KB worden aangepast wanneer de technische kapitalisatievoet van 4,75 pct., die wordt gehanteerd inzake levensverzekeringen, zou wijzigen.
2. Spaarrekeningen
a) Te kapitaliseren bedrag
122. De meeste financiële instellingen en ondernemingen rekenen kosten aan bij de storting van sommen op spaarrekening. Het afgehouden bedrag (meestal 3 pct.) wordt "inschrijvingsrecht" genoemd; ook de benaming "toetredingskosten" wordt gebruikt.
Alleen deze werkelijk aangerekende inschrijvingsrechten of toetredingskosten mogen in mindering worden gebracht om de te kapitaliseren nettosommen te bepalen, met uitsluiting van administratie-, beurs- of beheerskosten.
Aldus kan met het bedrag van 20.000 F. (maximaal toegelaten storting) en een inschrijvingsrecht van 3 pct. slechts voor 19.400 F. worden deelgenomen in het G.B.F. Op dit bedrag wordt de kapitalisatievoet van 6,25 pct. toegepast.
123. Dezelfde regels gelden mutatis mutandis voor individuele spaarrekeningen.
b) Valutadatum voor stortingen en opnemingen
Algemene regels
124. De houder van een spaarrekening kan op elk ogenblik van het belastbare tijdperk één of meer stortingen doen. Ook opnemingen kunnen op elk ogenblik plaatshebben. Eenvoudshalve wordt zowel voor stortingen als voor opnemingen telkens een welbepaalde valutadata (dit is de datum waarop de looptijd aanvangt, resp. eindigt) in aanmerking genomen.
Voor stortingen wordt de valutadatum vastgesteld op 1 januari van het jaar na het jaar van storting (voor een storting op 3.12.1987 is de valutadatum dus 1.1.1988), terwijl als valutadatum voor een (gehele of gedeeltelijke) opneming steeds de laatste dag wordt genomen van het trimester waarin de opneming heeft plaatsgevonden (voor een opname op 6.10.1987 is de valutadatum 31.12.1987).
125. In de gevallen die bedoeld zijn sub nrs. 115 en 116 (vertrek naar het buitenland) wordt het belastbare bedrag bepaald alsof het spaartegoed werd vereffend op de laatste dag van de beroepswerkzaamheid in België.
Uitzondering
126. Voor stortingen voor 14.2.1987, die geacht worden in het jaar 1986 te zijn gedaan, is de valutadatum 1.1.1987 en niet 1.1.1988.
Voorbeeld
127. Gegevens Datum storting Bedrag 12.2.1987 20.000 F 12.8.1987 20.000 F 14.8.1988 20.000 F 11.8.1989 20.000 F 10.8.1990 20.000 F Uitkering op 13.1.1991. Aangerekende toetredingskosten : 3 pct. van de stortingen. Jaar Belastbaar bedrag Totaal bedrag 1986 19.400 (1) 1987 19.400 x 1,0625 = 20.613 +19.400 40.013 1988 40.013 x 1,0625 = 42.514 +19.400 61.914 1989 61.914 x 1,0625 = 65.784 +19.400 85.184 1990 85.184 x 1,0625 = 90.508 +19.400 109.908 1991 109.908 x (1 + 0,0625 x 3) (2) 111.625 -------------------------- 12 (1) Bedrag van de storting x 97 pct. (2) valutadatum van uitkering : 31.3.1991. c) Gedeeltelijke terugbetaling
128. Bij gedeeltelijke opneming van het spaartegoed is het onmogelijk mathematisch te bepalen van welke stortingen de opgenomen sommen voortkomen. Derhalve wordt een gedeeltelijke opneming steeds geacht verhoudingsgewijs op elke storting betrekking te hebben.
Om het opgenomen deel van het belastbaar tegoed te bepalen wordt het totale belastbare tegoed voorts vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de werkelijke opname en de noemer gelijk is aan het werkelijk gevormde spaartegoed.
Voorbeeld
129. Zelfde gegevens als in het voorbeeld sub nr. 27 maar op 31.12.1990 wordt 30.000 F opgevraagd. Het tegen 6,25 pct. per jaar gekapitaliseerde bedrag is gelijk aan : 109.908 F
Het werkelijk spaartegoed bedraagt BV : 113.257 F
Belastbaar bedrag : 109.908 x 30.000 ------- = 29.113 F 113.257 Vrijgestelde uitkering : (113.257 - 109.908) x 30.000 ------- = 887 F 113.257 --------- Totaal 30.000 F 3. Formaliteiten
130. De instellingen, ondernemingen, enz. die spaartegoeden, pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden uitbetalen of toekennen, zijn als schuldenaars van de BV gehouden individuele fiches nr. 281.15 en een samenvattende opgave nr. 325.15 op te stellen (zie ook nr. 142).
H. Gezamenlijke aanslag tegen het progressieve tarief
131. Als regel geldt dat spaartegoeden van spaarrekeningen en renten, kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen als pensioenen (art. 20, 5°en 32bis, WIB) in de gezamenlijke belastbare inkomsten worden opgenomen en dus tegen het gewone, progressieve tarief belast worden (weliswaar met toepassing van de belastingvermindering ingevolge art. 87ter, § 2, 1° of 2°, WIB).
132. Die regel is overigens algemeen van toepassing op uitkeringen van spaarverzekeringen die periodiek gebeuren in de vorm van rente.
133. De spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden worden niet aan de belastingheffing tegen de progressieve aanslagvoeten onderworpen indien voldaan is aan de voorwaarden, uiteengezet in de nrs. 135 tot 139.
134. Art. 93, § 1, 2°, i, WIB, voorziet alleen in afzonderlijke belastingheffing wanneer de spaartegoeden, kapitalen of afkoopwaarden "aan de rechthebbende" worden uitgekeerd. Hieruit volgt dat de belasting steeds tegen het progressieve tarief wordt geheven wanneer er een belastbare overdracht van spaartegoeden, renten, kapitalen of afkoopwaarden plaatsheeft (zie nrs. 112 tot 114).
I. Afzonderlijke aanslag tegen 16,5 pct
1. Voorwaarden
a) In verband met de verkrijger :
135. Krachtens art. 93, § 1, 2°, i, WIB, worden de spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, voor het belastbare tijdperk waarin zij zijn betaald of toegekend, in eenmaal belast tegen het tarief van 16,5 pct. mits de betaling ten vroegste gebeurt :
- ofwel wanneer de verkrijger (man of vrouw) de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
- ofwel ter gelegenheid van de pensionering van de betrokkene op de normale datum (d.w.z. wanneer zijn beroepsloopbaan wettelijk of statutair ten einde loopt);
- ofwel ter gelegenheid van de vervroegde pensionering van de betrokkene in één der vijf jaren die zijn normale pensioneringsdatum voorafgaan;
- ofwel ter gelegenheid van de brugpensionering van de betrokkene;
- ofwel bij overlijden van de houder van de rekening of van de verzekerde (betaling aan de rechthebbenden of begunstigden).
De afzonderlijke belastingheffing heeft wel te verstaan alleen plaats indien hij voor de belastingplichtige voordeliger is dan de belasting tegen de progressieve aanslagvoeten.
Dit geldt ook voor spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, genoten door in het 1ste lid bedoelde personen die hun fiscale woonplaats naar het buitenland overbrengen (zie nrs. 115 en 116).
In voornoemde wetsbepaling is sprake van "ten vroegste", wat inhoudt dat de afzonderlijke belastingheffing tegen 16,5 pct. slechts van toepassing is indien de betaling of toekenning niet vroeger gebeurt dan ter gelegenheid van één van de hiervoor opgesomde gebeurtenissen zij kan wel later, zonder verlies van het voordeel van de afzonderlijke belastingheffing, plaatsvinden.
b) In verband met de looptijd en de stortingen :
136. Onverminderd de in nr. 135 aangehaalde voorwaarde kan de afzonderlijke belastingheffing tegen 16,5 pct. slechts worden toegepast wanneer :
- de minimumlooptijd van het contract (10 jaar - zie nrs. 90 tot 93) werkelijk is verstreken;
- er ten minste tijdens vijf verschillende al dan niet opeenvolgende jaren stortingen zijn verricht, ongeacht het bedrag (wel te verstaan met een maximum van 20.000 F per jaar - de wet schrijft geen minimum voor);
- elke storting gedurende vijf jaar belegd is geweest.
2. Overlijden
137. Aan in nr. 136 opgesomde voorwaarden moet niet voldaan zijn in geval van uitkering bij overlijden van de spaarder.
138. Aan de sub 135 en 136 bedoelde voorwaarden moet evenmin voldaan zijn wanneer de uitkering van de spaarrekening bij leven het onvermijdelijke gevolg is van het overlijden van de echtgenoot. Ingevolge de wetsbepalingen inzake huwelijksvermogensstelsels, valt de spaarrekening van beide echtgenoten inderdaad soms in de gemeenschap. Het overlijden van één der echtgenoten kan dan leiden tot de gedwongen vereffening van de spaarrekening van de overlevende echtgenoot.
139. Aangezien het ter zake een gedwongen verrichting buiten de wil van de betrokkene betreft, is in zulk geval de afzonderlijke aanslag tegen 16,5 pct. van toepassing.
3. Belastingplichtigen die spaartegoeden of technische reserves hebben
overgedragen
140. Zoals hoger gezegd mogen de pensioenspaarders in verschillende belastbare tijdperken meerdere contracten inzake pensioensparen sluiten en er beurtelings stortingen opdoen.
In de regel zijn voor elk contract afzonderlijk vijf stortingen vereist (zie nr. 136).
Alleen bij volledige overdrachten die niet met een uitkering worden gelijkgesteld en dus geen aanleiding geven tot belastingheffing (zie nrs. 113 en 114) worden de stortingen op verschillende contracten samengeteld om te oordelen of aan de in nr. 136 gestelde voorwaarden voldaan is.
4. Overgangsmaatregel
141. Voor personen die voor 1.1.1932 geboren zijn gelden de in nr. 136 bedoelde voorwaarden niet (art. 9, § 4, KB 22.12.1986).
De drie voorwaarden waarvan sprake worden voor hen in feite door één enkele voorwaarde vervangen : op het tijdstip van de uitkering moet de wettelijk gestelde minimumlooptijd (5 jaar) van het contract verstreken zijn. Deze looptijd wordt berekend volgens de regels sub 90 tot 93.
IX. BEDRIJFSVOORHEFFING
142. Op de spaartegoeden, renten, kapitalen of afkoopwaarden is BV verschuldigd (zie ook nr. 130). De concrete regels ad hoc zijn bij KB 18.6.1987 (BS 26.6.1987, V. 1909 - B. 664) ingelast onder nr. 29bis van bijlage III, KB/WIB. Voor nadere gegevens daaromtrent wordt naar bedoelde tekst verwezen, die thans onder nr. 30 van voornoemde bijlage is opgenomen.
In de gevallen die bedoeld zijn sub nrs. 115 en 116 (vertrek naar het buitenland) moet de BV in principe gestort worden binnen de 15 dagen na het verstrijken van de maand waarin de betrokken belastingplichtige het land heeft verlaten.
De schuldenaars van de BV mogen in de praktijk het verschuldigde bedrag storten binnen de 15 dagen na het verstrijken van de maand waarin hen het vertrek naar het buitenland is medegedeeld, hetzij door de spaarder zelf, hetzij door de administratie.
Een speciaal drukwerk zal worden ontworpen om de vertrekken naar het buitenland, waarvan de administratie kennis krijgt en waarop het bovenstaande van toepassing kan zijn zo spoedig mogelijk aan de schuldenaars van de BV bekend te maken. Daaromtrent zullen later passende onderrichtingen worden verstrekt.
| X. | VRIJSTELLING VAN DE OPBRENGSTEN VAN SPAARREKENINGEN ALS ROEREND INKOMEN |
143. Art. 2, KB 22.12.1986 voegt een 10° toe aan art. 19 WIB Deze bepaling houdt in dat de inkomsten en opbrengsten van de beleggingen die door de in nr. 12 bedoelde G.B.F.'s of door houders van individuele spaarrekeningen worden verkregen, niet als roerende inkomsten worden aangemerkt.
144. Die vrijstelling geldt slechts voor inkomsten en opbrengsten van individuele of collectieve spaarrekeningen waarvoor aan de vrijstellingsvoorwaarden m.b.t. de stortingen voldaan is.
145. Tevens moet de aftrek van de stortingen in principe daadwerkelijk door de spaarder verkregen zijn. Om dubbele belasting te vermijden, blijft de vrijstelling echter behouden indien de aftrek van de stortingen ten minste voor één vroeger belastbaar tijdperk is toegestaan.
146. Indien de belastingplichtige tijdens een enkel belastbaar tijdperk op meer dan één rekening heeft gestort, geldt de vrijstelling als roerend inkomen slechts voor de opbrengsten van ten hoogste één rekening. De vrijstelling wordt ook gedeeltelijk geweigerd voor rekeningen waarop meer dan 20.000 F per jaar wordt gestort.
147. De sub 143 tot 146 bedoelde vrijstelling heeft vrijstelling van roerende voorheffing (RV) tot gevolg (zie KB 7.4.1987, V. 1899 - B. 662).
148. Indien blijkt dat die vrijstelling aan de bron ten onrechte is verleend wordt de RV in een later stadium op naam van de rekeninghouder ingekohierd. Dienaangaande zullen te gelegener tijd aanvullende richtlijnen worden verstrekt.
XI. INWERKINGTREDING
149. De bepalingen inzake het pensioensparen treden in werking met ingang van het aj. 1987, met dien verstande dat :
- de aftrek voor het aj. 1987 slechts kan worden verkregen indien de stortingen gedaan zijn voor 14.2.1987;
- de belastingheffing van de spaartegoeden, kapitalen, afkoopwaarden, pensioenen en renten in de praktijk ten vroegste toepassing kan vinden op uitkeringen in het jaar 1987.
De Minister,
Mark EYSKENS.
WETTELIJKE BEPALINGEN
WIB
Art. 6 - Het belastbaar inkomen wordt gevormd door de gezamenlijke netto-inkomsten van de volgende categorieën, verminderd met de in de artikelen 71 en 72 vermelde lasten
| 1° | inkomsten uit onroerende goederen; |
| 2° | inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen; |
| 3° | bedrijfsinkomsten; |
| 4° | diverse inkomsten. |
| 1° | tot 9° ... |
| 10° | onverminderd de toepassing van de artikelen 98 en 100, de inkomsten en opbrengsten van de in artikel 11 bedoelde roerende goederen en kapitalen, alsmede de loten van effecten van leningen als bedoeld in artikel 67, 5°, die worden verleend of toegekend aan in uitvoering van artikel 72, § 1, eerste lid, 1°, erkende gemeenschappelijke beleggingsfondsen, of aan houders van een in artikel 72, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde individuele spaarrekening voor wat betreft de in die rekening begrepen activa, voor zover de in artikel 72, §§ 2 en 3, gestelde voorwaarden zijn vervuld en de in artikel 72, § 2, bedoelde aftrek werd toegestaan. |
Art 32bis - Tot de in artikel 20, 5°, bedoelde inkomsten behoren, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger, de benaming en de wijze waarop ze worden vastgelegd en toegekend :
| 1° | de pensioenen en de lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede de als zodanig geldende toelagen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een in artikel 20, 1° tot 3°, bedoelde beroepswerkzaamheid of die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winsten, bezoldigingen of baten uitmaken; |
| 2° | de spaartegoeden gevormd door middel van stortingen op een in artikel 72, § 1, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde spaarrekening; |
| 3° | de pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van een spaarverzekering als bedoeld in artikel 72, § 1, eerste lid, 3°. |
De in het tweede lid genoemde pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden zijn evenwel vrijgesteld :
| 1° | indien en voor zover zij volgens de techniek van de aan de levensverzekering eigen individuele kapitalisatie en door voor 1 januari 1950 gestorte bijdragen zijn gevormd; |
| 2° | indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en waarvoor : |
| a) | hetzij de in artikel 54 bedoelde vrijstelling, hetzij de in artikel 87bis bedoelde belastingvermindering, niet werden verkregen; |
| b) | de vrijstelling krachtens artikel 15, eerste lid, van de wet van 13 juli 1959 werd geweigerd; |
| c) | aan die vrijstelling overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de voormelde wet of overeenkomstig artikel 434 werd verzaakt. |
In het in het eerste lid, 2°, bedoelde geval stemt het belastbaar bedrag overeen met het bedrag voortvloeiend uit de kapitalisatie tegen een rentevoet van 6,25 pct. per jaar van het totaal bedrag van de op die rekening ingeschreven nettosommen waarvoor de in artikel 72, § 2, bedoelde vrijstelling werd verkregen, waarbij de Koning die rentevoet kan aanpassen in functie van de wijzigingen van de technische voet van 4,75 pct., bepaald in artikel 28, 1°, a, van het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.
Art. 72 - § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
| 1° | collectieve spaarrekening, de delen van door de Minister van Financiën onder de door de Koning bepaalde voorwaarden erkende gemeenschappelijke beleggingsfondsen, aangeschaft door een in § 3, eerste lid, 1°, a, bedoelde belastingplichtige, met het oog op het vormen van een spaartegoed dat beschikbaar wordt in geval van leven of van overlijden; die delen worden op naam ingeschreven bij een van de in het tweede lid bedoelde instellingen of ondernemingen; |
| 2° | individuele spaarrekening, de door een in § 3, eerste lid, 1°, a, bedoelde belastingplichtige aangeschafte roerende waardenen, bijkomend, de op rekening gehouden bedragen, niet het oog op het vormen van een spaartegoed dat beschikbaar wordt in geval van leven of van overlijden; die waarden en die bedragen worden op naam ingeschreven bij een van de in het tweede lid bedoelde instellingen of ondernemingen; |
| 3° | spaarverzekering, de verzekering op zijn hoofd aangegaan door een in § 3, eerste lid, 1°, a, bedoelde belastingplichtige met het oog op het vestigen van een pensioen, van een rente of van een kapitaal in geval van leven of van overlijden, bij een verzekeringsonderneming die toegelaten is voor de uitoefening van de activiteit "leven" overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. Die onderneming mag, voor ieder van die belastingplichtigen, slechts één enkel spaarverzekeringscontract afsluiten en geen stortingen in ontvangst nemen die meer bedragen dan die bepaald in § 2, tweede lid. De hiernavolgende instellingen of ondernemingen zijn gerechtigd |
| 1° | de Belgische en buitenlandse banken die ingeschreven zijn op de lijst der banken, opgesteld in uitvoering van artikel 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935; |
| 2° | de Belgische openbare kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 185; |
| 3° | de privé-spaarkassen die aan de controle van de Bankcommissie zijn onderworpen; |
| 4° | de kredietkassen erkend door het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet, de kredietverenigingen erkend door de Nationale Kas voor Beroepskrediet, de plaatselijke handelsvennootschappen en de gewestelijke of beroepsfederaties van deze vennootschappen. die machtiging bezitten om krachtens de wet van 29 maart 1929 kredieten voor ambachtelijke outillering te verlenen; |
| 5° | de kapitalisatieondernemingen die onder het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 vallen. |
De in het tweede lid bedoelde instellingen of ondernemingen mogen, per persoon, slechts één enkele collectieve spaarrekening of één enkele individuele spaarrekening openen en geen stortingen in ontvangst nemen die meer bedragen dan die bepaald in § 2, tweede lid.
§ 2. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 bedoelde categorieën worden afgetrokken, de bedragen die definitief, buiten elke wettelijke verplichting om, in België worden gestort :
| 1° | of wel aan een in § 1, tweede lid, bedoelde instelling of onderneming, voor de vestiging van een collectieve spaarrekening; |
| 2° | of wel aan een in § 1, tweede lid, bedoelde instelling of onderneming, voor de vestiging van een individuele spaarrekening; |
| 3° | ofwel aan een in § 1, eerste lid, 3°, bedoelde onderneming, als premies van een spaarverzekering. |
De in het eerste lid bedoelde stortingen mogen, tijdens een zelfde belastbaar tijdperk, slechts worden verricht voor één enkele collectieve spaarrekening of één enkele individuele spaarrekening of één enkele spaarverzekering en bij één enkele in § 1, eerste lid, 3°, of tweede lid, bedoelde instelling of onderneming, naargelang het geval.
§ 3. De aftrek van de in § 2 bedoelde stortingen wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat :
| 1° | de collectieve spaarrekening of de individuele spaarrekening is geopend of de spaarverzekering is aangegaan : |
| a) | door een aan de personenbelasting onderworpen persoon vanaf de leeftijd van 18 jaar en voor de leeftijd van 65 jaar; |
| b) | voor een minimumlooptijd van tien jaar; |
| 2° | de voordelen van de collectieve spaarrekening, van de individuele spaarrekening of van de spaarverzekering bedongen zijn bij het aangaan van het contract; |
| a) | in geval van leven, ten bate van de belastingplichtige zelf; |
| b) | in geval van overlijden, ten bate van de echtgenoot of van de bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige. |
- de uitkering van de spaartegoeden, kapitalen of afkoopwaarden die aanleiding heeft gegeven tot de afzonderlijke belasting als bepaald in artikel 93, § 1, 2°, i, heeft plaatsgehad, behoudens indien die uitkering het gevolg is van het overlijden van de belastingplichtige;
- de in het eerste lid, 1°, a, bedoelde persoon de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.
De in § 1 bedoelde instellingen en ondernemingen zijn ertoe gehouden de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis te stellen :
| a) | van de opening van een spaarrekening of van het aangaan van een spaarverzekering; |
| b) | van het jaarbedrag van de stortingen die de houder ervan heeft gedaan. |
| 1° | voor ten minste 30 pct. in aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van vennootschappen naar Belgisch recht; |
| 2° | in obligaties, luidend in Belgische frank, uitgegeven of onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interesten, door de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties van gemeenten, de gemeenten en andere openbare inrichtingen of instellingen; |
| 3° | in obligaties of kasbons, luidend in Belgische frank, met een looptijd van meer dan één jaar, uitgegeven door Belgische publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen of in gelddeposito's in Belgische frank met een looptijd van meer dan één jaar; |
| 4° | in vastgoedcertificaten of in hypothecaire leningen met betrekking tot in België gelegen onroerende goederen; |
| 5° | voor ten hoogste 10 pct. in buitenlandse, op een Belgische beurs genoteerde roerende waarden of in delen van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die erkend zijn door de Bankcommissie; |
| 6° | voor ten hoogste 10 pct. in tegoeden op rekening in Belgische frank bij één van de in § 1, tweede lid, bedoelde instellingen of ondernemingen. |
§ 5. Bij de opening van een individuele spaarrekening moet de houder ervan aan de instelling of onderneming waarbij zij wordt geopend, de schriftelijke verbintenis overleggen om de op zijn rekening geboekte sommen, alsmede de terugbetalingen en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden, te beleggen op de wijze en in de verhoudingen als omschreven in § 4. Die belegging moet geschieden binnen de twee maanden die volgen op de storting of de terbeschikkingstelling van de bedragen.
Het naleven van die verbintenis moet, ten laatste op de dag van de storting, blijken uit de overlegging van een schriftelijke beleggingsopdracht aan de instelling of onderneming waaraan de storting is verricht.
De houder van een individuele spaarrekening mag evenwel aan de instelling of onderneming, waarbij die rekening is geopend, volmacht geven om de op zijn rekening geboekte sommen te beleggen op de wijze en volgens de verhoudingen als omschreven in § 4.
Wanneer de in het tweede lid bedoelde geschreven opdracht niet wordt overgelegd, of wanneer de in die opdracht vermelde belegging niet overeenstemt met die bepaald in § 4, of nog, wanneer geen in het vorige lid bedoelde volmacht is gegeven, mag de verrichte storting niet op de individuele spaarrekening worden geboekt.
De inkomsten uit de individuele spaarrekening moeten, na aftrek van de lasten, volledig worden belegd in de waarden en de rekening als omschreven in § 4, eerste lid, met uitsluiting van die bedoeld in 5° van hetzelfde lid.
De Koning bepaalt de wijze waarop de toepassing van deze paragraaf wordt nagegaan.
§ 6. De dekkingswaarden van de technische reserves betreffende de activiteiten van de spaarverzekering moeten tot de in § 4 bedoelde beleggingscategorieën behoren en overeenstemmen met de erin vermelde verhoudingen.
§ 7. De in § 2 bedoelde aftrek van de gestorte bedragen wordt verricht op de inkomsten van het belastbaar tijdperk waarin de stortingen hebben plaatsgehad.
Die aftrek wordt slechts verleend indien de belastingplichtige, tot staving van zijn aangifte van het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek is verricht, een attest voorlegt waarvan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde het model vastlegt.
§ 8. De Koning bepaalt de wijze waarop de in § 2 gestelde aftrek wordt verricht op de verschillende in artikel 6 bedoelde inkomstencategorieën.
§ 9. De overdracht van de waarde van de delen van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen opgenomen in een collectieve spaarrekening of de waarde van de activa begrepen in een individuele spaarrekening naar een spaarverzekering, alsmede de overdracht van het kapitaal of de afkoopwaarde van een spaarverzekering naar een collectieve of individuele spaarrekening, alsook enigerlei gedeeltelijke overdracht, geven aanleiding tot het heffen van belasting overeenkomstig artikel 32bis.
§ 10. De aftrek bedoeld in § 2 kan niet worden samengevoegd met die bedoeld in artikel 71, § 1, 8°.
Art. 93. - § 1. In afwijking van de artikelen 77 tot 91, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de bedoelde artikelen op het geheel der belastbare inkomsten
........
2° tegen een aanslagvoet van 16,5 pct.
.......
i) de in artikel 32bis, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd ten vroegste, hetzij op de leeftijd van 65 jaar, hetzij ter gelegenheid van zijn pensionering op de normale datum of in één der vijf jaren die aan die datum voorafgaan, hetzij ter gelegenheid van zijn brugpensionering, hetzij ter gelegenheid van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
§ 2. Om het belastbare bedrag van de in § 1 bedoelde inkomsten te bepalen, worden de artikelen 54 tot 63, 71 en 72 niet toegepast.
........
§ 4. De toepassing van § 1, 2°, i, is, behoudens in geval van overlijden, afhankelijk van de volgende voorwaarden :
| 1° | dat de in artikel 72, § 3, eerste lid, 1°, b, bepaalde minimumlooptijd van tien jaar verstreken is; |
| 2° | dat de belastingplichtige gedurende ten minste vijf belastbare tijdperken stortingen heeft verricht op een collectieve spaarrekening of op een individuele spaarrekening of als premie van een spaarverzekering; |
| 3° | dat elke storting gedurende ten minste vijf jaar belegd blijft. In de gevallen dat de in § 1, 2°, i, bedoelde rechthebbende zijn |
KB 22.12.1986 (V. 1877 - B. 658)
| Art. | 9 § 1. Dit besluit is van toepassing : |
2° met betrekking tot artikel 2, op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt;
3° met betrekking tot artikel 4, met ingang van het aanslagjaar 1988;
4° met betrekking tot artikel 6, op de spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden die zijn opgenomen of vereffend met ingang van de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
§ 2. In afwijking van artikel 71, § 2, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, ingevoegd bij artikel 4 van dit besluit, wordt het bedrag van 40.000 frank evenwel beperkt tot 20.000 frank.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dat bedrag van 20.000 frank verhogen.
§ 3. In afwijking van artikel 72, §1, eerste lid, 3°, en vierde lid, en § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 5 van dit besluit, wordt het bedrag van 40.000 frank beperkt tot 20.000 frank.
Bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de Koning het bedrag van 20.000 frank verhogen. Die verhoging is niet van toepassing voor de personen die of wel in artikel 54, 2°, a, van hetzelfde Wetboek, bedoelde bijdragen van hun totaal bedrijfsinkomen aftrekken of ten gunste van wie in artikel 45, 3°, b, van hetzelfde Wetboek, bedoelde bijdragen worden gestort of in artikel 45, 6, van hetzelfde Wetboek, bedoelde voordelen worden voorzien of wel, gelet op hun uitgeoefend hoofdberoep, in de toekomst aanspraak kunnen maken op een pensioen of een aanvullend pensioen ten laste van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de gemeenten, alsmede de vennootschappen, verenigingen, instellingen of organismen naar publiek recht.
Hij kan tevens, bij in Ministerraad overlegd besluit, de lijst opstellen van de in liet tweede lid bedoelde lichamen.
§ 4. In afwijking van artikel 72, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 5 van dit besluit, wordt de in diezelfde § 3, eerste lid, 1°, b, bedoelde minimumlooptijd verminderd tot vijf jaar voor de personen die op 31 december 1986 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.
In afwijking van artikel 93, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 6 van dit besluit is, in dit geval, de toepassing van § 1, 2°, i, van dat artikel 93 afhankelijk van de voorwaarde dat de minimumlooptijd van vijf jaar is verstreken.
§ 5. In afwijking van artikel 72, § 7, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 5 van dit besluit, worden de voor 14 februari 1987 verrichte, in § 2, van hetzelfde artikel 72 bedoelde en overeenkomstig 3 van dit artikel beperkte stortingen geacht te zijn gedaan tijdens het jaar 1986.
KB 10.1.1987 (V. 1878 - B. 659)
Art. 1. § 1. Tot staving van haar aanvraag tot erkenning van een Belgisch gemeenschappelijk beleggingsfonds voor de toepassing van artikel 72, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, moet de beheermaatschappij overleggen :
| 1° | een attest afgeleverd door de Bankcommissie volgens hetwelk : |
| a) | de aanvragende vennootschap is erkend om één of meer gemeenschappelijke beleggingsfondsen te leiden en te beheren; |
| b) | het beheerreglement van het fonds waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Commissie is neergelegd overeenkomstig artikel 3, § 1, van het besluit van de Bankcommissie van 18 maart 1986; |
3° de lijst van de aandeelhouders van de beheermaatschappij en van ieders deelneming in het maatschappelijk kapitaal;
4° indien zij bestaan, de drie laatste jaarrekeningen van de beheermaatschappij;
5° de naam, voornamen, woonplaats en nationaliteit van de bestuurders, directeurs of andere personen die met het dagelijks beheer van de beheermaatschappij zijn gelast;
6° de verbintenis van de beheermaatschappij de activa van het fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de lasten te beleggen overeenkomstig de wet van 27 maart 1957 betreffende de gemeenschappelijke beleggingsfondsen en tot wijziging van het Wetboek der zegelrechten en het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en met inachtneming van de verplichtingen van artikel 72, § 4, van hetzelfde Wetboek;
7° de naam, voornamen en woonplaats van een door de Bankcommissie erkend revisor die volledige toegang heeft tot om het even welke bescheiden en geschriften van de beheermaatschappij alsmede tot die van de bewaarnemer die betrekking hebben op de bewaargevingen van effecten en waarden van het fonds, waarbij de bewaarnemer zich akkoord verklaart met die vrije toegang;
8° een attest van de bewaarnemer van het fonds, houdende een omschrijving van de plichten die hij voor rekening van de deelnemers in het fonds nakomt en van de eventuele waarborgen die hij heeft aanvaard hen te geven, en waarin hij de verbintenis aangaat om alle wijzigingen die ter zake zouden intreden mede te delen.
§ 2. Om het erkenningsdossier doorlopend te kunnen bijwerken, licht de beheermaatschappij de Minister van Financiën onverwijld in over de wijzigingen die moeten worden gebracht aan de tot staving van de aanvraag medegedeelde bescheiden en zendt hem de jaarrekening zodra die door de algemene vergadering is goedgekeurd.
Art. 2 § 1. Het naleven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 72, § 4, van hetzelfde Wetboek, wordt nagegaan op grond van de in § 2 van dit artikel bedoelde bescheiden die door de beheermaatschappij ten laatste een maand na het einde van ieder volledig kalenderkwartaal sedert de erkenning van het fonds, ondertekend door een of meer personen die verantwoordelijk zijn voor het dagelijks beheer van de beheermaatschappij van het fonds en zonder enig voorbehoud gewaarmerkt door de in artikel 1, § 1, 7°, bedoelde erkende revisor, bij de Minister van Financiën worden ingediend.
§ 2. De in § 1 bedoelde bescheiden worden gevormd door de gedetailleerde toestand van het fonds zoals die is opgesteld op het einde van de laatste bankwerkdag van iedere maand die deel uitmaakt van ieder kalenderkwartaal.
Die bescheiden geven de gedetailleerde samenstelling van het fonds op het einde van de maand, de waardering van ieder activum respectievelijk van het geheel van de activa overeenkomstig de in § 3 vermelde regels, enerzijds in kapitaal, anderzijds in inkomsten, evenals de netto inschrijvingen in kapitaal bij het fonds voor ieder van de drie voorgaande maanden.
§ 3. De methodes tot waardering van de activa van het fonds stemmen overeen met die welke zijn voorgeschreven door artikel 24, tweede tot vijfde lid, van het besluit van 18 maart 1986 van de Bankcommissie; de methode tot waardering van de niet genoteerde activa moet bijzonder door de aangenomen revisor zijn aanvaard.
§ 4. De verplichtingen bedoeld in artikel 72, § 4, van hetzelfde Wetboek worden beschouwd als nageleefd indien uit de in § 1 en § 2 bedoelde bescheiden blijkt :
| a) | dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal van de aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van vennootschappen naar Belgisch recht hoger is dan 30 pct. van de refertewaarde van het fonds; |
| b) | dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal, enerzijds, van de buitenlandse, op een Belgische beurs genoteerde waarden en de delen van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die erkend zijn door de Bankcommissie, en anderzijds, van de tegoeden op rekening in Belgische frank bij een van de in artikel 72, § 1, tweede lid van hetzelfde Wetboek bedoelde instellingen of ondernemingen, niet hoger is dan 10 pct. van de refertewaarde van het fonds; |
| c) | dat de refertewaarde van het fonds die dient om de in a en b van deze paragraaf bedoelde coëfficiënten te meten, voor ieder kalenderkwartaal wordt bepaald door de gemiddelde waarde in kapitaal van het fonds te verminderen met een derde van de waarde in kapitaal van de netto inschrijvingen bij het fonds tijdens de derde maand die voorafgaat aan het kalenderkwartaal waarvoor de refertewaarde wordt berekend, met twee derden van de netto inschrijvingen tijdens de tweede maand die het betrokken kwartaal voorafgaat en met het totaal van dezelfde inschrijvingen tijdens de maand die hetzelfde kalenderkwartaal voorafgaat. Art. 3 § 1. De erkenning van het fonds wordt ingetrokken |
2° indien de zaakvoerder zijn functies beëindigt, behalve indien hij maatregelen neemt opdat het beheer van het fonds zonder onderbreking zou kunnen worden verdergezet door een andere beheermaatschappij die door de Bankcommissie is erkend;
3° indien de zaakvoerder de in artikel 1, § 2, bedoelde bescheiden en inlichtingen niet mededeelt;
4° indien uit de in artikel 2 bedoelde bescheiden blijkt dat de zaakvoerder de aangegane verbintenissen niet naleeft.
De Minister van Financiën kan evenwel op gemotiveerd verzoekschrift van de zaakvoerder een uitstel van ten hoogste drie maanden verlenen om de vastgestelde ontoereikendheid recht te zetten.
§ 2. Van de intrekking van de erkenning en van de toekenning van het in § 1, tweede lid, bedoelde uitstel, wordt kennis gegeven aan de beheermaatschappij, aan de Bankcommissie, aan de bewaarnemer en aan de in artikel 1, § 1, 7°, bedoelde revisor.
§ 3. De Bankcommissie geeft aan de Minister van Financiën onverwijld kennis van de beslissingen waarmee zij een einde stelt aan de erkenning van een beheermaatschappij en van de beslissing van de zaakvoerder van een fonds om zijn functies neer te leggen.
Art. 4. De toekenning en de intrekking van de erkenning worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 5. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
+ ----------------------------------------------------------------------+ | Pensioensparen Attest | +----------------------------------------------------------------------+ |1.Collectieve spaarrekening (*) |7.Benaming en adres van de | | Benaming : | instelling of onderneming die de | |2.individuele spaarrekening(*) | spaargelden heeft ontvangen : | |3.Spaarverzekering(*) | | +----------------------------------+-----------------------------------+ |4.Nr. van de rekening of polis : |8.Naam en voornamen : ............ | | ............................... | Echtgenote van : ............... | +----------------------------------| Straat en nr./Bus : ............ | |5.Datum van de opening van de | Postnr. en gemeente :........... | | rekening of het aangaan van de | Geboortedatum : ................ | | polis ......................... | | +----------------------------------+-----------------------------------+ |6. Stortingen |9.De onder rubriek 7 vermelde | | +-------------+-------------+ | instelling of onderneming dat, | | | a) jaar | b) bedrag | | wat haar betreft, aan alle | | +-------------+-------------+ | wettelijke bepalingen inzake | | | | | | pensioensparen is voldaan. | | +-------------+-------------+ | | |(*) het overbodige doorhalen | | | 281.60 | | +----------------------------------------------------------------------+
Bron: FisconetPlus
