Circulaire 2018/C/42 betreffende de wijzigingen van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
Wijzigingen van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
DAVO; uitbreiding toegang; schorsing recht op voorschotten; dwangbevel; stuiting; beroepsmogelijkheden; terugvordering lastens onderhoudsgerechtigde; elektronisch vereenvoudigd derdenbeslag; wettelijke hypotheek; schorsing; inlichtingen; bewijskracht; beroepsgeheim
FOD Financiën, 09.04.2018
Algemene administratie van de inning en invordering
II.Bespreking van de belangrijkste wijzigingen
De tegemoetkoming van de Dienst voor alimentatievorderingen
a. Uitbreiding van de toegang tot de DAVO
b. Recht op voorschotten op onderhoudsgeld
c. Aanvraagformulier en materiële bewijsstukken
d. Beroepsmogelijkheid voor de onderhoudsplichtige na de ingebrekestelling
e. Schorsing van het recht op voorschotten
a. Kennisgeving dwangbevel bij aangetekende brief – stuiting verjaring
b. Beroepsmogelijkheid voor de onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar na het dwangbevel
c. Terugvordering ten laste van de onderhoudsgerechtigde
a. Elektronisch vereenvoudigd derdenbeslag
b. Wettelijke hypotheek van de Schatkist
c. Schorsing van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing
d. Schorsing van de verjaring door de instelling van een rechtsgeding
e. Inlichtingen die moeten worden verstrekt aan de DAVO
f. Bewijskracht van gegevens en documenten
I. Inleiding
De wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie (BS 30.03.2018) wijzigt een aantal bepalingen van de wet van 21 februari 2003[1].
Deze wijzigingen beogen voornamelijk de uitbreiding van de toegang tot de Dienst voor alimentatievorderingen en het eenvormig maken van het invorderingsproces van de alimentatievorderingen.
De wetswijzigingen hebben tevens de harmonisatie met het invorderingsproces van de niet-fiscale schuldvorderingen tot doel, waarvan de invordering wordt geregeld door de domaniale wet van 22 december 1949.
II. Bespreking van de belangrijkste wijzigingen
De tegemoetkoming van de Dienst voor alimentatievorderingen
a. Uitbreiding van de toegang tot de DAVO[2]
Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming van de DAVO, moest de onderhoudsgerechtigde beschikken over één van drie categorieën van uitvoerbare titels vermeld in de wet van 21 februari 2003[3].
Door de wetswijziging worden de drie categorieën van uitvoerbare titels vervangen door de algemene benaming ‘uitvoerbare titel’. Hierdoor krijgen ook (ex-)samenwonenden die in het bezit zijn van een notariële akte waarin onderhoudsgeld werd vastgesteld toegang tot de DAVO.
b. Recht op voorschotten op onderhoudsgeld[4]
Voor de toekenning van voorschotten, wordt een bijkomende voorwaarde toegevoegd: voor een meerderjarig kind wordt het recht op voorschotten op onderhoudsgeld enkel toegekend voor zover dit kind nog recht geeft op kinderbijslag.
c. Aanvraagformulier en materiële bewijsstukken[5]
Met het gebruik van het webformulier wordt de voorwaarde om het aanvraagformulier in twee exemplaren in te dienen opgeheven. Eén exemplaar van het aanvraagformulier is voldoende.
Voor meerderjarige kinderen dienen voortaan ook de materiële bewijsstukken toegevoegd te worden die bewijzen dat het kind recht geeft op kinderbijslag.
d. Beroepsmogelijkheid voor de onderhoudsplichtige na de ingebrekestelling[6]
De onderhoudsplichtige heeft voortaan de mogelijkheid om beroep bij de beslagrechter aan te tekenen, wanneer hij bij aangetekende brief in kennis wordt gesteld dat de DAVO in de plaats van de onderhoudsgerechtigde overgaat tot inning en invordering van het onderhoudsgeld en van de achterstallen. Dit beroep moet binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf deze kennisgeving worden ingesteld.
e. Schorsing van het recht op voorschotten[7]
Het recht op voorschotten op onderhoudsgeld wordt toegekend voor een periode van zes maanden. Deze periode kan meermaals worden verlengd met een nieuwe periode van zes maanden, voor zover de onderhoudsgerechtigde nog voldoet aan de wettelijke voorwaarden.
Bijkomend krijgt de DAVO de mogelijkheid om het recht op voorschotten te schorsen, indien de onderhoudsgerechtigde niet binnen een termijn van dertig dagen vanaf het verzoek tot verlenging, de nodige materiële bewijsstukken bij de DAVO indient.
De schorsing neemt een einde wanneer de onderhoudsgerechtigde de nodige materiële bewijsstukken bij de DAVO indient.
De onderhoudsgerechtigde kan beroep aantekenen door middel van een verzoekschrift bij de beslagrechter tegen een ongunstige beslissing van de Dienst inzake de verlenging van de periode van zes maanden of inzake de schorsing van het recht op voorschotten. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van deze beslissingen.
De inning en de invordering
a. Kennisgeving dwangbevel bij aangetekende brief – stuiting verjaring[8]
Deze nieuwe bepaling verleent een stuitende werking aan de kennisgeving van het dwangbevel bij aangetekende brief.
De verjaring wordt gestuit op het ogenblik van de afgifte ter post van deze kennisgeving.
b. Beroepsmogelijkheid voor de onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar na het dwangbevel[9]
De onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel stuiten door een vordering in rechte in te stellen bij de beslagrechter.
Deze mogelijkheid bestaat reeds in het gemeen recht (artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek), maar wordt nu uitdrukkelijk vermeld in de wet.
c. Terugvordering ten laste van de onderhoudsgerechtigde[10]
De ontvanger kan de volledige of de gedeeltelijke terugbetaling van elke ten onrechte uitbetaalde som vorderen van de onderhoudsgerechtigde overeenkomstig de bepalingen van de domaniale wet van 22 december 1949.[11]
Dit houdt in dat, in geval van terugvordering van onterecht uitbetaalde sommen aan de onderhoudsgerechtigde, het individueel dwangbevel wordt vervangen door een bijzonder kohier, dat wordt opgemaakt door een geautomatiseerd systeem.
De invorderingsmaatregelen voorzien in de domaniale wet zijn eveneens van toepassing bij de terugvordering lastens de onderhoudsgerechtigde.
Bepalingen met betrekking tot de inning en de invordering – Harmonisatie met de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen
De onderstaande wijzigingen beogen het eenvormig maken van de reglementering met het invorderingsproces van de niet-fiscale schuldvorderingen. De invorderingsmaatregelen voorzien in de domaniale wet, worden in de huidige wet hernomen.
a. Elektronisch vereenvoudigd derdenbeslag[12]
Voortaan kan er door de ontvanger uitvoerend beslag onder derden worden gelegd d.m.v. een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden.
Een beslag onder derden kan enkel elektronisch worden verzonden wanneer een voorafgaand akkoord wordt gesloten tussen de FOD Financiën en de derde-beslagene.
Dergelijk beslag onder derden heeft uitwerking vanaf de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene.
Bij gebrek aan een gekende woonplaats van de onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar, wordt het beslag onder derden bij aangetekend schrijven aangezegd aan de procureur des Konings te Brussel.
De kosten voor de aangetekende brieven (beslag, aanzegging en tegenaanzegging van het beslag onder derden) zijn ten laste van de onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar.
In bepaalde gevallen dient de ontvanger over te gaan tot een gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek.
b. Wettelijke hypotheek van de Schatkist[13]
In navolging van wat reeds bestaat in niet-fiscale zaken, wordt er een specifieke waarborgmaatregel, de wettelijke hypotheek van de Schatkist, toegekend aan de ontvanger om de invordering van de DAVO-schuldvorderingen te waarborgen.
De schuldvordering wordt gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op alle in België gelegen en voor hypotheek vatbare goederen van de onderhoudsplichtige en de medeschuldenaar.
De inschrijving van de wettelijke hypotheek kan worden gevorderd vanaf de kennisgeving of de betekening van het uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel, overeenkomstig artikel 13 van de wet van 21 februari 2003.
De kosten van de hypothecaire formaliteiten in verband met de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar.
c. Schorsing van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing[14]
De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing, met betrekking tot de maatregelen welke er, zelfs gedeeltelijk, toe strekken de invordering van de schuldvordering te verwezenlijken of te waarborgen.
Deze bepaling vermijdt dat de DAVO gedwongen wordt om handlichting te verlenen en/of gelden vrij te geven indien in een rechterlijke beslissing de opheffing van een beslag en/of een veroordeling tot teruggave van gelden wordt bevolen, zolang het geschil niet definitief beëindigd is.
d. Schorsing van de verjaring door de instelling van een rechtsgeding[15]
Elk rechtsgeding met betrekking tot de inning of de invordering van de schuldvordering dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de onderhoudsplichtige of door elke medeschuldenaar, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.
e. Inlichtingen die moeten worden verstrekt aan de DAVO[16]
In navolging van wat reeds bestaat in niet-fiscale zaken, worden aan de DAVO onderzoeksbevoegdheden toegekend om de invordering te verzekeren van de schuldvorderingen in het kader van de toepassing van de wet van 21 februari 2003.
Overeenkomstig het beginsel van de unieke gegevensverzameling[17] (“Only Once”) kan de DAVO niettemin slechts overgaan tot aanwending van haar onderzoeksbevoegdheden na uitputting van de andere middelen waarover ze beschikt. Bijgevolg zal ze eerst moeten verifiëren of de op te zoeken inlichtingen reeds voorkomen in een dossier of bestand aangelegd door haar eigen of door een andere administratie, alvorens over te gaan tot onderzoeken bij de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar of bij derden.
Deze bepalingen regelen vooreerst de plicht tot medewerking van derden uit de publieke sector om inlichtingen te verstrekken over de vermogenssituatie van de onderhoudsplichtige of van een medeschuldenaar. Het betreft zowel het inzagerecht als het recht om afschriften en uittreksels te laten nemen.
De DAVO kan daarnaast de inlichtingen of de gegevensbanken die beschikbaar zijn bij de FOD Financiën consulteren en inroepen die, rekening houdend met haar functie, nuttig kunnen zijn voor de invordering van de schuldvorderingen.[18]
Tot slot wordt er aan de DAVO zowel een mondeling als een schriftelijk vraagrecht toegekend. Dit vraagrecht maakt het mogelijk van de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar zelf of van een derde alle inlichtingen te vorderen met het oog op het bepalen van de vermogenstoestand van de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar. Dit vraagrecht mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk, en moet in het licht van de feitelijke omstandigheden eigen aan elk geval worden beoordeeld.
De DAVO kan, mits machtiging van een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal, aan het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens (rekeningnummers en contracten waarover hij beschikt in alle bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen) betreffende een onderhoudsplichtige of medeschuldenaar vragen.[19]
f. Bewijskracht van gegevens en documenten[20]
Voortaan zal de DAVO, net zoals voor de papieren documenten, de gedigitaliseerde afschriften van de stukken uit het invorderingsdossier van een onderhoudsplichtige of medeschuldenaar kunnen gebruiken als bewijs bij de invordering van een schuld. Deze nieuwe bepaling geeft dus een wettelijke basis aan de geleidelijke afschaffing van het papieren invorderingsdossier ten voordele van de digitale versie.
g. Beroepsgeheim[21]
De ambtenaren van de DAVO zijn echter niet gehouden tot geheimhouding wanneer zij aan de administratieve diensten van de Staat, aan de parketten en de griffies van alle rechtsmachten, aan de gemeenschappen en de gewesten, en aan de openbare instellingen en de inrichtingen, inlichtingen verstrekken welke voor die diensten nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wettelijke of reglementaire bepalingen.
De ambtenaren van de DAVO zijn eveneens niet gehouden tot geheimhouding wanneer zij met betrekking tot de schuld van een onderhoudsplichtige, een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling inwilligen van een medeschuldenaar.
III. Inwerkingtreding
De bepalingen van de wet van 26 maart 2018 treden in werking op 9 april 2018.
[1] Wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
[2] Artikel 99
[3] De uitvoerbare gerechtelijke beslissing, de overeenkomst bedoeld in artikel 1288, 3° of 4° van het Gerechtelijk Wetboek en de uitvoerbare schikking bedoeld in de artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 2 wet 21 februari 2003)
[4] Artikel 101
[5] Artikel 103
[6] Artikel 106
[7] Artikel 108
[8] Artikel 112
[9] Artikel 113
[10] Artikel 115
[11] Artikel 116
[12] Artikel 119
[13] Artikel 120
[14] Artikel 121
[15] Artikel 122
[16] Artikel 124
[17] Wet van 5 mei 2014 houdende verankering van het principe van de unieke gegevensinzameling in de werking van de diensten en instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de overheid en tot vereenvoudiging en gelijkschakeling van elektronische en papieren formulieren.
[18] Artikel 125
[19] Artikel 126
[20] Artikel 128
[21] Artikel 130
