Circulaire nr. Ci.RH.332/448.557 dd. 09.09.1993
CIRC 09.09.93/1
Circulaire nr. Ci.RH.332/448.557 dd. 09.09.1993
Bull. nr. 732, pag. 3011
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Vrijstellingsvoorwaarde
Commentaar op de W 21.12.1992 tot wijziging van art. 42, W 28.12.1983
houdende fiscale en begrotingsbepalingen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
INHOUDSOPGAVE I. WETTEKSTEN 1 II. ALGEMEEN 3 III. TIJDELIJKE MAATREGEL 8 IV. BLIJVENDE MAATREGELEN A. Algemeen 10 B. Industriële vennootschappen 12 C. Door de Belgische Staat uitgegeven overheidspapier 16 V. INWERKINGTREDING 19 I. WETTEKSTEN
1.
De W 21.12.1992 tot wijziging van art. 41, W 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V 2214 - Bull. 725) omvat slechts één artikel dat luidt als volgt :
W 21.12.1992 (enig art.)
§ 1. De termijn bepaald in artikel 42, § 3, 1°, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen wordt verlengd met één jaar voor de in § 1 van dat artikel bedoelde inkomsten die in 1989 werden geïnd.
§ 2. In hetzelfde artikel 42, § 3, 1°, worden de woorden "rechtstreeks of via hun dochterondernemingen" ingevoegd tussen de woorden "die zich" en het woord "bezighouden".
§ 3. Hetzelfde artikel 42, § 3, 1°, wordt aangevuld met de woorden "ofwel van overheidspapier door de Belgische Staat uitgegeven na 1 januari 1991".
2.
Ingevolge voormelde wijzigingen luidt art. 42, § 3, W 28.12.1983 (1) voortaan als volgt (de wijzigingen staan vet gedrukt) :
...
§ 3. De bijzondere heffing is niet verschuldigd door de belastingplichtigen die de verbintenis aangaan en naleven :
1° om vóór het einde van het tweede jaar dat volgt op dat waarin de aan die heffing onderworpen inkomsten werden geïnd of verkregen, een som die minstens gelijk is aan de berekeningsgrondslag van die heffing, te gebruiken voor de afbetaling, ofwel van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bedoeld in de artikelen 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (2), uitgeven ter gelegenheid van hun oprichting of van de verhoging van hun kapitaal, ofwel van obligaties uitgegeven na 31 december 1983 door in gezegde artikelen bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die zich rechtstreeks of via hun dochterondernemingen bezighouden met een industriële werkzaamheid ofwel van overheidspapier door de Belgische Staat uitgegeven na 1 januari 1991;
2° om de aldus afbetaalde effecten in bezit te houden gedurende tenminste vijf jaar of, in geval van overdracht binnen de vijf jaar na de afbetaling, om de overdrachtprijs binnen drie maanden na de overdracht weder te beleggen door effecten, die aan dezelfde omschrijving voldoen, af te betalen, tenzij de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de aanschaffing van effecten in het kader van verkoopaanbiedingen na vaste overname gelijkgesteld met de inschrijving daarop indien die aanschaffing ten laatste drie maanden na de vaste overname plaatsheeft, tegen een prijs gelijk aan die van de inschrijving.
...
II. ALGEMEEN
3.
Het bevrijdend maken van de RV voor natuurlijke personen met ingang van het aj. 1985 ging gepaard met het invoeren, uitsluitend in het voordeel van de Staat, van een nieuwe met de PB gelijkgestelde belasting, genaamd "bijzondere heffing op roerende inkomsten".
De basistekst van deze bijzondere heffing (art. 42, W 28.12.1983) werd meermaals gewijzigd. De basisprincipes (besproken in de circ. 28.2.1986, Ci.RH.332/362.892 - Bull. 649) werden, samen met de sindsdien aangebrachte wijzigingen, opnieuw uiteengezet in de circ. 12.11.1990, Ci.RH.332/399.106 (Bull. 700) waarvan de richtlijnen van toepassing blijven, onder voorbehoud van de door de W 21.12.1992 ingevoerde nieuwigheden die hierna worden besproken.
4.
Er wordt aan herinnerd dat de belastingplichtige om vrijstelling van de bijzondere heffing op roerende inkomsten te verkrijgen, de verbintenis moet aangaan en naleven:
5.
De W 21.12.1992 voert met betrekking tot de voormelde principes drie nieuwe maatregelen in waarvan twee van blijvende aard zijn, terwijl de derde (de verlenging van de nuttige beleggingstermijn voor het aj. 1990) slechts een tijdelijk karakter heeft.
6.
De blijvende maatregelen kunnen als volgt worden samengevat:
7.
Bovendien wordt opgemerkt dat de W 21.12.1992 geen datum van inwerkingtreding vermeldt.
III. TIJDELIJKE MAATREGEL
8.
Paragraaf 1 van het enig art., W 21.12.1992 stelt dat de in art. 42, § 3, 1°, W 28.12.1983 bepaalde termijn, voor de inkomsten geïnd in 1989 (aj. 1990), met één jaar verlengd wordt.
Voor de desbetreffende roerende inkomsten verstreek de nuttige beleggingstermijn om de bijzondere heffing te vermijden in principe op 31.12.1991. Er is echter gebleken dat de belastingplichtigen bij gebrek aan uitgiften van nieuwe aandelen de investeringsverbintenis niet altijd hebben kunnen naleven (Senaat, buitengewone zitting 1991-1992, Stuk 430/1, blz. 1). Daarom heeft de wetgever beslist de nuttige beleggingstermijn voor de roerende inkomsten die in 1989 werden geïnd met één jaar te verlengen, zodat die termijn aldus tot 31.12.1992 is verlengd.
9.
Ter zake wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat de W 21.12.1992 met enige vertraging in het BS gepubliceerd werd (d.i. op 20.1.1993) - bij ontstentenis van een nieuw wetgevend initiatief dienaangaande - niet kan ingeroepen worden om een uitbreiding van de voormelde termijn te rechtvaardigen.
De voor het aj. 1990 gedane beleggingen moeten dan ook als laattijdig aangemerkt worden (en bijgevolg als onbestaande, wat de ambtshalve vestiging van de bijzondere heffing tot gevolg heeft) indien zij na 31.12.1992 plaatsvonden.
IV. BLIJVENDE MAATREGELEN
A. Algemeen
10.
Vóór hij werd gewijzigd door de §§ 2 en 3, W 21.12.1992 stelde § 3 van art. 42, W 28.12.1983 dat, om de bijzondere heffing op roerende inkomsten te vermijden, de belastingplichtige gehouden was binnen een bepaalde termijn te onderschrijven en af te betalen :
11.
Paragraaf 2, W 21.12.1992 breidt het begrip "industriële vennootschappen" uit terwijl § 3 van dezelfde wet een nieuwe categorie van geldige beleggingen invoert, namelijk door de Belgische Staat uitgegeven overheidspapier.
B. Industriële vennootschappen
12.
Tot op heden werden enkel als geldige belegging in aanmerking genomen, de obligaties uitgegeven.
Overeenkomstig art. 42, § 5, W 28.12.1983, worden overigens niet als "industriële" obligaties aangemerkt, obligaties die inzonderheid worden uitgegeven door :
Eveneens zijn uitgesloten, obligaties uitgegeven door ondernemingen die zich hoofdzakelijk bezighouden met een handels- of landbouwactiviteit of waarvan de voornaamste activiteit in de ambachtelijke of dienstensector ligt, aangezien in dit geval de industriële werkzaamheid onbestaande of geenszins overwegend is.
13.
Door de invoeging in art. 42, § 3, 1°, W 28.12.1983, van de woorden "rechtstreeks of via hun dochterondernemingen" tussen de woorden "die zich" en het woord "bezighouden", bereidt § 2 van de W 21.12.1992 het begrip "vennootschap die zich bezighoudt met een industriële werkzaamheid" aanzienlijk uit vermits naast de vennootschappen die zelf zulke werkzaamheid uitoefenen, voortaan eveneens de vennootschappen bedoeld zijn waarvan ten minste een (Belgische of buitenlandse) dochteronderneming zich (in België of in het buitenland) met een industriële werkzaamheid bezighoudt.
14.
Het begrip "dochteronderneming" moet verstaan worden in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, wat inhoudt dat de vennootschap die obligaties heeft uitgegeven die als "industriële" obligaties kunnen gekwalificeerd worden, een bepaalde controlebevoegdheid moet bezitten ten opzichte van de onderneming die zich met een industriële werkzaamheid bezighoudt. Het betreft dus moedermaatschappijen. Vanzelfsprekend is het vereist dat deze maatschappijen aan de Ven.B onderworpen zijn, m.a.w. dat het gaat om :
Er is beslist dat onder meer de Belgische vennootschap PETROFINA - daar zij via haar (Belgische of buitenlandse) dochterondernemingen een industriële werkzaamheid uitoefent - aan deze omschrijving beantwoordt.
In zijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 379 van 19.1.1993, gesteld door Volksvertegenwoordiger DRAPS (Bull. 728), heeft de Minister van Financiën geoordeeld dat dit eveneens voor BELGACOM (vroegere RTT) het geval is.
15.
Daarentegen komen obligaties die zijn uitgegeven door een vennootschap die niet zelf een industriële werkzaamheid uitoefent of waarvan geen enkele dochteronderneming zulke werkzaamheid uitoefent niet in aanmerking, zelfs indien de moedermaatschappij of een zusteronderneming van de betrokken vennootschap tot de industriële sector behoort.
C. Door de Belgische Staat uitgegeven overheidspapier
16.
Door de toevoeging in fine van art. 42, § 3, 1°, W 28.12.1983 van de woorden "ofwel van overheidspapier door de Belgische Staat uitgegeven na 1 januari 1991" knoopt § 3 van de W 21.12.1992 terug aan, maar deze keer op blijvende wijze, bij een gelijkaardige tijdelijke maatregel die voor het aj. 1989 werd uitgevaardigd door art. 25, § 2, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (zie circ. 3.5.1991, Ci.RH.332/429.045 - Bull. 706).
17.
Belangrijk is dat het moet gaan om effecten tot vestiging van leningen uitgegeven door de Belgische Staat, met uitsluiting dus van leningen die zouden zijn uitgegeven door de gemeenschappen, de gewesten of andere ondergeschikte besturen of leningen met staatswaarborg die niet door de Staat zijn uitgegeven.
18.
Bovendien komen alleen de effecten tot vestiging van leningen in aanmerking die na 1.1.1991 zijn uitgegeven.
V. INWERKINGTREDING
19.
De W 21.12.1992 vermeldt geen datum van inwerkingtreding. In principe heeft die dan ook plaats 10 dagen na de publikatie van voormelde wet in het BS.
20. De verlenging tot 31.12.1992 van de nuttige beleggingstermijn om de bijzondere heffing te vermijden op roerende inkomsten betreffende het aj. 1990 (inkomsten van het jaar 1989), stelt natuurlijk geen enkel probleem (zie echter nr. 9).
21.
Wat de obligatie betreft die door vennootschappen zijn uitgegeven die zich via hun dochterondernemingen met een industriële werkzaamheid bezighouden (zie nr. 12 tot 15), mag redelijkerwijs aangenomen worden dat - alhoewel de parlementaire werkzaamheden ter zake niets bepalen - de wetgever een interpretatief karakter aan de in § 2, W 21.12.1992 bedoelde maatregel heeft willen geven, zodat de obligaties die na 31.12.1983 door de betrokken vennootschappen zijn uitgegeven als een geldige belegging mogen aangemerkt worden, zowel voor het vermijden van de bijzondere heffing op roerende inkomsten voor de aj. waarvoor de aanslagtermijn nog niet verstreken is, als voor het beslechten van nog hangende geschillen.
22.
Eenzelfde redenering geldt met betrekking tot het door de Belgische Staat na 1.1.1991 uitgegeven overheidspapier. In de praktijk kunnen dergelijke effecten evenwel slechts voor de aj. 1990 en volgende als geldige belegging ingeroepen worden.
23.
In voorkomend geval moet de belastingplichtige bij wie de bijzondere heffing op roerende inkomsten ingekohierd werd en die zich kan beroepen op beleggingen tijdens de nuttige periode in obligaties uitgegeven door vennootschappen die zich via een dochteronderneming met een industriële werkzaamheid bezighouden, of in overheidspapier uitgegeven vanaf 2.1.1991, in de vormen en binnen de termijn voorzien in art. 371, WIB 92 een bezwaarschrift indienen.
Circulaire nr. Ci.RH.332/448.557 dd. 09.09.1993
Bull. nr. 732, pag. 3011
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Vrijstellingsvoorwaarde
Commentaar op de W 21.12.1992 tot wijziging van art. 42, W 28.12.1983
houdende fiscale en begrotingsbepalingen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
INHOUDSOPGAVE I. WETTEKSTEN 1 II. ALGEMEEN 3 III. TIJDELIJKE MAATREGEL 8 IV. BLIJVENDE MAATREGELEN A. Algemeen 10 B. Industriële vennootschappen 12 C. Door de Belgische Staat uitgegeven overheidspapier 16 V. INWERKINGTREDING 19 I. WETTEKSTEN
1.
De W 21.12.1992 tot wijziging van art. 41, W 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V 2214 - Bull. 725) omvat slechts één artikel dat luidt als volgt :
W 21.12.1992 (enig art.)
§ 1. De termijn bepaald in artikel 42, § 3, 1°, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen wordt verlengd met één jaar voor de in § 1 van dat artikel bedoelde inkomsten die in 1989 werden geïnd.
§ 2. In hetzelfde artikel 42, § 3, 1°, worden de woorden "rechtstreeks of via hun dochterondernemingen" ingevoegd tussen de woorden "die zich" en het woord "bezighouden".
§ 3. Hetzelfde artikel 42, § 3, 1°, wordt aangevuld met de woorden "ofwel van overheidspapier door de Belgische Staat uitgegeven na 1 januari 1991".
2.
Ingevolge voormelde wijzigingen luidt art. 42, § 3, W 28.12.1983 (1) voortaan als volgt (de wijzigingen staan vet gedrukt) :
...
§ 3. De bijzondere heffing is niet verschuldigd door de belastingplichtigen die de verbintenis aangaan en naleven :
1° om vóór het einde van het tweede jaar dat volgt op dat waarin de aan die heffing onderworpen inkomsten werden geïnd of verkregen, een som die minstens gelijk is aan de berekeningsgrondslag van die heffing, te gebruiken voor de afbetaling, ofwel van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bedoeld in de artikelen 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (2), uitgeven ter gelegenheid van hun oprichting of van de verhoging van hun kapitaal, ofwel van obligaties uitgegeven na 31 december 1983 door in gezegde artikelen bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die zich rechtstreeks of via hun dochterondernemingen bezighouden met een industriële werkzaamheid ofwel van overheidspapier door de Belgische Staat uitgegeven na 1 januari 1991;
2° om de aldus afbetaalde effecten in bezit te houden gedurende tenminste vijf jaar of, in geval van overdracht binnen de vijf jaar na de afbetaling, om de overdrachtprijs binnen drie maanden na de overdracht weder te beleggen door effecten, die aan dezelfde omschrijving voldoen, af te betalen, tenzij de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de aanschaffing van effecten in het kader van verkoopaanbiedingen na vaste overname gelijkgesteld met de inschrijving daarop indien die aanschaffing ten laatste drie maanden na de vaste overname plaatsheeft, tegen een prijs gelijk aan die van de inschrijving.
...
II. ALGEMEEN
3.
Het bevrijdend maken van de RV voor natuurlijke personen met ingang van het aj. 1985 ging gepaard met het invoeren, uitsluitend in het voordeel van de Staat, van een nieuwe met de PB gelijkgestelde belasting, genaamd "bijzondere heffing op roerende inkomsten".
De basistekst van deze bijzondere heffing (art. 42, W 28.12.1983) werd meermaals gewijzigd. De basisprincipes (besproken in de circ. 28.2.1986, Ci.RH.332/362.892 - Bull. 649) werden, samen met de sindsdien aangebrachte wijzigingen, opnieuw uiteengezet in de circ. 12.11.1990, Ci.RH.332/399.106 (Bull. 700) waarvan de richtlijnen van toepassing blijven, onder voorbehoud van de door de W 21.12.1992 ingevoerde nieuwigheden die hierna worden besproken.
4.
Er wordt aan herinnerd dat de belastingplichtige om vrijstelling van de bijzondere heffing op roerende inkomsten te verkrijgen, de verbintenis moet aangaan en naleven:
| a) | uiterlijk op het einde van het tweede jaar na dat waarin de aan de bijzondere heffing onderworpen inkomsten zijn geïnd of verkregen, een som die ten minste gelijk is aan de berekeningsgrondslag van die heffing te gebruiken voor de afbetaling van bepaalde effecten; |
| b) | de aldus afbetaalde effecten gedurende ten minste vijf jaar in zijn bezit te houden (die termijn vangt aan op de datum van de afbetaling) of, in geval van overdracht binnen die termijn, de overdrachtprijs binnen drie maand na de overdracht te herbeleggen door effecten die aan dezelfde omschrijving voldoen af te betalen, tenzij de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht. |
De W 21.12.1992 voert met betrekking tot de voormelde principes drie nieuwe maatregelen in waarvan twee van blijvende aard zijn, terwijl de derde (de verlenging van de nuttige beleggingstermijn voor het aj. 1990) slechts een tijdelijk karakter heeft.
6.
De blijvende maatregelen kunnen als volgt worden samengevat:
- wat de belegging in "industriële" obligaties betreft, worden voortaan - naast de effecten uitgegeven door vennootschappen die zich werkelijk met een industriële werkzaamheid bezighouden - ook de effecten uitgegeven door vennootschappen waarvan een of meerdere dochterondernemingen zich met zulke werkzaamheden inlaten, in aanmerking genomen;
- anderzijds wordt de mogelijkheid van belegging uitgebreid tot leningen die vanaf 2.1.1991 door de Belgische Staat zijn uitgegeven.
7.
Bovendien wordt opgemerkt dat de W 21.12.1992 geen datum van inwerkingtreding vermeldt.
III. TIJDELIJKE MAATREGEL
8.
Paragraaf 1 van het enig art., W 21.12.1992 stelt dat de in art. 42, § 3, 1°, W 28.12.1983 bepaalde termijn, voor de inkomsten geïnd in 1989 (aj. 1990), met één jaar verlengd wordt.
Voor de desbetreffende roerende inkomsten verstreek de nuttige beleggingstermijn om de bijzondere heffing te vermijden in principe op 31.12.1991. Er is echter gebleken dat de belastingplichtigen bij gebrek aan uitgiften van nieuwe aandelen de investeringsverbintenis niet altijd hebben kunnen naleven (Senaat, buitengewone zitting 1991-1992, Stuk 430/1, blz. 1). Daarom heeft de wetgever beslist de nuttige beleggingstermijn voor de roerende inkomsten die in 1989 werden geïnd met één jaar te verlengen, zodat die termijn aldus tot 31.12.1992 is verlengd.
9.
Ter zake wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat de W 21.12.1992 met enige vertraging in het BS gepubliceerd werd (d.i. op 20.1.1993) - bij ontstentenis van een nieuw wetgevend initiatief dienaangaande - niet kan ingeroepen worden om een uitbreiding van de voormelde termijn te rechtvaardigen.
De voor het aj. 1990 gedane beleggingen moeten dan ook als laattijdig aangemerkt worden (en bijgevolg als onbestaande, wat de ambtshalve vestiging van de bijzondere heffing tot gevolg heeft) indien zij na 31.12.1992 plaatsvonden.
IV. BLIJVENDE MAATREGELEN
A. Algemeen
10.
Vóór hij werd gewijzigd door de §§ 2 en 3, W 21.12.1992 stelde § 3 van art. 42, W 28.12.1983 dat, om de bijzondere heffing op roerende inkomsten te vermijden, de belastingplichtige gehouden was binnen een bepaalde termijn te onderschrijven en af te betalen :
- ofwel aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die aan de Ven.B. onderworpen vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen hebben uitgegeven ter gelegenheid van hun oprichting of van de verhoging van hun kapitaal ("nieuwe" aandelen of deelbewijzen);
- ofwel obligaties die na 31.12.1983 zijn uitgegeven door voormelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen, die zich met een industriële werkzaamheid bezighouden.
11.
Paragraaf 2, W 21.12.1992 breidt het begrip "industriële vennootschappen" uit terwijl § 3 van dezelfde wet een nieuwe categorie van geldige beleggingen invoert, namelijk door de Belgische Staat uitgegeven overheidspapier.
B. Industriële vennootschappen
12.
Tot op heden werden enkel als geldige belegging in aanmerking genomen, de obligaties uitgegeven.
- na 31.12.1983
- door aan de Ven.B onderworpen vennootschappen
- waarvan de voornaamste activiteit in de industriële sector ligt.
Overeenkomstig art. 42, § 5, W 28.12.1983, worden overigens niet als "industriële" obligaties aangemerkt, obligaties die inzonderheid worden uitgegeven door :
- kredietinstellingen;
- verzekeringsmaatschappijen;
- ondernemingen van hypothecaire leningen;
- kapitalisatieondernemingen;
- portefeuillemaatschappijen;
- vastgoedmaatschappijen;
- vervoersondernemingen.
Eveneens zijn uitgesloten, obligaties uitgegeven door ondernemingen die zich hoofdzakelijk bezighouden met een handels- of landbouwactiviteit of waarvan de voornaamste activiteit in de ambachtelijke of dienstensector ligt, aangezien in dit geval de industriële werkzaamheid onbestaande of geenszins overwegend is.
13.
Door de invoeging in art. 42, § 3, 1°, W 28.12.1983, van de woorden "rechtstreeks of via hun dochterondernemingen" tussen de woorden "die zich" en het woord "bezighouden", bereidt § 2 van de W 21.12.1992 het begrip "vennootschap die zich bezighoudt met een industriële werkzaamheid" aanzienlijk uit vermits naast de vennootschappen die zelf zulke werkzaamheid uitoefenen, voortaan eveneens de vennootschappen bedoeld zijn waarvan ten minste een (Belgische of buitenlandse) dochteronderneming zich (in België of in het buitenland) met een industriële werkzaamheid bezighoudt.
14.
Het begrip "dochteronderneming" moet verstaan worden in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, wat inhoudt dat de vennootschap die obligaties heeft uitgegeven die als "industriële" obligaties kunnen gekwalificeerd worden, een bepaalde controlebevoegdheid moet bezitten ten opzichte van de onderneming die zich met een industriële werkzaamheid bezighoudt. Het betreft dus moedermaatschappijen. Vanzelfsprekend is het vereist dat deze maatschappijen aan de Ven.B onderworpen zijn, m.a.w. dat het gaat om :
- Belgische kapitaalvennootschappen (NV en CVA) of ermee gelijkgestelde rechtspersonen;
- Belgische personenvennootschappen (VOF, BVBA, CV, enz.);
- bepaalde vennootschappen naar buitenlands recht of ermee gelijkgestelde rechtspersonen.
Er is beslist dat onder meer de Belgische vennootschap PETROFINA - daar zij via haar (Belgische of buitenlandse) dochterondernemingen een industriële werkzaamheid uitoefent - aan deze omschrijving beantwoordt.
In zijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 379 van 19.1.1993, gesteld door Volksvertegenwoordiger DRAPS (Bull. 728), heeft de Minister van Financiën geoordeeld dat dit eveneens voor BELGACOM (vroegere RTT) het geval is.
15.
Daarentegen komen obligaties die zijn uitgegeven door een vennootschap die niet zelf een industriële werkzaamheid uitoefent of waarvan geen enkele dochteronderneming zulke werkzaamheid uitoefent niet in aanmerking, zelfs indien de moedermaatschappij of een zusteronderneming van de betrokken vennootschap tot de industriële sector behoort.
C. Door de Belgische Staat uitgegeven overheidspapier
16.
Door de toevoeging in fine van art. 42, § 3, 1°, W 28.12.1983 van de woorden "ofwel van overheidspapier door de Belgische Staat uitgegeven na 1 januari 1991" knoopt § 3 van de W 21.12.1992 terug aan, maar deze keer op blijvende wijze, bij een gelijkaardige tijdelijke maatregel die voor het aj. 1989 werd uitgevaardigd door art. 25, § 2, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (zie circ. 3.5.1991, Ci.RH.332/429.045 - Bull. 706).
17.
Belangrijk is dat het moet gaan om effecten tot vestiging van leningen uitgegeven door de Belgische Staat, met uitsluiting dus van leningen die zouden zijn uitgegeven door de gemeenschappen, de gewesten of andere ondergeschikte besturen of leningen met staatswaarborg die niet door de Staat zijn uitgegeven.
18.
Bovendien komen alleen de effecten tot vestiging van leningen in aanmerking die na 1.1.1991 zijn uitgegeven.
V. INWERKINGTREDING
19.
De W 21.12.1992 vermeldt geen datum van inwerkingtreding. In principe heeft die dan ook plaats 10 dagen na de publikatie van voormelde wet in het BS.
20. De verlenging tot 31.12.1992 van de nuttige beleggingstermijn om de bijzondere heffing te vermijden op roerende inkomsten betreffende het aj. 1990 (inkomsten van het jaar 1989), stelt natuurlijk geen enkel probleem (zie echter nr. 9).
21.
Wat de obligatie betreft die door vennootschappen zijn uitgegeven die zich via hun dochterondernemingen met een industriële werkzaamheid bezighouden (zie nr. 12 tot 15), mag redelijkerwijs aangenomen worden dat - alhoewel de parlementaire werkzaamheden ter zake niets bepalen - de wetgever een interpretatief karakter aan de in § 2, W 21.12.1992 bedoelde maatregel heeft willen geven, zodat de obligaties die na 31.12.1983 door de betrokken vennootschappen zijn uitgegeven als een geldige belegging mogen aangemerkt worden, zowel voor het vermijden van de bijzondere heffing op roerende inkomsten voor de aj. waarvoor de aanslagtermijn nog niet verstreken is, als voor het beslechten van nog hangende geschillen.
22.
Eenzelfde redenering geldt met betrekking tot het door de Belgische Staat na 1.1.1991 uitgegeven overheidspapier. In de praktijk kunnen dergelijke effecten evenwel slechts voor de aj. 1990 en volgende als geldige belegging ingeroepen worden.
23.
In voorkomend geval moet de belastingplichtige bij wie de bijzondere heffing op roerende inkomsten ingekohierd werd en die zich kan beroepen op beleggingen tijdens de nuttige periode in obligaties uitgegeven door vennootschappen die zich via een dochteronderneming met een industriële werkzaamheid bezighouden, of in overheidspapier uitgegeven vanaf 2.1.1991, in de vormen en binnen de termijn voorzien in art. 371, WIB 92 een bezwaarschrift indienen.
Bron: FisconetPlus
