Aanschrijving nr. 15 dd. 02.10.1974
AANSCHRIJVING 74/015
Aanschrijving nr. 15 dd. 02.10.1974
Agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen
Wijze van betaling van de belasting.
1. Deze aanschrijving heeft tot doel de wijzigingen bekend te maken die op het stuk van de BTW zijn gebracht in de regeling toepasselijk op agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen 1973-1974, wet die namelijk het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wijzigt.
Deze aanschrijving voert anderdeels een bijzondere wijze van betaling in van de belasting die, in bepaalde gevallen, verschuldigd is op de vergoeding van die agentschappen.
Belastingplicht van de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen.
2. Overeenkomstig artikel 61, § 2, 1° (nieuw), van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (z. art. 15 van de bovengenoemde wet van 28 december 1973), wordt het aannemen van "onderlinge" weddenschappen op paardenwedrennen die in België plaatshebben voortaan voorbehouden aan de inrichter van de koers waarop de weddenschap wordt aangegaan.
De agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen mogen bijgevolg voor eigen rekening geen weddenschappen meer aanvaarden op Belgische koersen, maar zij mogen weddenschappen inzamelen met het akkoord en voor rekening van de inrichter van de "onderlinge" weddenschappen.
3. Als vergoeding voor hun tussenkomst nemen de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen een commissie vooraf op het totaal bedrag van de ingezamelde inzetten bij "onderlinge" weddenschappen. Zij treden bijgevolg op als lasthebbers en verrichten aldus diensten bedoeld in artikel 18, § 1, 2de lid, 3° van het W.BTW, hoewel de handelingen waarvoor zij tussenkomen niet onderworpen zijn aan de belasting.
Die agentschappen zijn dus, in de mate van hun tussenkomst in Belgische koersen, BTW-belastingplichtigen en zij moeten, in principe, aan de inrichter van de weddenschap een BTW tegen het normale tarief aanrekenen op de commissie die hun wordt toegekend.
4. De agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen hebben daarentegen niet de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige in de mate dat zij weddenschappen ontvangen op koersen die in het buitenland plaatshebben. De aanneming van deze weddenschappen is overigens voorbehouden aan de exploitanten van agentschappen welke daartoe een vergunning hebben bekomen (art. 66, § 2, 3° (nieuw), van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen). Ter zake blijven de bepalingen van de aanschrijving van 20 januari 1971 nr. 13 toepasselijk.
Wijze van voldoening van de belasting verschuldigd door de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen.
5. Aangezien de tussenkomst van de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen in de weddenschappen op hier te lande gehouden paardenkoersen slechts een gering deel van hun activiteit vertegenwoordigt, werd aan de VZW "Pari Mutuel Unifié Belge", Leopoldlaan 9 te Brussel - vereniging gesticht door de maatschappijen voor wedrennen - toegestaan zelf globaal, in de plaats van de agentschappen, de BTW te betalen die verschuldigd is op de commissielonen die toekomen aan die agentschappen voor hun tussenkomst bij het inzamelen van de inzetten op Belgische koersen.
6. Op de periodieke afrekeningen die de VZW uitreikt aan de agentschappen, moet zij het bedrag van de commissielonen die toekomen aan de agentschappen en afzonderlijk het bedrag van de BTW, verschuldigd op die commissielonen, vermelden. Deze afrekeningen zullen daarenboven de volgende vermelding dragen : "BTW gestort door de vereniging. - BTW-aanschrijving van 2 oktober 1974, nr. 15".
7. Als gevolg hiervan worden de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen, die inzetten op de Belgische koersen inzamelen, vrijgesteld van de verplichtingen de op hun diensten verschuldigde BTW te voldoen.
8. De in nummer 7 bedoelde agentschappen behouden evenwel de hoedanigheid van belastingplichtige. Zij moeten bijgevolg een aangifte van aanvang van werkzaamheid indienen (z. art. 53, 1°, van het W.BTW en art. 1 van het koninklijk besluit nr. 10, van 29 december 1992. Zij zullen overigens een BTW-identificatienummer krijgen.
9. Deze agentschappen kunnen nochtans ontheven worden van de verplichting periodieke BTW-aangiften in te dienen.
Zij die wensen gebruik te maken van deze ontheffing van de verplichtingen periodieke aangiften in te dienen, moeten zulks onmiddellijk berichten aan het controlekantoor waaronder zijn ressorteren, eventueel bij het indienen van hun aangifte van aanvang van werkzaamheid (z. kader III, punt f, van het formulier van die aangifte).
10. De agentschappen die gebruik maken van de ontheffing van de verplichting tot het indienen van aangiften worden geacht af te zien van de uitoefening van het recht op aftrek van de BTW die werd geheven van de goederen en diensten die hun werden verstrekt voor de uitoefening van de bedoelde activiteit.
11. De agentschappen die periodieke BTW-aangiften zullen indienen moeten in deze aangiften het bedrag van hun verrichtingen bedoeld in nr. 5 van deze aanschrijving niet opnemen.
Normaliter blijft een deel van de activiteit van deze agentschappen buiten de toepassingssfeer van de BTW (z. nr. 4 hierboven), zodat zij gemengde belastingplichtigen zijn; welteverstaan moeten de verrichtingen bedoeld in nummer 5, voor het uitoefenen van de aftrek, worden gelijkgesteld met de handelingen onderworpen aan de BTW.
Aanschrijving nr. 15 dd. 02.10.1974
Agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen
Wijze van betaling van de belasting.
1. Deze aanschrijving heeft tot doel de wijzigingen bekend te maken die op het stuk van de BTW zijn gebracht in de regeling toepasselijk op agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen 1973-1974, wet die namelijk het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wijzigt.
Deze aanschrijving voert anderdeels een bijzondere wijze van betaling in van de belasting die, in bepaalde gevallen, verschuldigd is op de vergoeding van die agentschappen.
Belastingplicht van de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen.
2. Overeenkomstig artikel 61, § 2, 1° (nieuw), van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (z. art. 15 van de bovengenoemde wet van 28 december 1973), wordt het aannemen van "onderlinge" weddenschappen op paardenwedrennen die in België plaatshebben voortaan voorbehouden aan de inrichter van de koers waarop de weddenschap wordt aangegaan.
De agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen mogen bijgevolg voor eigen rekening geen weddenschappen meer aanvaarden op Belgische koersen, maar zij mogen weddenschappen inzamelen met het akkoord en voor rekening van de inrichter van de "onderlinge" weddenschappen.
3. Als vergoeding voor hun tussenkomst nemen de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen een commissie vooraf op het totaal bedrag van de ingezamelde inzetten bij "onderlinge" weddenschappen. Zij treden bijgevolg op als lasthebbers en verrichten aldus diensten bedoeld in artikel 18, § 1, 2de lid, 3° van het W.BTW, hoewel de handelingen waarvoor zij tussenkomen niet onderworpen zijn aan de belasting.
Die agentschappen zijn dus, in de mate van hun tussenkomst in Belgische koersen, BTW-belastingplichtigen en zij moeten, in principe, aan de inrichter van de weddenschap een BTW tegen het normale tarief aanrekenen op de commissie die hun wordt toegekend.
4. De agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen hebben daarentegen niet de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige in de mate dat zij weddenschappen ontvangen op koersen die in het buitenland plaatshebben. De aanneming van deze weddenschappen is overigens voorbehouden aan de exploitanten van agentschappen welke daartoe een vergunning hebben bekomen (art. 66, § 2, 3° (nieuw), van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen). Ter zake blijven de bepalingen van de aanschrijving van 20 januari 1971 nr. 13 toepasselijk.
Wijze van voldoening van de belasting verschuldigd door de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen.
5. Aangezien de tussenkomst van de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen in de weddenschappen op hier te lande gehouden paardenkoersen slechts een gering deel van hun activiteit vertegenwoordigt, werd aan de VZW "Pari Mutuel Unifié Belge", Leopoldlaan 9 te Brussel - vereniging gesticht door de maatschappijen voor wedrennen - toegestaan zelf globaal, in de plaats van de agentschappen, de BTW te betalen die verschuldigd is op de commissielonen die toekomen aan die agentschappen voor hun tussenkomst bij het inzamelen van de inzetten op Belgische koersen.
6. Op de periodieke afrekeningen die de VZW uitreikt aan de agentschappen, moet zij het bedrag van de commissielonen die toekomen aan de agentschappen en afzonderlijk het bedrag van de BTW, verschuldigd op die commissielonen, vermelden. Deze afrekeningen zullen daarenboven de volgende vermelding dragen : "BTW gestort door de vereniging. - BTW-aanschrijving van 2 oktober 1974, nr. 15".
7. Als gevolg hiervan worden de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen, die inzetten op de Belgische koersen inzamelen, vrijgesteld van de verplichtingen de op hun diensten verschuldigde BTW te voldoen.
8. De in nummer 7 bedoelde agentschappen behouden evenwel de hoedanigheid van belastingplichtige. Zij moeten bijgevolg een aangifte van aanvang van werkzaamheid indienen (z. art. 53, 1°, van het W.BTW en art. 1 van het koninklijk besluit nr. 10, van 29 december 1992. Zij zullen overigens een BTW-identificatienummer krijgen.
9. Deze agentschappen kunnen nochtans ontheven worden van de verplichting periodieke BTW-aangiften in te dienen.
Zij die wensen gebruik te maken van deze ontheffing van de verplichtingen periodieke aangiften in te dienen, moeten zulks onmiddellijk berichten aan het controlekantoor waaronder zijn ressorteren, eventueel bij het indienen van hun aangifte van aanvang van werkzaamheid (z. kader III, punt f, van het formulier van die aangifte).
10. De agentschappen die gebruik maken van de ontheffing van de verplichting tot het indienen van aangiften worden geacht af te zien van de uitoefening van het recht op aftrek van de BTW die werd geheven van de goederen en diensten die hun werden verstrekt voor de uitoefening van de bedoelde activiteit.
11. De agentschappen die periodieke BTW-aangiften zullen indienen moeten in deze aangiften het bedrag van hun verrichtingen bedoeld in nr. 5 van deze aanschrijving niet opnemen.
Normaliter blijft een deel van de activiteit van deze agentschappen buiten de toepassingssfeer van de BTW (z. nr. 4 hierboven), zodat zij gemengde belastingplichtigen zijn; welteverstaan moeten de verrichtingen bedoeld in nummer 5, voor het uitoefenen van de aftrek, worden gelijkgesteld met de handelingen onderworpen aan de BTW.
Bron: FisconetPlus
