Circulaire 2023/C/39 betreffende de wijzigingen aangebracht aan het Btw-Wetboek en aan het koninklijk besluit nr. 20 middels de wet van 21.12.2022 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde
Eerste commentaar met betrekking tot de wet van 21.12.2022 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde.
belasting over de toegevoegde waarde ; vrijstelling artikel 44, § 2, 12°; verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit ; verlaagd btw-tarief voor de levering van aardgas en van warmte via warmtenetten ; huisvesting in het kader van het sociale beleid
FOD Financiën, 30.03.2023
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde
4. Huisvesting in het kader van het sociale beleid
De wet van 21.12.2022 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29.12.2022, wijzigt of voegt toe:
- het artikel 44, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek
- de artikelen 1bis, 1bis/1, 1quater en de rubrieken XXXII, § 1, eerste lid, 1° en XXXVI van tabel A en XI van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Deze wijzigingen hebben betrekking op:
- de vrijstelling voor bepaalde handelingen verricht naar aanleiding van manifestaties bestemd om bepaalde vrijgestelde organisaties financieel te ondersteunen
- de verlenging van het verlaagd tarief voor leveringen van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, van aardgas en van warmte via warmtenetten
- de huisvesting in het kader van het sociale beleid.
2. De vrijstelling voor bepaalde handelingen verricht naar aanleiding van manifestaties bestemd om bepaalde vrijgestelde organisaties financieel te ondersteunen
Artikel 63 van de wet van 21.12.2022 voegt in de Franse tekst van artikel 44, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek, vervangen bij de wet van 30.07.2018, de woorden 'à l'occasion de manifestations' in tussen de woorden 'et 11°' en het woord 'destinées'.
Artikel 63 van de wet van 21.12.2022 brengt een wijziging aan in artikel 44, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek. Deze wijziging is noodzakelijk ingevolge een taalkundige fout in de Franstalige tekst van die bepaling.
Bij een oppervlakkige lezing van deze bepaling in het Frans lijkt deze op het eerste gezicht inderdaad logische samenhang te ontberen. Tot op heden leken de bewoordingen erop te wijzen dat het de vrijgestelde handelingen zijn die bestemd zijn ter verkrijging van financiële steun voor lichamen waarvan de handelingen zijn vrijgesteld overeenkomstig de punten 1°, a), 2° tot 4°, a), 6°, 7°, 9° en 11°, van artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek.
Wanneer wordt gekeken naar de Nederlandstalige versie van de tekst, blijkt het evenwel evident dat het punt 12° van artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek ertoe strekt om de leveringen van goederen en diensten vrij te stellen die verricht worden door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig de punten 1°, a), 2° tot 4°, a), 6°, 7°, 9° en 11°, van artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld, wanneer ze plaatsvinden in samenhang met activiteiten die zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun voor die lichamen.
Om de Franstalige tekst van die bepaling te corrigeren en de oorspronkelijke en juiste strekking ervan te herstellen, worden de woorden 'à l'occasion de manifestations' bijgevolg ingevoegd voor de woorden 'destinées à leur apporter un soutien financier'. Op deze manier wordt de Franstalige tekst van die bepaling niet alleen in overeenstemming gebracht met de huidige Nederlandstalige tekst van die bepaling maar tevens met de Franstalige tekst van artikel 132, lid 1, punt o), van richtlijn 2006/112/ EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
3. De verlenging van het verlaagd tarief voor leveringen van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, van aardgas en van warmte via warmtenetten
Artikel 64 van de wet van 21.12.2022 brengt volgende wijzigingen aan in artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29.12.1992, hersteld bij het koninklijk besluit van 21.03.2014, vervangen bij het koninklijk besluit van 21.02.2022 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27.06.2022:
1° de woorden '31 december 2022' worden telkens vervangen door de woorden '31 maart 2023';
2° de woorden '1 januari 2023' worden telkens vervangen door de woorden '1 april 2023'.
Artikel 65 van de wet van 21.12.2022 brengt in artikel 1bis/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23.03.2022 en vervangen bij het koninklijk besluit van 27.06.2022, de volgende wijzigingen aan:
1° de woorden '31 december 2022' worden telkens vervangen door de woorden '31 maart 2023';
2° de woorden '1 januari 2023' worden telkens vervangen door de woorden '1 april 2023'.
Sinds enkele maanden wordt de gehele Europese Unie geconfronteerd met een enorme stijging van de energieprijzen, die voornamelijk veroorzaakt wordt door aanhoudende geopolitieke instabiliteit en de daaruit voortvloeiende bevoorradingsproblemen.
Elk redelijk verband tussen de kosten en de aangerekende prijzen is minstens voor een gedeelte van de markt zoek ingevolge het tarificatiemodel op basis van de marginale kosten, zodat het noodzakelijk lijkt dit marktfalen minstens gedeeltelijk te compenseren. De stijging is op dit ogenblik van die aard dat steeds meer gezinnen (in het bijzonder degene met variabele contracten, wat steeds meer de norm is, of degene die hun energieleverancier failliet zagen gaan) hun energiefactuur nog nauwelijks kunnen betalen, ook al is er voor bijna twintig procent van de bevolking een sociaal tarief van toepassing.
Om aan de huidige uitzonderlijke omstandigheden snel het hoofd te bieden, werden daarom bij de volgende koninklijke besluiten al maatregelen ingevoerd:
- het koninklijk besluit van 21.02.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 20 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat de verlaging van het tarief van de belasting over de toegevoegde waarde betreft voor de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten (Belgisch Staatsblad van 28.02.2022, blz. 16.847)
- het koninklijk besluit van 23.03.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 20 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat de verlaging van het tarief van de belasting over de toegevoegde waarde betreft voor de levering van elektriciteit, van aardgas en van warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten (Belgisch Staatsblad van 30.03.2022, blz. 26.189) en
- het koninklijk besluit van 27.06.2022 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, van aardgas en van warmte via warmtenetten en sommige warmtepompen betreft (Belgisch Staatsblad van 30.06.2022, blz. 53.754).
Het voormelde koninklijk besluit van 21.02.2022 heeft een verlaging van het btw-tarief ingevoerd voor de levering van elektriciteit voor residentiële afnemers, of, meer concreet, in het kader van het contract waarvoor, met het oog op de afsluiting ervan, door de afnemer - natuurlijke persoon geen ondernemingsnummer is meegedeeld.
Deze maatregel was, rekening houdend met de toenmalige economische context, voorzien voor een periode van vier maanden, van 01.03.2022 tot en met 30.06.2022 (zie circulaire 2022/C/35 van 31.03.2022 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit en de maandelijkse teruggaaf btw).
Het voormelde koninklijk besluit van 23.03.2022 heeft de tarifaire gunstmaatregel voor leveringen van elektriciteit verlengd tot 30.09.2022, rekening houdend met de geopolitieke context ingevolge de oorlog in Oekraïne en de, onder meer door de Europese Unie, tegen Rusland afgekondigde economische sancties die aanleiding hebben gegeven tot een explosieve prijsstijging van de energieproducten, meer in het bijzonder van elektriciteit (zie circulaire 2022/C/48 van 11.05.2022 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit, voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten en de maandelijkse teruggaaf inzake btw).
Bij koninklijk besluit van 27.06.2022 is de verlaging van het btw-tarief tot 6 % verlengd tot en met 31.12.2022 voor de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, zonder dat de inhoud van de maatregel is gewijzigd, en voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten, waarbij de verlaging werd uitgebreid tot alle afnemers (zie circulaire 2022/C/67 van 11.07.2022 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit en voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten).
Aangezien de huidige crisissituatie tot grote onzekerheid op de Europese markten leidt, met directe gevolgen voor de economische situatie van onze huishoudens en bedrijven, werd tot een verdere verlenging van deze maatregelen besloten.
Bijgevolg wordt bij artikel 64 van de wet van 21.12.2022 de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6 % op de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten en van aardgas en warmte via warmtenetten voor alle afnemers verlengd tot en met 31.03.2023.
De verlenging van deze maatregel behoudt het oorspronkelijke toepassingsgebied en de toepassingsmodaliteiten ervan, met name:
- het verlaagd tarief van 6 % is uitsluitend van toepassing op de zogenaamde residentiële of niet-professionele contracten in het kader waarvan de afnemer-natuurlijke persoon een klant betreft die zijn elektriciteit in principe aankoopt voor zijn huishoudelijke consumptie (wordt in concreto bedoeld, de levering van elektriciteit in het kader van een contract waarvoor, met het oog op de afsluiting ervan, door de afnemer-natuurlijk persoon, geen ondernemingsnummer is meegedeeld)
- deze maatregel is niet van toepassing op de andere dan hiervoor bedoelde residentiële klanten, zoals de personen die verblijven in woonzorgcentra, opvangcentra of zorginstellingen, rekening houdend met de bestaande verschillen tussen een particuliere afnemer en een collectieve voorziening zoals deze instellingen (zie hierover het verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit van 21.02.2022, in antwoord op het advies nr. 70.978/3 van de Raad van State over dit koninklijk besluit, op dat moment nog in ontwerp)
- het verlaagd btw-tarief is van toepassing op alle onderdelen van de elektriciteitsfactuur die onderworpen zijn aan de btw
- de regel met betrekking tot het tarief dat van toepassing is op de na 01.03.2022 maar vóór 01.04.2022 (waarvoor het tarief van 21 % van toepassing is geweest rekening houdend met de technische moeilijkheden die de elektriciteitsleveranciers het onmogelijk maakten om het tarief van 6 % vanaf 01.03.2022 toe te passen op deze voorschotten) gefactureerde of aangerekende voorschotten is niet gewijzigd
- voor de eindafrekening die betrekking heeft op de periode die aanvangt vóór en eindigt na het tijdstip van de tariefwijziging op 01.03.2022 (aanvang van de tijdelijke regeling) dan wel op de periode die aanvangt vóór en eindigt na het tijdstip van de tariefwijziging op 01.04.2023 (afloop van de tijdelijke regeling), wordt de maatstaf van heffing met betrekking tot het volledige daadwerkelijke verbruik tijdens die periode per onderscheiden btw-tarief omgeslagen en dit rekening houdend met dat verbruik vóór en na het tijdstip van de betrokken tariefwijziging
- de berekening van het verbruik tijdens de bedoelde periode gebeurt in principe op basis van het werkelijke verbruik van de afnemer-natuurlijk persoon. Wanneer de gegevens met betrekking tot het werkelijk verbruik niet beschikbaar zijn voor de opmaak van de eindafrekening door de elektriciteitsleverancier, zal dit verbruik evenwel bepaald worden aan de hand van het op de elektriciteitsmarkt vastgelegde verbruiksprofiel dat per kwartier van een volledig jaar het relatieve gebruik weergeeft van een bepaald type van afnemers-natuurlijke personen.
In concreto vervangt artikel 64 van de wet van 21.12.2022 in artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, telkens de woorden '31 december 2022' door de woorden '31 maart 2023' en de woorden '1 januari 2023' door de woorden '1 april 2023'.
Net als voor de levering van elektriciteit wordt in artikel 65 van de wet van 21.12.2022 de tarifaire gunstmaatregel voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten met drie maanden verlengd tot en met 31.03.2023.
De verlenging van deze maatregel laat de werkingssfeer en de toepassingsmodaliteiten ervan ongewijzigd, namelijk:
- deze maatregel heeft betrekking op alle afgesloten contracten, zonder een onderscheid te maken in functie van de aard van het afgesloten contract (residentieel of professioneel), of, meer concreet, zonder nog een onderscheid te maken al naargelang er al dan niet een ondernemingsnummer werd meegedeeld door de afnemer in het kader van de afsluiting van het contract met betrekking tot die leveringen van aardgas en warmte via warmtenetten
- het verlaagd btw-tarief is van toepassing op alle onderdelen van de energiefactuur die onderworpen zijn aan de btw
- de regel met betrekking tot het tarief van toepassing op de gefactureerde of aangerekende voorschotten vóór 01.09.2022 wordt niet gewijzigd
- voor de eindafrekening die betrekking heeft op de periode die aanvangt vóór en eindigt na het tijdstip van de tariefwijziging op 01.04.2022 (voor de begunstigden van de oorspronkelijke maatregel) of 01.08.2022 (voor de nieuwe begunstigden van de maatregel) of op de periode die begint vóór en eindigt na de wijziging van het tarief op 01.04.2023 (einde van de tijdelijke regeling), wordt de maatstaf van heffing met betrekking tot het volledige daadwerkelijke verbruik tijdens die periode per onderscheiden btw-tarief omgeslagen en dit rekening houdend met dat verbruik vóór en na het tijdstip van de betrokken tariefwijziging
- de berekening van het verbruik tijdens de bedoelde periode gebeurt in principe op basis van het werkelijke verbruik van de afnemer-natuurlijk persoon. Wanneer de gegevens met betrekking tot het werkelijk verbruik niet beschikbaar zijn voor de opmaak van de eindafrekening door de leverancier van aardgas of warmte via warmtenetten, zal dit verbruik evenwel bepaald worden aan de hand van het op de aardgasmarkt vastgelegde verbruiksprofiel dat per uur van een volledig jaar het relatieve gebruik weergeeft van een bepaald type afnemer. Het verbruik van warmte via warmtenetten tijdens de referentieperiode zal worden berekend op basis van hetzelfde verbruikersprofiel op de aardgasmarkt.
Meer bepaald vervangt artikel 65 van de wet van 21.12.2022 in artikel 1bis/1 van koninklijk besluit nr. 20 telkens de woorden '31 december 2022' door de woorden '31 maart 2023' en de woorden '1 januari 2023' door de woorden '1 april 2023'.
4. Huisvesting in het kader van het sociale beleid
Artikel 66 van de wet van 21.12.2022 brengt volgende wijzigingen aan in artikel 1quater van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 01.12.1995, hersteld bij het koninklijk besluit van 10.02.2009, vervangen bij de programmawet van 20.12.2020 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27.03.2022:
1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
'1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of dat als woning wordt verhuurd in het kader van een door de bouwheer aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting toegekend beheersmandaat;';
2° in paragraaf 2, tweede lid, 2°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
'a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor dan wel aan of door bemiddeling van een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning
- het (de) aannemingscontract(en);';
3° in paragraaf 3, tweede lid, 1°, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt:
'b) hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting wordt verhuurd of wordt verhuurd in het kader van een door de verkrijger aan hen toegekend beheersmandaat;';
4° in paragraaf 3, tweede lid, 2°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
'a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt dat het gebouw dat de leverancier heeft laten afbreken en heroprichten en het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, hetzij om door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan hen toegekend beheersmandaat, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning
- het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning
- het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;';
5° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
'§ 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Deze minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor dan wel met de door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat.'.
Artikel 67 van de wet van 21.12.2022 vervangt in rubriek XXXII, § 1, eerste lid, 1°, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30.09.1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 21.12.2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27.12.2021, de bepaling onder a) als volgt:
'a) een gewestelijke huisvestingsmaatschappij of een door haar of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting;'.
Artikel 68 van de wet van 21.12.2022 vervangt in rubriek XXXVI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, ingevoegd bij de programmawet van 27.12.2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27.06.2021, paragraaf 1 als volgt:
'§ 1. Het verlaagd tarief van zes percent is van toepassing op:
1° de leveringen van nagenoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die goederen bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid:
a) privéwoningen die worden geleverd en gefactureerd aan de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen en aan de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting, aan het Vlaams Woningfonds, "le Fonds du Logement des familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en die door deze maatschappijen of fondsen worden bestemd om te worden verhuurd;
b) privéwoningen die worden geleverd en gefactureerd aan de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen, aan de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting, aan het Vlaams Woningfonds, "le Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en die door deze maatschappijen of fondsen worden bestemd om te worden verkocht;
c) privéwoningen die worden geleverd en gefactureerd door de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen, door de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting en door het Vlaams Woningfonds, "le Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A met betrekking tot de onder 1° genoemde privéwoningen mits die worden verstrekt en gefactureerd aan de gewestelijke huisvestingmaatschappijen, aan de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting en aan het Vlaams Woningfonds, "le Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° de onroerende financieringshuur of onroerende leasing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek en de onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek, die betrekking hebben op de onder 1° bedoelde privéwoningen wanneer de afnemer een gewestelijke huisvestingsmaatschappij, een door die maatschappij of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of het Vlaams Woningfonds, "le Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is.'.
Artikel 69 van de wet van 21.12.2022 brengt in rubriek XI, § 1, eerste lid, 1°, van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, ingevoegd bij de programmawet van 25.12.2016, de volgende wijzigingen aan:
1° de bepaling onder f) wordt vervangen als volgt:
'f) de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen en de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting;';
2° de bepaling onder h) wordt vervangen als volgt:
'h) andere publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen met sociaal oogmerk die door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid zijn erkend;'.
Vanaf 01.01.2023 zullen de sociale huisvestingmaatschappijen die onder het Vlaamse Gewest ressorteren (de 'sociale huisvestingmaatschappijen' of hierna 'SHM's') en de Vlaamse sociale verhuurkantoren (hierna 'SVK's') moeten fuseren tot één nieuwe rechtspersoon in de sociale huisvestingssector in Vlaanderen: de woonmaatschappij.
Op 09.07.2021 bekrachtigde de Vlaamse regering het decreet tot wijziging van diverse huisvestingdecreten, dat het kader vastlegt voor de oprichting van de woonmaatschappijen. Dit decreet werd op 10.09.2021 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en voorziet in de vervanging van alle verwijzingen naar de SVK's en SHM's in de Vlaamse regelgeving door verwijzingen naar de nieuw op te richten woonmaatschappijen.
De SVK's hebben enerzijds als opdracht om woningen, die zij niet in eigendom hebben, op de particuliere markt te verhuren op grond van een verhuurovereenkomst of een beheersmandaat. Anderzijds zijn de SHM's hoofdzakelijk belast met het bouwen (of laten bouwen) en renoveren van woningen met het oog op de verhuur of de verkoop ervan in het kader van een sociaal huisvestingsbeleid, dat wil zeggen in principe volgens voorwaarden die de burgers in staat stellen kwaliteitswoningen te verwerven of er toegang toe te hebben tegen gunstiger voorwaarden dan op de klassieke particuliere markt. Het gaat dus om zogenaamde 'sociale' woningen die eigendom zijn van de overheid. Die bestaande instellingen zullen voortaan in het Vlaamse Gewest opgaan in één enkele nieuwe actor, de 'woonmaatschappij'. De SVK's en SHM's zullen derhalve niet meer organiek zelfstandig blijven verder bestaan, maar hun taken zullen wel worden ingebed in de nieuwe juridische structuur.
In de btw-regelgeving voorziet koninklijk besluit nr. 20 in verschillende bepalingen de toepassing van de verlaagde tarieven van 6 % of 12 % op handelingen die worden verricht ten gunste van of in het kader van de tussenkomst van maatschappijen voor sociale huisvesting of sociale verhuurkantoren in Vlaanderen, Wallonië en Brussel.
Ten gevolge van de fusie van SVK's en SHM's in Vlaanderen en de oprichting van de nieuwe 'woonmaatschappij' in dat gewest, moet de terminologie in de volgende bepalingen van het koninklijk besluit nr. 20 worden aangepast om rekening te houden met deze toekomstige wijziging in Vlaanderen. Zo kan er voor worden gezorgd dat deze 'woonmaatschappij' voor dezelfde handelingen het verlaagd btw-tarief kan genieten als zijn rechtsvoorgangers die organiek als dusdanig niet langer zullen bestaan in het Vlaamse Gewest aangezien hun functionaliteiten worden ingebed in het nieuwe organieke kader van de 'woonmaatschappij':
- in artikel 1quater: paragraaf 2, tweede lid, 1° en 2°, a); paragraaf 3, tweede lid, 1°, b) en 2°, a) en paragraaf 5, eerste lid (dit betreft de tijdelijke bepaling die voorziet in de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % tot en met 31.12.2023 voor de afbraak en heropbouw van een woning die gedurende een periode van vijftien jaar wordt verhuurd aan of door bemiddeling van een SVK in Vlaanderen)
- in rubriek XXXII van tabel A van de bijlage bij voormeld besluit: paragraaf 1, 1°, a) (dit betreft de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % voor handelingen verricht aan privéwoningen voor gehandicapten ten gunste van een huisvestingmaatschappij of een sociale huisvestingmaatschappij)
- in rubriek XXXVI van tabel A van de bijlage bij voormeld besluit: paragraaf 1 (dit betreft de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % voor handelingen verricht publieke sociale woningen in het kader van het sociaal beleid)
- in rubriek XI van tabel B van de bijlage bij voormeld besluit: paragraaf 1, 1°, f) en h) (dit betreft de toepassing van het verlaagd tarief van 12 % voor de handelingen die worden verricht aan woningen die worden verhuurd aan bepaalde publieke of particuliere rechtspersonen in het kader van het sociaal beleid).
Er moet echter in het bijzonder rekening worden gehouden met het feit dat er in de andere gewesten op dit punt geen juridische wijzigingen van de reglementering plaatsvinden en dat de bestaande terminologie in de btw-reglementering aldus moet worden gehandhaafd om de bestaande juridische situatie in de andere gewesten te blijven afdekken.
Om het geheel van de gewestelijke realiteiten af te dekken met betrekking tot de verschillende maatschappijen die actief zijn in de sector van de sociale huisvesting, wordt in voormeld koninklijk besluit nr. 20 een terminologie gehanteerd die eigen is aan de btw-reglementering en verschillend is van de terminologie die in de verschillende gewestelijke reglementeringen wordt gehanteerd. Zo worden in de btw-reglementering de termen 'société de logement social' of 'maatschappijen voor sociale huisvesting' gehanteerd.
In de Nederlandse taalversie zal de term 'maatschappijen voor sociale huisvesting', die tot op heden de SHM's afdekte, de nieuwe rechtspersonen in het Vlaamse Gewest onder de benaming 'woonmaatschappijen' afdekken. Deze nieuwe 'woonmaatschappijen' zijn, rekening houdend met alle bevoegdheden die aan hen worden overgedragen, immers entiteiten die instaan voor sociale huisvesting in al zijn aspecten en dus als 'maatschappijen voor sociale huisvesting' in de zin van de btw-reglementering kunnen worden beschouwd.
Aldus hoeven de verschillende betrokken bepalingen niet te worden gewijzigd wanneer alleen de voormalige SHM's worden bedoeld, aangezien zij opgaan in de nieuwe 'woonmaatschappijen', die evenzeer onder het in de btw-reglementering reeds bestaande begrip 'maatschappij voor sociale huisvesting' vallen. Deze status quo maakt het dus mogelijk om alle juridische realiteiten van de onderscheiden gewesten af te dekken.
De impact van de wijzigingen in de Vlaamse reglementering op de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 20 is daartegen verschillend wanneer in die reglementering uitsluitend wordt verwezen naar SVK's. Ingevolge de fusie tussen SVK's en SHM's die aanleiding geeft tot een nieuwe rechtspersoon ('woonmaatschappij') in het Vlaamse Gewest, zal in dat gewest het concept van 'sociaal verhuurkantoor' als onderscheiden en zelfstandige instelling verdwijnen (het wordt wel, zoals hoger aangeduid, functioneel behouden binnen de nieuwe rechtspersoon van de 'woonmaatschappij'). In het Waalse en Brussels Hoofdstedelijk Gewest zal die instelling anderzijds vooralsnog als dusdanig blijven verder bestaan.
Voor de bepalingen die uitsluitend betrekking hebben op de sociale verhuurkantoren, met name het artikel 1quater, § 2, tweede lid, 1°, § 3, tweede lid, 1°, b) et § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 20, wordt dat begrip in de tekst behouden omdat het concept van die kantoren in de andere gewesten wordt behouden. Het wordt evenwel aangevuld door het begrip 'maatschappijen voor sociale huisvesting' om ook de nieuwe juridische realiteit af te dekken die in Vlaanderen van toepassing is.
Bijgevolg vult artikel 66 in artikel 1quater van het koninklijk besluit nr. 20 het begrip 'sociaal verhuurkantoor' aan met de begrippen 'gewestelijke huisvestingsmaatschappij dan wel door haar of door de voor sociale huisvesting bevoegde overheid erkende maatschappij voor sociale huisvesting' (zie hierna).
Bovendien verwijzen sommige van de betrokken bepalingen naar de erkenning van maatschappijen voor sociale huisvesting door de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen. In Vlaanderen moet er evenwel rekening mee worden gehouden deze erkenning wordt verleend door de Vlaamse regering. Voor de andere gewesten dan Vlaanderen blijft het huidige principe echter overeind.
Om in deze materie alle juridische realiteiten in de verschillende gewesten van België af te dekken, is dus ook in deze bepalingen een wijziging van de terminologie vereist met betrekking tot deze erkenning om ze met die verschillende realiteiten in overeenstemming te brengen, en dan in het bijzonder met die in het Vlaamse Gewest. In dit verband wordt de voorkeur gegeven aan de meer algemene term 'inzake sociale huisvesting bevoegde overheid'.
De verwijzing naar het begrip 'bevoegde overheid' is immers een veelvuldig weerkerende abstracte verwijzing in de verschillende rubrieken van het koninklijk besluit nr. 20. In het geval van het Vlaamse Gewest wordt met de inzake sociale huisvesting bevoegde overheid zo op dit moment in concreto de Vlaamse regering bedoeld. Deze terminologie is bovendien soepel genoeg om, indien nodig, ook juridische situaties af te dekken die zich in de toekomst in de onderscheiden gewesten zouden kunnen voordoen wanneer de bevoegdheid tot erkenning van maatschappijen aan een andere overheid zou worden overgedragen.
Om met deze wijzigingen rekening te houden, worden bijgevolg in de artikelen 67, 68 en 69 de begrippen 'gewestelijke huisvestingsmaatschappij of door haar erkende maatschappij voor sociale huisvesting' vervangen door de begrippen 'gewestelijke huisvestingsmaatschappij dan wel door haar of door de voor sociale huisvesting bevoegde overheid erkende maatschappij voor sociale huisvesting'.
Deze terminologische aanpassingen, waar nodig, hebben niet tot doel het materiële toepassingsgebied van de betrokken bepalingen te wijzigen, met dien verstande dat het binnen de btw-reglementering gehanteerde begrip 'maatschappijen voor sociale huisvesting' de 'woonmaatschappijen' zal omvatten, zowel in hun functie van sociale huisvestingsmaatschappijen (ex-SHM in Vlaanderen), als in hun functie van sociale verhuurkantoren (ex-SVK in Vlaanderen), rekening houdend met het initiële toepassingsgebied van de bepaling waarin de terminologie werd aangepast.
In theorie zou kunnen worden gesteld dat de aanpassingen in artikel 1quater van het koninklijk besluit nr. 20 waarbij de bestaande referentie naar SVK's wordt uitgebreid met een referentie naar 'een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting' een uitbreiding van het toepassingsgebied van de regeling inhoudt. Door de toevoeging wordt voor het Vlaamse Gewest immers niet alleen het functionele gedeelte van de SVK's van de 'woonmaatschappij' toegevoegd, maar ook het functionele gedeelte van de SHM's. Rekening houdend met de aard van de in artikel 1quater van het koninklijk besluit nr. 20 bedoelde diensten (huren en doorverhuren van woningen of verhuren van woningen in het kader van een beheersmandaat), betreft het hier evenwel handelingen die typisch zijn voor SVK's en niet voor sociale huisvestingsmaatschappijen, zodat er de facto geen daadwerkelijk uitbreiding van het toepassingsgebied plaatsgrijpt.
De bepalingen van de wet van 21.12.2022 zijn in werking getreden op 01.01.2022 met uitzondering van de bepalingen met betrekking tot de verlenging van het verlaagd tarief voor leveringen van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, van aardgas en van warmte via warmtenetten (zie punt 3 van onderhavige circulaire) die in werking zijn getreden op 01.01.2023.
Interne ref.: 140.175
