Aanschrijving nr. 17 dd. 15.12.1987

AANSCHRIJVING 87/017

Aanschrijving nr. 17 dd. 15.12.1987


Deze aanschrijving wordt opgeheven door de aanschrijving nr. E.T.97.794 dd. 01.03.2001.
Vrijstellingen.

OVERZICHT Onderwerp van de aanschrijving.

1. Wettelijke en reglementaire bepalingen.

2. Niet in België gevestigde personen.

EERSTE HOOFDSTUK. - VRIJSTELLINGEN INGESTELD BIJ ARTIKEL 39, § 1, VAN HET WETBOEK.

EERSTE AFDELING. - VRIJSTELLING VAN BTW IN GEVAL VAN UITVOER VAN GOEDEREN DOOR DE LEVERANCIER, DOOR DE DIENSTVERRICHTER OF VOOR HUN REKENING.

3. Vrijgestelde handelingen.

4. Voorbeelden.

5. Te vervullen formaliteiten.

6. Te verstrekken bewijzen.

7. Bewijs van de uitvoer in geval van achtereenvolgende verkopen of dienstverrichtingen.

8. Gezamenlijke uitvoer.

9. FOB-leveringen.

10. Uitvoer over de post.

11. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is aan de forfaitaire aanslag die ingesteld is op grond van artikel 56, § 1, van het Wetboek.

12. Uitvoer van tabaksfabrikaten.

13. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is aan de egalisatiebelasting die ingesteld is op grond van artikel 56, § 2, van het Wetboek.

14. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is aan de bijzondere landbouwregeling die ingesteld is op grond van artikel 57 van het Wetboek.

AFDELING 2. - VRIJSTELLING VAN BTW IN GEVAL VAN UITVOER DOOR DE NIET IN BELGIE GEVESTIGDE KOPER OF AFNEMER VAN DE DIENST OF VOOR HUN REKENING.

15. Vrijgestelde handelingen.

16. Goederen die worden afgehaald door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst.

17. Goederen die worden afgehaald voor rekening van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst.

18. Goederen die worden overhandigd aan een in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer die handelt voor rekening van een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst.

19. Regularisatie en betaling van de BTW indien, bij afhaling van de goederen door een in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer die handelt voor rekening van een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, de goederen niet worden uitgevoerd.

20. Bewijs van de uitvoer.

21. Bijzondere regelingen.

AFDELING 3. - UITSLUITING VAN DE VRIJSTELLING VAN BTW VOOR SOMMIGE GOEDEREN INGEVAL ZE WORDEN UITGEVOERD DOOR DE NIET IN BELGIE GEVESTIGDE KOPER OF AFNEMER VAN DE DIENST AAN BOORD VAN PLEZIERVAARTUIGEN, SPORTVLIEGTUIGEN OF ANDERE VERVOERMIDDELEN VOOR PRIVE-GEBRUIK, ALSOOK VOOR DIENSTEN MET BETREKKING TOT DE HIERBOVEN BEDOELDE GOEDEREN EN VERVOERMIDDELEN.

22. Algemeen.

23. Levering van goederen en diensten waarop de vrijstelling van de BTW niet wordt toegepast.

24. Diensten, waarbij al dan niet wisselstukken worden verwerkt, met betrekking tot voertuigen voor vervoer over de weg.

25. Diensten, waarbij al dan niet wisselstukken worden verwerkt, met betrekking tot vliegtoestellen, jachten of andere pleziervaartuigen.

26. Levering van bevoorrading bestemd voor de in nr. 23, a, bedoelde vervoermiddelen.

AFDELING 4. - VERGUNNING BEDOELD IN ARTIKEL 14 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 18.

27. Algemeen.

28. Toepassingssfeer van de opschorting. - Voorwaarden.

29. Duur van de opschorting.

30. Wijziging van de bestemming van de goederen. - Verschuldigdheid van de BTW.

31. Misbruik.

HOOFDSTUK II. - VRIJSTELLINGEN INGESTELD BIJ ARTIKEL 39, § 2, VAN HET WETBOEK.

32. Vrijgestelde handelingen.

EERSTE AFDELING. - VERZENDING OF VERVOER VAN INLANDSE GOEDEREN NAAR EEN PLAATS WAAR INZAKE DOUANE EEN REGELING VAN ENTREPOT OF VAN TIJDELIJKE OPSLAG GELDT, ALSMEDE OVERDRACHT VAN Zich ALDAAR BEVINDENDE INLANDSE GOEDEREN MET HANDHAVING VAN EEN VAN DIE REGELINGEN.

33. Voorbeelden .

34. Toepassingsvoorwaarden.

35. Na te leven formaliteiten.

36. Overdracht van inlandse goederen die zich inzake douane onder een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag bevinden met handhaving van die regeling.

37. Te verstrekken bewijzen.

38. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

AFDELING 2. - DIENSTEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN WAARVOOR INZAKE DOUANE EEN REGELING VAN DOORVOER, VAN ENTREPOT OF VAN TIJDELIJKE OPSLAG GELDT.

39. Toepassingsvoorwaarden.

40. Na te leven formaliteiten en te verstrekken bewijzen.

41. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

AFDELING 3. - VERZENDING OF VERVOER VAN INLANDSE GOEDEREN NAAR, ALSMEDE INVOER VAN GOEDEREN TER BESTEMMING VAN EEN PLAATS WAAR EEN ANDERE REGELING VAN ENTREPOT DAN DOUANE-ENTREPOT WORDT TOEGEPAST; OVERDRACHT VAN DEZE GOEDEREN DIE ZICH OP DIE PLAATS BEVINDEN MET HANDHAVING VAN DIE REGELING; DIENSTEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN DIE ZICH ALDAAR BEVINDEN.

42. Voorafgaande opmerking.

43. Toepassingsvoorwaarden. - Vergunning.

44. Bestellingen. - Aansprakelijkheid van de leverancier of van de dienstverrichter.

45. Invoer.

46. Borgstelling.

47. Aard van de vrijstelling. - Uitvoertermijn.

48. Controle over de vrijstelling.

49. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

AFDELING 4. - ALGEMENE BEPALINGEN.

50. Opschorting van de betaling van de BTW.

51. Bijzondere regelingen.

HOOFDSTUK III. - VRIJSTELLING INGESTELD OP GROND VAN ARTIKEL 39, § 4, VAN HET WETBOEK.

52. Vrijgestelde handelingen.

53. Toepassingsvoorwaarden.

54. Algemene bepalingen.

55. Formaliteiten en bewijs van uitvoer.

56. Speciale beschikkingen met betrekking tot goederen die dienstig zijn als uitrusting of bevoorrading van autovoertuigen, jachten, sportvliegtuigen of andere vervoermiddelen voor privégebruik .

57. Bijzondere regelingen.

HOOFDSTUK IV. - VRIJSTELLING INGESTELD BIJ ARTIKEL 40, § 1, 3°, b, VAN HET WETBOEK.

58. Vrijgestelde handelingen.

59. Rechthebbende op de vrijstelling.

60. Aanvraag, uitreiking, duur, weigering en intrekking van de vergunning.

61. Invoer.

62. Borgstelling.

63. Uitvoer.

64. Aard van de vrijstelling. - Uitvoertermijn.

65. Controle over de vrijstelling.

66. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

HOOFDSTUK V. - VRIJSTELLING INGESTELD BIJ ARTIKEL 42, § 3, 8°, VAN HET WETBOEK.

67. Vrijgestelde handelingen.

EERSTE AFDELING. - VRIJSTELLING VAN BTW DIE WORDT VERLEEND INGEVOLGE EEN VERGUNNING.

68. Aanvraag en uitreiking van de vergunning.

69. Duur en intrekking van de vergunning.

70. Bestellingen. - Aansprakelijkheid van de leverancier of van de dienstverrichter .

71. Invoer.

72. Aard van de vrijstelling. - Uitvoertermijn.

73. Controle over de vrijstelling.

74. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

75. Bewaring van de documenten.

AFDELING 2. - VRIJSTELLING VAN BTW DIE WORDT VERLEEND BIJ WIJZE VAN TERUGGAAF.

76. Recht op teruggaaf.

77. Aanvraag om teruggaaf.

78. Behandeling van de aanvraag om teruggaaf.

HOOFDSTUK VI. - VRIJSTELLING INGESTELD BIJ ARTIKEL 43 VAN HET WETBOEK.

79. Vrijgestelde handelingen.

80. Rechthebbende op de vrijstelling. - Vergunning.

81. Aanvraag, uitreiking, duur, weigering en intrekking van de vergunning. - Borgstelling.

82. Inlichtingen te verstrekken in de aanvraag om vergunning.

83. Toepassingsvoorwaarden.

84. Vaststelling van het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet die moeten worden vermeld in de aanvraag.

85. Vaststelling van het totaalbedrag van de BTW waarop het percentage van de vrijstelling van toepassing is.

86. Uitoefening van de vrijstelling.

87. Bestellingen. - Aansprakelijkheid van de leverancier of van de dienstverrichter.

88. Invoer.

89. Controle over de vrijstelling.

HOOFDSTUK VII. - ALGEMEEN.

90. Ontheffing van verval. Onderwerp van de aanschrijving.

* * *

Deze aanschrijving heeft tot doel de commentaar te actualiseren die bij aanschrijving nr. 21/1978 (1) is gewijd aan de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van de diverse vrijstellingsbepalingen die de uitvoer van goederen en diensten regelen.

Zij herneemt deze basisaanschrijving die ze bijwerkt door bepaalde verduidelijkingen aan te brengen, door de wijzigingen reeds aangebracht bij de aanschrijvingen nrs. 7/1979 (2) en 11/1984 (3) in te lassen en door rekening te houden met de invoering van het enig document genaamd "Opgave Benelux 50" ten behoeve van de intra-Benelux-handel.

Tevens wijzigt zij de toepassingsvoorwaarden van de regeling van opschorting van betaling van de BTW die het voorwerp uitmaakt van afdeling 4 van het eerste hoofdstuk van de bovengenoemde aanschrijving nr. 21/1978, zoals deze reeds werd gewijzigd bij genoemde aanschrijving nr. 7/1979, door de voorwaarden tot het strikt minimum te herleiden.

Tenslotte wordt de aandacht gevestigd op de recente faciliteiten die, op vraag van de Europese Economische Gemeenschap, werden verleend op het stuk van de uitvoer van goederen in de bagage van reizigers.

De aanschrijvingen nrs. 21/1978, 7/1979 en 11/1984 worden met ingang van de datum van deze aanschrijving opgeheven.

Verder dient aangestipt dat de aanschrijving nr. 17/1973 (4) met betrekking tot "Gietvormen, modellen en ander reproduktiematerieel" en de aanschrijving nr. 2/1979 (5) met betrekking tot "Opeenvolgende verkopen met toevallige tussenkomst van in het buitenland gevestigde belastingplichtigen" onveranderd van toepassing blijven.

1. Wettelijke en reglementaire bepalingen.

De wettelijke bepalingen in verband met de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer zijn opgenomen in de artikelen 39, 40, § 1, 3°, b, 42, § 3, 8°, en 43 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. De reglementaire bepalingen met betrekking tot die vrijstellingen zijn geregeld door het koninklijk besluit nr. 18 van 27 december 1977 (6).

1.1. Op grond van artikel 39, § 1, van het Wetboek worden van de BTW vrijgesteld :

a) de leveringen van goederen die door of voor rekening van de leverancier of van de niet in België gevestigde koper van het binnenland naar het buitenland worden verzonden of vervoerd;

b) de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, met betrekking tot goederen die hier te lande zijn verkregen of vervaardigd of er zijn ingevoerd om de bedoelde diensten te ondergaan en die van het binnenland naar het buitenland worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de dienstverrichter of van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst.

1.2. Op grond van artikel 39, § 2, van het Wetboek worden van de BTW vrijgesteld :

a) de levering van goederen die door of voor rekening van de leverancier of van de niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd van het binnenland naar een plaats waar inzake douane een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag geldt, alsmede de overdracht van die goederen aldaar met handhaving van één van die regelingen;

b) de levering van goederen die door of voor rekening van de leverancier of van de niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd van het binnenland naar een plaats waar een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot wordt toegepast, alsmede de overdracht van die goederen aldaar met handhaving van die regeling (7);

c) de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, met betrekking tot goederen die hier te lande zijn verkregen of vervaardigd of er zijn ingevoerd om deze diensten te ondergaan en die naar één van de onder a en b bedoelde plaatsen worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de dienstverrichter of van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst;

d) de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, met betrekking tot goederen die zich op één van de onder a en b bedoelde plaatsen bevinden;

e) de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, met betrekking tot goederen die voor doorvoer zijn aangegeven en die bestaan in handelingen die in het kader van de doorvoerregeling zijn toegelaten.

1.3. Een speciale regeling die is ingesteld op grond van artikel 39, § 4, van het Wetboek bepaalt de beperkingen en voorwaarden van de vrijstelling van de BTW voor de leveringen van de goederen die worden uitgevoerd in de bagage van niet in België gevestigde reizigers (z. kon. besl. nr. 18, art. 15 en 16).

1.4. Op grond van artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek kan vrijstelling van de BTW worden bekomen voor de tijdelijke invoer van goederen die hier te lande een herstelling, een bewerking, een verwerking of een aanpassing moeten ondergaan.

1.5. Op grond van artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek kan eveneens vrijstelling van de BTW worden verleend voor de invoer en de levering van goederen die bestemd zijn voor erkende organisaties die deze goederen uitvoeren in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk in het buitenland, alsmede voor de diensten die aan deze organisaties met betrekking tot de bedoelde goederen worden verstrekt.

1.6. Ten slotte kunnen de belastingplichtigen, op grond van artikel 43 van het Wetboek, de door hen voor uitvoer bestemde goederen, de grondstoffen en hulpstoffen voor de vervaardiging van die goederen en de diensten met betrekking tot deze vervaardiging, hier te lande afnemen of invoeren met vrijstelling van de BTW.

1.7. Het koninklijk besluit nr. 18 van 27 december 1977 bepaalt welke formaliteiten, voorwaarden en normen moeten worden vervuld en welke bewijzen moeten worden geleverd om de vrijstellingen te genieten waarvan sprake in de artikelen 39, 40, § 1, 3°, b, en 43 van het Wetboek.

1.8. Er dient opgemerkt dat de beperkingen en de toepassingsvoorwaarden van artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek niet bij koninklijk besluit worden bepaald maar wel door of namens de Minister van Financiën. Zij maken het onderwerp uit van hoofdstuk V hierna.

1.9. De aandacht wordt erop gevestigd dat op 1 december 1980 een aanvullende weeldetaks werd ingevoerd in de wetgeving op de belasting over de toegevoegde waarde.

De aanvullende weeldetaks beantwoordt volledig aan de aard van de belasting over de toegevoegde waarde, waarvan ze in principe alle regels volgt volgens een zelfde wetgeving en, onder meer, deze bepaald inzake uitvoer.

Ze werd gereglementeerd bij het koninklijk besluit van 10 november 1980 (8) (Belgisch Staatsblad van 25 november 1980), gewijzigd op 1 september 1981 door het koninklijk besluit van 11 augustus 1981 (9) (Belgisch Staatsblad van 12 augustus 1981).

Ze maakt het onderwerp uit van de aanschrijvingen nrs. 20/1980 (10), 11/1981 (11) en 17/1981(12).

Men mag niet uit het oog verliezen dat, onder voorbehoud van de uitvoering van artikel 3 van het voornoemd koninklijk besluit van 10 november 1980, de aanvullende weeldetaks niet de diensten beoogt en dat artikel 38, § 3, van het BTW-Wetboek niet erop van toepassing is.

Onder voorbehoud van de bepalingen en modaliteiten eigen aan de aanvullende weeldetaks dekken, in onderhavige aanschrijving, de woorden "BTW" dus zowel de eigenlijke belasting over de toegevoegde waarde als de aanvullende weeldetaks.

1.10. Het eerste hoofdstuk (nrs. 3 tot 31) en hoofdstuk II (nrs. 32 tot 51) van deze aanschrijving zijn gewijd aan de vrijstellingen die geregeld worden bij artikel 39, §§ 1 tot 3, van het Wetboek.

In hoofdstuk III (nrs. 52 tot 57) wordt de speciale regeling inzake uitvoer van goederen die worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van niet in België gevestigde reizigers nader toegelicht. De bij artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek ingestelde vrijstelling wordt behandeld in hoofdstuk IV (nrs. 58 tot 66). In hoofdstuk V (nrs. 67 tot 78) is er sprake van de vrijstelling ingesteld bij artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek en in hoofdstuk VI (nrs. 79 tot 89) wordt de bij artikel 43 van het Wetboek ingestelde vrijstelling behandeld. Ten slotte is hoofdstuk VII gewijd aan de mogelijkheid tot opheffing van verval van het voordeel van de vrijstelling (nr. 90).

2. Niet in België gevestigde personen.

2.1. Voor de toepassing van deze aanschrijving wordt beschouwd als zijnde niet in België gevestigd de persoon of de onderneming die in het buitenland is gevestigd en die in België geen vaste inrichting heeft. Het feit dat ingevolge artikel 55 van het Wetboek in België een aansprakelijke vertegenwoordiger is erkend heeft geen invloed op deze toestand.

2.2. Evenwel wordt de onderneming die de voornaamste zetel van haar beroepswerkzaamheid in het buitenland heeft en die in België een vaste inrichting heeft, als een niet in België gevestigde onderneming beschouwd in de gevallen waarin de buitenlandse zetel rechtstreeks handelt met de hier te lande gevestigde verkoper of dienstverrichter en voor zover de invoer of de uitvoer, alsmede het vervoer en de betalingen die er mede in verband staan, geschieden zonder enige tussenkomst van de in België gevestigde vaste inrichting.

2.3. Evenzo wordt de buitenlandse afdeling van een hier te lande gevestigde onderneming beschouwd als een niet in België gevestigde onderneming in de gevallen waarin deze afdeling rechtstreeks handelt met de hier te lande gevestigde verkoper of dienstverrichter en voor zover de invoer of de uitvoer, alsmede het vervoer en de betalingen die er mede in verband staan, geschieden zonder enige tussenkomst van de in België gevestigde zetel van de onderneming. ----------------------- (1) Z. Revue nr. 37, blz 525. (2) Z. Revue nr. 40, blz 420. (3) Z. Revue nr. 65, blz 607. (4) Z. Revue nr. 13 blz 372 (5) Z. Revue nr. 40 blz 342. (6) Z. Revue nr. 33 blz 109 (7) Een zelfde regeling is toepasselijk op de invoeren; ze zal gezamenlijk worden gecommentarieerd (z. Wetb., art. 40, § 1, 1°). (8) Z. Revue nr. 47 blz 31. (9) Z. Revue nr. 51 blz 589 (10) Z. Revue nr. 48 blz 223 (11) Z. Revue nr. 51 blz 599 (12) Z. Revue nr. 51, blz 605. EERSTE HOOFDSTUK. - VRIJSTELLINGEN INGESTELD BIJ ARTIKEL 39, § 1, VAN HET WETBOEK EERSTE AFDELING. - VRIJSTELLING VAN BTW IN GEVAL VAN UITVOER VAN GOEDEREN DOOR DE LEVERANCIER, DOOR DE DIENSTVERRICHTER OF VOOR HUN REKENING (KON. BESL. nr. 18, art. 2 TOT 4 EN 8).

3. Vrijgestelde handelingen.

3.1. In deze afdeling worden de handelingen bedoeld in artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek, en bepaalde handelingen bedoeld in artikel 39, § 1, 3°, van het Wetboek, nader toegelicht, namelijk :

a) de uitvoer van goederen door de leverancier (z. Wetboek, art. 39, § 1, 1°);

b) de uitvoer van goederen voor rekening van de leverancier (z. Wetboek, art. 39, § 1, 1°);

c) de uitvoer van goederen door de dienstverrichter die met betrekking tot deze goederen diensten heeft verricht andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek (z. Wetboek, art. 39, § 1, 3°);

d) de uitvoer van goederen voor rekening van de dienstverrichter die met betrekking tot deze goederen diensten heeft verricht als bedoeld in c hierboven (z. Wetboek, art. 39, § 1, 3°).

De levering van de goederen als bedoeld onder a en b is vrijgesteld van de BTW om reden van de uitvoer, terwijl de onder c en d bedoelde diensten vrijgesteld zijn wegens de uitvoer van de goederen waaraan de dienst werd verricht.

3.2. Er dient opgemerkt dat artikel 39, § 1, 3°, van het Wetboek uitdrukkelijk bedingt dat de goederen waarop de vrijgestelde diensten betrekking hebben, hier te lande moeten zijn verkregen of vervaardigd of er moeten zijn ingevoerd om die diensten te ondergaan.

Onder goederen die hier te lande zijn verkregen of vervaardigd wordt ook verstaan de goederen die door de afnemer van de dienst hier te lande zijn geoogst of gewonnen (b.v. produkten van zand- en steengroeven, produkten van koolmijnen, bronwater, landen bosbouwprodukten, enz.).

De hierboven aangehaalde bepaling heeft onder andere tot doel geen vrijstelling van de BTW toe te staan voor diensten met betrekking tot pleziervaartuigen, sportvliegtuigen of andere vervoermiddelen voor privé-gebruik die noodzakelijk zijn geworden ingevolge een defect, een ongeval of andere bij de invoer onvoorziene omstandigheden tijdens een verblijf hier te lande. Voor de praktische toepassing van deze bepaling wordt verwezen naar afdeling 3 van dit hoofdstuk.

4. Voorbeelden.

4.1. Voorbeeld 1 (leverancier).

A verkoopt goederen aan B; B verkoopt ze door aan C die ze op zijn beurt doorverkoopt aan D. Bij onderstelling zijn A, B en C hier te lande gevestigde belastingplichtigen en is D niet in België gevestigd. De goederen worden door A in opdracht van B in het magazijn van C geleverd. Deze voert ze vervolgens uit ter bestemming van D. Voor de verkopen door A aan B, door B aan C en door C aan D, geschiedt de levering hier te lande (z. Wetboek, art. 15, § 1, tweede lid, 1°, en 16). De BTW is verschuldigd op de verkopen door A aan B en door B aan C, maar de verkoop door C aan D is vrijgesteld van BTW op grond van artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek om reden dat C de goederen van het binnenland naar het buitenland vervoert of doet vervoeren. Of C deze uitvoer doet met eigen vervoermiddel of zulks door een vervoerder voor zijn rekening laat doen heeft geen belang.

In de onderstelling dat C opdracht geeft aan B om de goederen uit te voeren en B deze opdracht doorgeeft aan A die de goederen van uit zijn magazijn naar het buitenland vervoert of doet vervoeren, vindt de levering voor de verkopen door A aan B, door B aan C, en door C aan D hier te lande plaats (z. Wetboek, art. 15, § 1, tweede lid, 1°, en 16); nochtans zijn deze verkopen van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek.

4.2. Voorbeeld 2 (dienstverrichter).

De toestand is dezelfde als in nr. 4.1, behoudens dat het hier niet gaat om verkochte goederen, maar om goederen die door D worden toegestuurd aan C om te worden bewerkt voor rekening van D. Voor de uitvoering van dit werk wendt C zich tot B, die het op zijn beurt toevertrouwt aan A. De bewerkte goederen worden door A geleverd in de magazijnen van C, die ze uitvoert. De BTW is verschuldigd op de prijs van de dienst die A in rekening brengt aan B en op de prijs die B factureert aan C; de door C aan D aangerekende dienst is van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 3°, van het Wetboek.

In de onderstelling dat C opdracht geeft aan B de bewerkte goederen uit te voeren en dat B deze opdracht doorgeeft aan A die de bewerkte goederen naar het buitenland vervoert of doet vervoeren, worden de diensten verstrekt door A aan B, door B aan C en door C aan D aangemerkt als hier te lande plaats te vinden (z. Wetboek, art. 21, § 3, 2°); nochtans zijn ze van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 3°, van het Wetboek.

4.3. Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt dus dat de vrijstelling wegens uitvoer niet enkel kan worden toegepast in de betrekkingen tussen de niet in België gevestigde klant en zijn hier te lande gevestigde leverancier of dienstverrichter, maar eveneens in de betrekkingen tussen deze laatste en zijn eigen leverancier of dienstverrichter voor zover deze de goederen uitvoert door ze naar het buitenland te vervoeren ofwel persoonlijk, ofwel door een in zijn opdracht en voor zijn rekening handelende commissionair-expediteur of vervoerondernemer.

De vrijstelling vindt daarentegen geen toepassing in de betrekking tussen een in België gevestigde leverancier of dienstverrichter en zijn eveneens hier te lande gevestigde klant, wanneer de leverancier of de dienstverrichter de goederen in opdracht van deze klant overhandigt aan een commissionair-expediteur of aan een vervoerondernemer die van deze klant opdracht heeft gekregen de goederen naar het buitenland te vervoeren en die, bijgevolg, de vergoeding voor zijn vervoerprestatie aan deze klant factureert. Dit is met name het geval wanneer de afgifte van de goederen geschiedt onder de clausule FOR of "franco wagon plaats van verzending" waarbij volgens deze modaliteiten de verkoper of de dienstverrichter zich slechts verbindt de goederen in België ter vrije beschikking van zijn klant te stellen. Het feit dat de verkoper of de dienstverrichter van zijn klant een afschrift van de vrachtbrief kan verkrijgen is daarbij zonder belang.

5. Te vervullen formaliteiten (kon. besl. nr. 1, art. 2, eerste lid, 7°; kon. besl. nr. 18, art. 2, 2bis, en 8; kon. besl. nr. 23, art. 4, §§ 2 en 3).

5.1. Uitvoeren met een andere bestemming dan het Groothertogdom Luxemburg of Nederland.

Wanneer goederen worden uitgevoerd naar een ander land dan het Groothertogdom Luxemburg of Nederland, wordt een geschreven aangifte ten uitvoer opgesteld en overhandigd aan de douane, overeenkomstig hetgeen bepaald is door de douane- en accijnsreglementering. Dit geldt zelfs wanneer die uitvoer geschiedt over de Belgisch-Luxemburgse of over de Belgisch-Nederlandse grens.

De schriftelijke aangifte ten uitvoer wordt gedaan op naam van de leverancier of van de dienstverrichter die de goederen aan de douane vertoont of voor wiens rekening ze worden vertoond. De lasthebber die de aangifte doet mag een voorgaande leverancier of dienstverrichter zijn aan wie de opdracht werd doorgegeven om de goederen naar het buitenland te vervoeren.

Een kopie van de verkoopfactuur of van de factuur met betrekking tot de dienstverrichting of, bij ontstentenis van een factuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een factuur bevat, moet aan de douane worden overgelegd tot staving van de geschreven aangifte ten uitvoer van de goederen. Het gaat om de kopie van de factuur of om het verzendingsstuk uitgereikt door de persoon op wiens naam de aangifte ten uitvoer wordt opgesteld. Die kopie of dat verzendingsstuk is evenwel niet vereist voor de zendingen waarvan de waarde geen 10.000 fr. overschrijdt.

Wanneer op de kopiefactuur de hoeveelheid en de gewone benaming van de uitgevoerde goederen niet zijn vermeld, moet die kopiefactuur met deze gegevens worden aangevuld of moet eveneens een verzendingsstuk waarop die gegevens voorkomen worden afgegeven.

De uitvoerder vermeldt op de kopie van de factuur of op het verzendingsstuk zijn BTW-registratienummer, alsmede de kenletter die dit nummer in voorkomend geval voorafgaat. Daarenboven duidt hij het uit 7 cijfers bestaande statistieknummer aan waaronder de uitgevoerde goederen in het Tarief van invoerrechten zijn ingedeeld, alsmede de prijs of de waarde van de goederen, omgezet in Belgische frank indien deze is uitgedrukt in vreemde munt. Ten slotte vermeldt de kopie van de factuur, net als de factuur zelf, of het verzendingsstuk de reden van de vrijstelling van de BTW.

5.2. Uitvoeren naar het Groothertogdom Luxemburg of naar Nederland.

Wanneer goederen worden uitgevoerd naar het Groothertogdom Luxemburg of naar Nederland over de Belgisch-Luxemburgse of over de Belgisch-Nederlandse grens moet de uitvoer, onder voorbehoud van het bepaalde in het voorlaatste lid hierna, geschieden onder de door de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, inzonderheid ten aanzien van de kantoren en wegen waarlangs de goederen mogen worden uitgevoerd, de verplichting de goederen op die kantoren te vertonen en aan te geven en het tijdstip waarop de uitvoer mag plaatsvinden (z. min. besl. van 14 april en 25 mei 1977).

De aangifte dient mondeling te geschieden. Ter staving van de mondelinge aangifte wordt, naargelang van het onderscheid dat hierna wordt gemaakt, ofwel een opgave Benelux 50 overgelegd (z. min. besl. nr. 18 van 30 juni 1984 (Z. Revue nr. 64, blz. 494.) met betrekking tot de opgave waarvan gebruik wordt gemaakt bij invoer en bij uitvoer over de Belgisch-Luxemburgse grens of de Belgisch-Nederlandse grens), ofwel een kopie van de verkoopfactuur of van de factuur met betrekking tot de dienstverrichting of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een factuur bevat.

De opgave Benelux 50 moet worden overgelegd indien de goederen worden uitgevoerd over de weg, per spoor of via de binnenwateren en voor zover ze bestemd zijn om in het land van invoer ten verbruik te worden aangegeven ter bestemming van een natuurlijke of rechtspersoon die voor het intra-Beneluxverkeer van deze goederen onder de verleggingsregeling van de belasting over de toegevoegde waarde ressorteert krachtens de in het land van invoer geldende reglementering.

In ieder geval vindt het gebruik van de opgave geen toepassing wanneer het gaat om :

a) goederen welke onder geleide van een te zuiveren douanedocument over de grens worden gebracht;

b) goederen die worden wederuitgevoerd in de staat waarin ze werden ingevoerd en die bij wederinvoer in het Groothertogdom Luxemburg of in Nederland van de belasting zijn vrijgesteld;

c) goederen waarvoor de exporteur, of wel door het Nationaal Instituut voor de Statistiek voor de uitvoer naar Nederland, of wel door de Administratie der douane en accijnzen voor de uitvoer naar het Groothertogdom Luxemburg, gemachtigd is tot het doen van een maandopgave voor zijn uitvoer;

d) postcolli en postzendingen.

Anderzijds is het gebruik van de opgave facultatief ten aanzien van zendingen met een waarde lager dan 15.000 frank en een nettogewicht lager dan 1.000 kg per zending voor een zelfde afnemer.

In het geval dat de opgave Benelux 50 niet moet worden overgelegd of wanneer gebruik wordt gemaakt van de in vorig lid genoemde mogelijkheid de opgave niet te gebruiken, moet een kopie van de verkoopfactuur of van de factuur met betrekking tot de dienstverrichting of, bij ontstentenis van een factuur, een verzendingsstuk worden overgelegd. Hetgeen werd gezegd onder het nr. 5.1 ten aanzien van de kopie van de factuur en van het verzendingsstuk is hier eveneens van toepassing.

De uitvoerformaliteiten (o.m. de mondelinge aangifte, de afgifte van het voorgeschreven document ter staving van deze aangifte, de voorlegging van de goederen) vinden plaats op het kantoor van het land van invoer dat bevoegd is voor het verrichten van de invoerformaliteiten :

a) wanneer de opgave Benelux 50 wordt gebruikt;

b) in het geval bedoeld in lid 4, c, hierboven;

c) in het geval waarin gebruik wordt gemaakt van de in lid 5, hierboven, genoemde mogelijkheid om de opgave Benelux 50 niet te gebruiken.

Op de opgave Benelux 50 dient inzonderheid de naam van de exporteur te worden vermeld, met name de leverancier of dienstverrichter die hier te lande is gevestigd, er een vaste inrichting heeft of er een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, en die de goederen ten uitvoer naar hel Groothertogdom Luxemburg of naar Nederland aangeeft of doet aangeven (z. ook nrs. 7.2 en 8, in geval van achtereenvolgende verkopen of dienstverrichtingen of van gezamenlijke uitvoer).

6. Te verstrekken bewijzen (kon. besl. nr. 18, art. 3 en 8).

Het bewijs van de uitvoer moet door de uitvoerder kunnen worden verstrekt door middel van een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt, zoals de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsdocumenten, alsmede, naargelang van het geval, de aangifte ten uitvoer (z. nr. 5.1) of de opgave Benelux 50 (z. nr. 5.2). In dit opzicht dient er opgemerkt te worden dat het enkel overleggen van de aangifte ten uitvoer of de opgave Benelux 50 niet volstaat om het recht op vrijstelling van BTW te rechtvaardigen.

7. Bewijs van de uitvoer in geval van achtereenvolgende verkopen of dienstverrichtingen (kon. besl. nr. 18, art. 4, § 1, en 8).

7.1. Uitvoeren met een andere bestemming dan het Groothertogdom Luxemburg of Nederland.

In de tweede onderstelling van de voorbeelden opgenomen in de nrs. 4.1 en 4.2 moeten A, B en C in staat zijn te bewijzen dat zij vrijstelling van de BTW kunnen genieten. In de onderstelling dat de aangifte ten uitvoer is opgesteld op naam van C die de goederen verkocht heeft aan of zich verbonden heeft ze te bewerken voor rekening van D, zal C in het bezit zijn van de aangifte ten uitvoer, van betalingsdocumenten en eventueel van een bestelbon.
A zal in het bezit zijn van de vervoerdocumenten, van de betalingsdocumenten en eventueel van een bestelbon, terwijl B slechts betalingsdocumenten en eventueel een bestelbon in zijn bezit zal hebben.

Slechts een der leveranciers of dienstverrichters is in het bezit van de aangifte ten uitvoer. In dat geval moet als volgt worden gehandeld.

Wanneer een belastingplichtige handelingen heeft verricht met vrijstelling van de BTW op grond van artikel 39, § 1, 1 en van het Wetboek en ingeval de aangifte ten uitvoer wordt opgesteld op naam van een andere belastingplichtige, levert deze laatste aan zijn medecontractant een uitvoerattest af waarbij hij bevestigt dat de in het attest vermelde goederen werkelijk werden uitgevoerd en waarop hij een verwijzing naar de aangifte ten uitvoer aanbrengt.

Indien de persoon die het in het voorgaande lid beoogde attest ontvangt een tussenpersoon is tussen degene die gehandeld heeft met de niet in België gevestigde klant en de leverancier of de dienstverrichter die het vervoer van het binnenland naar het buitenland heeft verricht of laten verrichten, levert hij op zijn beurt een gelijkaardig attest af aan de persoon die hem, naargelang van het geval, voorafgaat of volgt in de reeks van de achtereenvolgende verkopen of dienstverrichtingen.

Wanneer de tussenpersoon (verkoper of koper, dienstverrichter of afnemer van de dienst) het attest ontvangt van een andere tussenpersoon (verkoper of koper, dienstverrichter of afnemer van de dienst), levert hij een gelijkaardig attest af aan de persoon die hem, naargelang van het geval, voorafgaat of volgt in de reeks van de achtereenvolgende verkopen of dienstverrichtingen.

Aldus zal, in de tweede onderstelling van de voorbeelden vermeld onder de nrs. 4.1 en 4.2, een uitvoerattest worden afgeleverd door C aan B en door B aan A, indien de aangifte ten uitvoer wordt opgesteld op naam van C. Indien in dezelfde onderstelling de aangifte ten uitvoer wordt opgesteld op naam van B, zal hij een uitvoerattest afleveren aan C en aan A.

Het uitvoerattest moet naar vorm en inhoud worden opgesteld overeenkomstig het model dat voorkomt in bijlage A bij deze aanschrijving.

7.2. Uitvoeren naar het Groothertogdom Luxemburg of naar Nederland.

In geval van achtereenvolgende verkopen of dienstverrichtingen als bedoeld onder nr. 7.1, moet op de opgave Benelux 50 - gelet op het feit dat de opgave Benelux 50 de noodzakelijke gegevens bevat voor de invoer in het Groothertogdom Luxemburg of in Nederland, en inzonderheid de naam van de invoerder - de laatste leverancier of dienstverrichter (z. nr. 5.2, laatste lid) in de ketting als exporteur worden vermeld.

Aldus moet, in de tweede onderstelling van de voorbeelden opgenomen onder de nrs. 4.1 en 4.2, de opgave Benelux 50 worden opgemaakt op naam van C. C moet aan B een uitvoerattest afleveren dat naar vorm en inhoud is opgesteld overeenkomstig het model dat voorkomt onder bijlage A bij deze aanschrijving. Hetzelfde geldt voor B aan A.

Wanneer evenwel de aangifte ten uitvoer van de goederen mondeling gebeurt met overlegging van een kopie van de verkoopfactuur of van de factuur met betrekking tot de dienstverrichting of, bij ontstentenis daarvan, van een verzendingsstuk (z. nr. 5.2) wordt het uitvoerattest afgeleverd door de persoon in wiens naam die mondelinge aangifte werd gedaan.

8. Gezamenlijke uitvoer (kon. besl. nr. 18, art. 4, § 2, en 8).

Wanneer verscheidene leveranciers en/of dienstverrichters, die ieder afzonderlijk hebben gecontracteerd met een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, de verkochte of bewerkte goederen gezamenlijk uitvoeren of deze gezamenlijk overhandigen aan een commissionair-expediteur of aan een vervoerondernemer die zij belast hebben met het vervoer van het binnenland naar het buitenland, is geen BTW verschuldigd op de door ieder van deze leveranciers of dienstverrichters aan hun niet in België gevestigde klant uitgereikte factuur, ook al worden de goederen voor de uitvoer door de verschillende leveranciers of dienstverrichters aan elkaar overhandigd, in het bijzonder met het oog op afwerking, samenvoeging of montage (het geval waarin de hier te lande gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer de opdracht om uit te voeren ontvangt van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, wordt besproken in nr. 18.)

Die oplossing geldt ook ingeval het vervoer van de goederen van het binnenland naar het buitenland wordt gedaan door één van de verkopers of dienstverrichters die handelt voor eigen rekening en voor rekening van de andere verkopers en/of dienstverrichters.

In de twee gevallen wordt de aangifte ten uitvoer opgesteld op naam van één van de leveranciers of dienstverrichters. Deze vermeldt, ofwel op de aangifte ten uitvoer, ofwel op een lijst die bij deze aangifte is gevoegd, al de leveranciers en/of dienstverrichters die gezamenlijk met hem uitvoeren en hij duidt voor ieder van hen, benevens hun naam en adres, de door hen geleverde goederen of verstrekte prestaties aan. Hij voegt bij de aangifte ten uitvoer een kopie van de factuur van ieder van de leveranciers en/of dienstverrichters of, bij ontstentenis van een factuur, een verzendingsstuk van ieder van hen.

In geval van uitvoer naar het Groothertogdom Luxemburg of naar Nederland over de Belgisch-Luxemburgse of over de Belgisch-Nederlandse grens, wordt de mondelinge aangifte gedaan door één van de leveranciers of dienstverrichters. Tot staving van deze aangifte overhandigt hij, naargelang van het geval (z. nr. 5.2), ofwel een kopie van de factuur van ieder van de leveranciers en/of van de dienstverrichters of, bij ontstentenis van een factuur, een verzendingsstuk, ofwel een op zijn naam opgemaakte Benelux 50.

De leverancier of dienstverrichter op wiens naam de schriftelijke of mondelinge aangifte ten uitvoer werd gedaan overhandigt aan ieder van de andere uitvoerders het in nr. 7 bedoelde uitvoerattest.

9. FOB-leveringen.

De FOB-levering die wordt gedaan door de leverancier of door de dienstverrichter, door de goederen aan boord van het zeeschip of langs het zeeschip ("op de blauwe steen van de kaai") te plaatsen, wordt voor de toepassing van artikel 39, § 1, van het Wetboek gelijkgesteld met een uitvoer en is vrijgesteld van de BTW.

De FOB-clausule houdt in regel in dat de verkoper of de dienstverrichter de koopwaar aan boord van het zeeschip levert. Rekening houdende met de gebruiken die inzake overeenkomsten van zeevervoer gelden, neemt de administratieve rechtspraak aan dat er eveneens FOB-levering is wanneer de verkoper of de dienstverrichter heeft voldaan aan zijn contractuele verplichting om de koopwaar op de kaai langs het zeeschip te plaatsen, anders gezegd "langs" (sous-palan) of nog, volgens een gebruikelijke uitdrukking, "op de blauwe steen van de kaai".

In afwijking van nr. 5.1, tweede lid, en overeenkomstig het bepaalde in nr. 18.4, 2°, mag de aangifte ten uitvoer worden opgesteld op naam van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst. Alsdan wordt bij de aangifte ten uitvoer aan de douane een kopie overhandigd van de aan de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst uitgereikte factuur. In dat geval moet de aangifte worden bewaard door de commissionair-expediteur of door de vervoerondernemer die handelt voor rekening van de evengenoemde persoon. De commissionair-expediteur of de vervoerondernemer levert, in naam van zijn opdrachtgever, aan de hier te lande gevestigde medecontractant van deze laatste het uitvoerattest af waarvan sprake in nr. 7.

Daarenboven moet de uitvoer worden bewezen overeenkomstig hetgeen gezegd is in de nrs. 6 en 7 en eventueel ook in nr. 20, waar het bewijs wordt geleverd in geval van uitvoer door of voor rekening van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst.

10. Uitvoer over de post.

A. Postzendingen.

10.1. Onder "postzendingen" in de zin van deze aanschrijving wordt verstaan de zending van lichamelijke roerende goederen die met het oog op verzending naar het buitenland in één van de hier te lande gevestigde postkantoren worden afgegeven.

10.2. De afzenders van postzendingen moeten, in principe, de in nr. 5 genoemde formaliteiten bij uitvoer vervullen en de in nr. 6 bedoelde bewijzen van uitvoer voorleggen. Gelet evenwel op het feit dat deze verzendingen normaal slaan op goederen van een betrekkelijk geringe waarde, neemt de administratie aan dat deze afzenders zich beperken tot het vervullen van de hierna vermelde formaliteiten.

Op de postzendingen moet een groen etiket C1 (z. bijlage B bij deze aanschrijving) worden geplakt waarop wordt vermeld : de omstandige opgave van de inhoud, de waarde en het nettogewicht.

Wanneer evenwel de waarde van de inhoud van de zending 4.770 fr. overschrijdt, volstaat het voor de afzender het bovengedeelte van het etiket aan te brengen met de vermelding : "Douane. - Mag ambtshalve worden geopend"; in dat geval moeten één of verscheidene (volgens de in het land van bestemming geldende voorschriften) door de afzender behoorlijk ingevulde douaneverklaringen C2/CP3 (z. bijlage C bij deze aanschrijving) in de zending worden ingesloten of ze vergezellen. Men mag eveneens op die wijze handelen wanneer de waarde van de inhoud van de zending 4.770 fr. niet overschrijdt.

In ieder geval moet voor de zendingen van goederen waarvan de waarde 14.500 fr. overschrijdt, terzelfdertijd als de zending, ten minste één exemplaar van de douaneverklaring C2/CP3 op het postkantoor worden afgegeven, ten einde de formaliteiten ten behoeve van het Nationaal Instituut voor de Statistiek te kunnen vervullen.

Om de uitvoer van zijn zendingen te bewijzen kan de afzender een bijkomend exemplaar van de verklaring C2/CP3 aan het postkantoor van afgifte voorleggen. In dat geval dient hij bovenaan dat exemplaar de vermelding "Exemplaar bestemd voor de afzender" aan te brengen en, om alle latere inschrijving onmogelijk te maken, met inkt het onbeschreven gedeelte van de verscheidene kolommen door te halen. Na nazicht wordt dat exemplaar bekleed met een afdruk van de datumstempel van het postkantoor van afgifte en wordt het vervolgens teruggegeven aan de afzender. Deze laatste verklaring vormt, samen met alle andere bescheiden waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt, het bewijs van het recht op vrijstelling van de BTW (z. kon. besl. nr. 18, art. 3 en 8).

B. Postcolli.

10.3. Zoals voor de postzendingen heeft de administratie de formaliteiten vereenvoudigd die moeten worden vervuld door de afzenders van postcolli. Deze vereenvoudigde formaliteiten zijn facultatief in deze zin dat de uitvoerders zich altijd mogen schikken naar hetgeen onder de nrs. 5 en 6 wordt gezegd.

Onder "postcolli" wordt verstaan de colli waarvan het gewicht 20 kg. niet overtreft en die met het oog op verzending naar het buitenland worden afgegeven`in een station van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.

Deze colli zijn altijd vergezeld van :

a) een op formulier C 713 opgemaakt verzendingsbulletin dat het vervoercontract uitmaakt en dat de colli tot de aankomst ter bestemming vergezelt;

b) douaneverklaringen C 671 (z. bijlage D bij deze aanschrijving), waarvan het aantal verschilt volgens het land van bestemming en die bestemd zijn om de douaneformaliteiten te vervullen bij aankomst van de colli in het land van bestemming en, in voorkomend geval, in de loop van het vervoer bij de overschrijding van de verschillende grenzen; één van deze exemplaren is bestemd voor het wisselkantoor bij uitvoer van de spoorwegen om aldaar de uitvoerformaliteiten te vervullen. Die aangiften C 671 dragen eveneens de vermelding CP3 en bevatten juist dezelfde inlichtingen als de douaneverklaring C2/CP3 die voor de postzendingen wordt gebruikt (z. A hierboven);

c) een kopie van de verkoopfactuur of van de factuur met betrekking tot de dienst of, bij ontstentenis van een factuur, een verzendingsstuk, bestemd om aan het Belgisch douanekantoor van uitvoer te worden afgegeven. Die kopie of dat verzendingsstuk is evenwel niet vereist voor de zendingen waarvan de waarde 10.000 fr. niet overschrijdt.

Om de uitvoer te bewijzen van hun colli die niet onder dekking van een aangifte ten uitvoer (z. nr. 5) zijn vervoerd, mogen de afzenders bij de afgifte van hun colli aan het kantoor van de spoorwegen (met inbegrip van de colli met bestemming het Groothertogdom Luxemburg of Nederland), een bijkomend exemplaar van de douaneverklaring C 671 voorleggen. Op dat exemplaar wordt bovenaan de vermelding "Exemplaar bestemd voor de afzender" aangebracht en het onbeschreven gedeelte van de verscheidene kolommen moet, om alle latere inschrijving onmogelijk te maken, met inkt worden doorgehaald. Na nazicht wordt dat exemplaar bekleed met de datumstempel van het kantoor van afgifte en wordt het vervolgens aan de afzender teruggegeven. Deze laatste verklaring vormt, samen met alle andere bescheiden waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt, het bewijs van het recht op vrijstelling van de BTW (z. kon. besl. nr 18, art. 3 en 8).

11. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is aan de forfaitaire aanslag die ingesteld is op grond van artikel 56, § 1, van het Wetboek.

De vrijstelling van de BTW bedoeld in artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek is toepasselijk op de leveringen van goederen die verricht worden door een belastingplichtige die onderworpen is aan het stelsel van de forfaitaire aanslag dat het voorwerp uitmaakt van artikel 56, § 1, van het Wetboek. Deze vrijstelling wordt volledig verwezenlijkt door, overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de BTW, voor de forfaitaire vaststelling van het omzetcijfer dat aan de BTW moet worden onderworpen, geen rekening te houden met de aangekochte of ingevoerde goederen die werden gebruikt voor handelingen die van de belasting zijn vrijgesteld. Voor de door hem gedane uitvoeren moet de betrokken belastingplichtige de verzending van de goederen naar het buitenland bewijzen overeenkomstig de nrs. 6 tot 10.

12. Uitvoer van tabaksfabrikaten.

Voor de door artikel 58, § 1, van het Wetboek bedoelde tabaksfabrikaten is de verschuldigdheid evenals de vrijstelling van de BTW in principe verbonden met de verschuldigdheid en de vrijstelling van de accijns. De hierboven uiteengezette toepassingsmodaliteiten van artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek zijn daarop dus niet van toepassing.

13. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is aan de egalisatiebelasting die ingesteld is op grond van artikel 56, § 2, van het Wetboek.

De vrijstelling van de BTW bedoeld in artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek heeft geen uitwerking voor de leveringen die worden gedaan door een belastingplichtige die onderworpen is aan de regeling van de egalisatiebelasting, daar de forfaitaire heffing van de egalisatiebelasting betrekking heeft op het geheel van de handelingen van de egalisatiebelastingplichtige, ongeacht of sommige van die handelingen in het gewoon stelsel van de BTW zijn vrijgesteld of niet aan de BTW zijn onderworpen (z. art. 12 en 14 van kon. besl. nr. 19 van 20 juli 1970, gewijzigd bij kon. besl. van respectievelijk 31 maart 1978 (Z. Revue nr. 35, blz. 359.) en 17 oktober 1980 (Z. Revue nr. 47, blz. 11.)).

14. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is aan de bijzondere landbouwregeling die ingesteld is op grond van artikel 57 van het Wetboek.

Een landbouwondernemer die voor zijn volledige beroepswerkzaamheid inzake BTW aan de forfaitaire landbouwregeling is onderworpen, kan geen aanspraak maken op de forfaitaire terugbetaling van de voordruk van de BTW indien zijn medecontractant-koper, al dan niet in België gevestigd, niet gehouden is in België periodieke BTW-aangiften in te dienen (z. art. 3 van kon. besl. nr. 22 van 15 september 1970, voor het laatst gewijzigd bij kon. besl. van 30 december 1986). Het feit dat deze landbouwondernemer de goederen uitvoert in de bij artikel 39, § 1, 1 °, van het Wetboek bepaalde voorwaarden doet geen afbreuk aan deze toestand.

Uit artikel 3 van het vermeld koninklijk besluit nr. 22 volgt dat aan de voornoemde landbouwondernemer die de goederen die hij verkocht heeft in de genoemde voorwaarden uitvoert en als medecontractant-koper een belastingplichtige heeft die gehouden is in België periodieke aangiften in te dienen, de voordruk van de BTW door deze medecontractant-koper moet worden betaald.

Er dient opgemerkt dat, indien de in België gevestigde landbouwondernemer opteert voor de normale regeling van de BTW, hij door de aftrekregeling de voordruk van de BTW recupereert.

AFDELING 2. - VRIJSTELLING VAN BTW IN GEVAL VAN UITVOER DOOR DE NIET IN BELGIE GEVESTIGDE KOPER OF AFNEMER VAN DE DIENST OF VOOR HUN REKENING (kon. besl. nr. 18, art. 5 tot 8).

15. Vrijgestelde handelingen.

A. Algemeen.

15.1. In deze afdeling worden de handelingen bedoeld in artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek en bepaalde handelingen bedoeld in artikel 39, § 1, 3°, van het Wetboek nader toegelicht, namelijk :

a) de uitvoer van goederen die worden afgehaald door de niet in België gevestigde koper (z. Wetboek, art. 39, § 1, 2°);

b) de uitvoer van goederen die worden afgehaald voor rekening van de niet in België gevestigde koper (z. Wetboek, art. 39, § 1, 2°);

c) de uitvoer van goederen waaraan diensten zijn verricht andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek en die worden afgehaald voor rekening van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst (z. Wetboek, art. 39, § 1, 3°).

De levering van de goederen als bedoeld onder a en b is vrijgesteld van de BTW om reden van de uitvoer, terwijl de onder c en d bedoelde diensten vrijgesteld zijn wegens de uitvoer van de goederen waaraan de dienst werd verricht.

15.2. In deze afdeling worden eerst de voorwaarden bepaald die moeten worden vervuld ingeval de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst de goederen met vrijstelling van BTW wegens uitvoer hier te lande komt afhalen. Vervolgens wordt het geval behandeld waarin die goederen worden afgehaald door een al dan niet hier te lande gevestigde persoon die handelt voor rekening van de voornoemde personen. Tenslotte wordt dan het geval besproken waarbij een in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer als lasthebber optreedt.

B. Opmerkingen.

15.3. De in deze afdeling behandelde vrijstelling van BTW is die welke van toepassing is voor de handelingen tussen de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst en zijn hier te lande gevestigde medecontractant (verkoper of dienstverrichter) die pas van zijn verantwoordelijkheid wordt ontslagen (z. nrs. 16 en 17) indien hij kan bewijzen dat de goederen onder de gestelde voorwaarden werden uitgevoerd (z. kon. besl. nr. 18, art. 5, § 1).

De administratie aanvaardt nochtans dat deze vrijstelling toepasselijk blijft indien de uitvoer wordt verricht door of voor rekening van een volgende niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, die hier te lande bezit neemt van de goederen om ze vervolgens uit te voeren onder de verantwoordelijkheid van de hier te lande gevestigde leverancier of dienstverrichter. In dat geval is de vrijstelling eveneens van toepassing voor de handelingen verricht tussen de niet in België gevestigde medecontractanten.

De vrijstelling is daarentegen niet van toepassing op de voorafgaande handelingen die worden verricht tussen de in België gevestigde leverancier of dienstverrichter en zijn eveneens in België gevestigde eigen leverancier of dienstverrichter bij wie de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst de goederen zou komen afhalen om ze uit te voeren.

Voorbeeld.

A verkoopt goederen aan B, die ze doorverkoopt aan C. A en B zijn hier te lande gevestigde belastingplichtigen terwijl C niet in België is gevestigd.

C, die over een eigen vervoermiddel beschikt, neemt bezit van de goederen bij A en vervoert ze naar het buitenland of geeft opdracht aan een vervoerder - die hem de kosten van het vervoer factureert - de goederen bij A af te halen en ze uit te voeren.

Voor de verkopen door A aan B en door B aan C vindt de levering hier te lande plaats (z. Wetboek, art. 15, § 1, 1°, en 16).

De verkoop door B aan C is vrijgesteld van BTW op grond van artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek om reden dat de door B geleverde goederen worden uitgevoerd door C, de niet in België gevestigde koper, of voor zijn rekening, naargelang C zelf de uitvoer verricht of deze laat verrichten door voornoemde vervoerder.

Daarentegen is de BTW verschuldigd ten aanzien van de verkoop door A aan B vermits die verkoop niet kan worden vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek, omdat A de goederen niet zelf uitvoert of voor zijn rekening doet uitvoeren, en evenmin op grond van artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek, omdat zijn klant B geen koper is die niet in België is gevestigd en de goederen uitvoert of ze voor zijn rekening doet uitvoeren. In feite verschilt deze situatie in niets van deze bedoeld in nr. 4.1, voorbeeld 1, eerste lid, waar de verkoper de goederen hier te lande ter beschikking stelt van zijn in België gevestigde klant of van deze bedoeld in nr. 4.3, 2de lid, waar de verkoper de goederen hier te lande ter beschikking stelt van een persoon die door zijn in België gevestigde klant werd belast de goederen af te halen om ze vervolgens uit te voeren.

15.4. Behoudens hetgeen hierna wordt gezegd moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang de uitgevoerde goederen bestemd zijn voor beroepsdoeleinden of voor privé-gebruik-.

15.5. De in 15.1 beoogde vrijstellingen van BTW gelden niet Indien de uitvoer betrekking heeft op goederen die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen, sportvliegtuigen of andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, noch op goederen die als uitrusting in deze vervoermiddelen zijn ingelijfd of als normale toebehoren of normale uitrusting van deze vervoermiddelen dienen. Deze regeling wordt nader omschreven in afdeling 3 van dit hoofdstuk.

15.6. De opmerking die voorkomt in nr. 3.2 in verband met diensten die betrekking hebben op sommige goederen, waaronder de vervoermiddelen en de goederen die vermeld zijn onder nr. 15.5, is hier eveneens van toepassing.

15.7. Inzake vrijstelling van BTW voor goederen die worden aangekocht door niet in België gevestigde reizigers en die door hen in hun bagage worden uitgevoerd, zijn specifieke beperkingen, voorwaarden en formaliteiten bepaald die nader worden toegelicht in hoofdstuk III hierna.

16. Goederen die worden afgehaald door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst (kon. besl. nr. 18, art. 5 en 8).

16.1. Wanneer een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst hier te lande bij zijn medecontractant bezit neemt van goederen waarvan hij verklaart ze te willen uitvoeren, is de door de medecontractant gedane levering van goederen of van diensten van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 2° of 3°, van het Wetboek indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° de afgifte van de goederen aan de niet in België gevestigde persoon heeft plaats tegen aflevering aan de leverancier of aan de dienstverrichter van een ontvangstbewijs dat de specificatie van de goederen, de datum van afgifte, de naam en het adres van de koper of van de afnemer van de dienst en de plaats van bestemming vermeldt. Dit ontvangstbewijs mag eveneens worden aangebracht op het dubbel van de factuur dat in het bezit blijft van de leverancier of van de dienstverrichter.

Ingeval de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst het vervoer per schip doet, mag de ontvangstmelding worden vervangen door een exemplaar van het cognossement dat ondertekend is door de schipper of de kapitein van het schip, waarin deze erkent de goederen te hebben ontvangen van de leverancier of van de dienstverrichter en zich verbindt ze naar een bepaalde bestemming buiten België te vervoeren;

2° de leverancier of de dienstverrichter stelt zelf, op eigen naam, de aangifte ten uitvoer op en voegt daarbij een kopie van zijn factuur of, bij ontstentenis van een factuur, een verzendingsstuk. Hij vertrouwt deze documenten op zijn verantwoordelijkheid toe aan de niet in België gevestigde medecontractant, die op het tijdstip van de uitvoer de aangifte ten uitvoer voor geldigmaking aan het douanekantoor van uitvoer overlegt en aan dit kantoor de kopie van de factuur of het verzendingsstuk overhandigt en zulks uiterlijk de tweede werkdag na de datum van de afgifte van de goederen. Bij uitvoer per schip wordt deze termijn in voorkomend geval verlengd tot bij het verstrijken van de tijd die strikt nodig is om het vervoer te verrichten vanaf de plaats van inscheping tot aan het uitvoerkantoor.

In geval van uitvoer naar het Groothertogdom Luxemburg of naar Nederland over de Belgisch-Luxemburgse of over de Belgisch-Nederlandse grens geschiedt de aangifte mondeling. Bovendien moet, naargelang van het onderscheid en op de wijze bepaald onder nr. 5.2, een opgave Benelux 50 of een kopie van de factuur door de leverancier of de dienstverrichter op zijn verantwoordelijkheid worden toevertrouwd aan zijn medecontractant en worden overgelegd ter staving van deze aangifte. Zo gebruik wordt gemaakt van een kopie van de factuur is het bepaalde in 3° en 4° hierna niet van toepassing;

3° de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst zendt de aangifte ten uitvoer of de opgave Benelux 50 die hem na nazicht door de douane wordt teruggegeven naar zijn medecontractant terug. Deze aangifte of opgave moet door de medecontractant worden bewaard en dient om, samen met het ontvangstbericht of het als zodanig geldend document en de andere in nr. 6 bedoelde documenten, het recht op vrijstelling van de BTW te bewijzen;

4° indien, om welke reden ook, de aangifte ten uitvoer of de opgave Benelux 50 waarvan sprake onder 3° niet bij de medecontractant toekomt voor de datum van indiening van de periodieke BTW-aangifte waarin de handeling moet worden opgenomen, wordt de BTW verschuldigd waarvoor de vrijstelling werd ingeroepen en moet ze worden opgenomen in deze aangifte; zoniet wordt de bij artikel 70, § 1, van het Wetboek bedoelde boete opgelopen.

De BTW die werd betaald overeenkomstig het voorgaande lid kan worden teruggegeven indien de tijdig geldig gemaakte aangifte ten uitvoer of de opgave Benelux 50 later bij de leverancier of bij de dienstverrichter toekomt. De teruggaaf heeft plaats door het bedrag van de betaalde BTW toe te rekenen op het bedrag van de BTW die verschuldigd is voor het aangiftetijdperk in de loop waarvan het document bij de leverancier of bij de dienstverrichter is aangekomen; zij moet plaatsvinden binnen de termijn van vijf jaar gesteld bij artikel 5, §2, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 oktober 1980.

16.2. Indien de leverancier of de dienstverrichter op het tijdstip van de levering geen zekerheid heeft dat de aangifte ten uitvoer of de opgave Benelux 50 waarvan sprake in nr. 16.1, 3°, hem zal worden teruggestuurd, staat het hem vrij alle schikkingen te treffen die hij nuttig acht, zoals bijvoorbeeld zich het bedrag van de BTW door zijn medecontractant te laten storten.

17. Goederen die worden afgehaald voor rekening van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst (kon. besl. nr. 18, art. 5 en 8).

17.1. Wanneer een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst aan een persoon, die al dan niet in België is gevestigd, opdracht geeft hier te lande bezit te nemen van goederen bij zijn medecontractant om ze uit te voeren, is de door de medecontractant gedane levering van goederen of van diensten van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 2° of 3°, van het Wetboek indien de voorwaarden vermeld in nr. 16.1, 1° tot 4°, vervuld zijn.
Het ontvangstbewijs dat bedoeld is in nr. 16.1, 1°, moet worden afgeleverd door deze persoon die erin verklaart te handelen voor rekening van zijn opdrachtgever.

17.2. Er dient opgemerkt dat, in geval van achtereenvolgende verkopen of dienstverrichtingen als bedoeld in nr. 7, de persoon in geen geval een in België gevestigde koper of afnemer van de dienst mag zijn die in de onder nr. 7 bedoelde ketting komt te staan na de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst waarvan sprake in nr. 17.1.

18. Goederen die worden overhandigd aan een in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer die handelt voor rekening van een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst (kon. besl. nr. 18, art. 6 en 8).

18.1. Vooreerst dient opgemerkt dat de in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer steeds gebruik mag maken van de in nr. 17.1 omschreven regeling.

Nochtans zal hij in vele gevallen in de onmogelijkheid verkeren de goederen uiterlijk de tweede werkdag na de inbezitneming ervan uit te voeren, bijvoorbeeld wegens groeperen van zendingen. Daarom wordt in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 18 een speciale regeling uitgewerkt.

A. Verplichtingen van de hier te lande gevestigde leverancier of dienstverrichter.

18.2. Daar de leverancier of de dienstverrichter de goederen hier te lande aan een commissionair-expediteur of vervoerondernemer heeft overhandigd en bijgevolg geen verdere beschikking over de goederen meer heeft, komt hij niet tussen in de uitvoer ervan en beschikt hij niet over de documenten die de materiële uitvoer van de goederen bewijzen. Indien de commissionair-expediteur of de vervoerondernemer de goederen niet zou uitvoeren maar ze hier te lande uit zijn bezit zou geven, zal de leverancier of de dienstverrichter de vrijstelling van BTW om reden van uitvoer ten onrechte hebben toegepast. Daarom wordt, op grond van de artikelen 6, tweede lid, en 8 van het koninklijk besluit nr. 18, de leverancier of de dienstverrichter van alle aansprakelijkheid ontslagen indien hij in het bezit is van de twee volgende documenten :

1° een schriftelijke bestelling (telex, bestelbon, enz.) uitgaande van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de goederen voor uitvoer bestemd zijn;

2° een ontvangstbewijs uitgereikt door de in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer, waarin eveneens uitdrukkelijk wordt vermeld dat de goederen voor uitvoer bestemd zijn.

18.3. Het ontvangstbewijs dient de volgende vermeldingen te bevatten :

a) de datum van afgifte van de goederen;

b) een verwijzing naar het nummer en de datum van de factuur;

c) de specificatie van de goederen;

d) de naam en het adres van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst;

e) het land van bestemming;

f) de verklaring van de commissionair-expediteur of van de vervoerondernemer van de goederen zullen worden uitgevoerd.

Dit ontvangstbewijs mag eveneens op de kopie van de factuur, die bij de leverancier of de dienstverrichter blijft, worden aangebracht die daartoe wordt aangevuld met de vereiste vermeldingen.
De verkoper of de dienstverrichter geeft ten slotte aan de commissionair-expediteur of aan de vervoerondernemer een kopie af van de door hem uitgereikte factuur die samen met de aangifte ten uitvoer aan de douane moet worden overhandigd.

B. Verplichtingen van de hier te lande gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer.

18.4. Wanneer een hier te lande gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer voor rekening van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst hier te lande goederen in bezit neemt bij de medecontractant van deze laatste met de bedoeling deze uit te voeren, is de door de medecontractant gedane levering van goederen of van diensten van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 2° of 3°, van het Wetboek indien-de commissionair-expediteur of de vervoerondernemer de volgende voorwaarden vervult :

1° bij de ontvangst van de goederen overhandigt hij aan de leverancier of aan de dienstverrichter een ontvangstbewijs overeenkomstig het bepaalde in nr. 18.2, 2°;

2° hij stelt de aangifte ten uitvoer op zijn naam op en vermeldt dat hij optreedt als lasthebber van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst. Deze aangifte ten uitvoer, waarbij een kopie van de factuur die werd uitgereikt aan de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst wordt gevoegd, wordt bij de uitvoer van de goederen voor geldigmaking overgelegd aan het douanekantoor van uitvoer en zulks uiterlijk één maand nadat hij de goederen heeft ontvangen van de leverancier of van de dienstverrichter. In geval van uitvoer per schip wordt deze termijn op twee maanden gebracht.

In uitzonderlijke gevallen kan deze termijn met hoogstens zes maanden worden verlengd door het controlekantoor van de BTW dat bevoegd is over de plaats waar de commissionair-expediteur of de vervoerondernemer is gevestigd.

In geval van uitvoer naar het Groothertogdom Luxemburg of naar Nederland over de Belgisch-Luxemburgse of over de Belgisch-Nederlandse grens is de aangifte ten uitvoer niet schriftelijk maar mondeling en moet ze worden gedaan overeenkomstig hetgeen gezegd is in nr. 5.2. Dit houdt in dat, ten aanzien van deze speciale regeling, de commissionair-expediteur of de vervoerondernemer de opgave Benelux 50 op zijn naam opstelt met vermelding dat hij optreedt als lasthebber van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst.

18.5. De commissionair-expediteur of de vervoerondernemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de BTW, interesten en boeten die in hoofde van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst kunnen verschuldigd worden indien de goederen niet binnen de gestelde termijn worden uitgevoerd.

Indien, na de ontvangst van de goederen, de commissionair-expediteur of de vervoerondernemer opdracht krijgt van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst aan de goederen een andere bestemming dan de uitvoer te geven, mag hij er zich niet van ontdoen zolang hij niet kan bewijzen dat de verschuldigde BTW en de eventueel opgelopen interesten en boeten werden betaald. Hij is hoofdelijk met de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst gehouden tot betaling van deze sommen. De manier waarop deze sommen moeten worden betaald wordt geregeld in nr. 19.2.

19. Regularisatie en betaling van de BTW indien, bij afhaling van de goederen door een in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer die handelt voor rekening van een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, de goederen niet worden uitgevoerd (kon. besl. nr. 18, art. 6, derde lid, en 8).

19.1. Vaststelling van de verschuldigde sommen.

a. De belasting : de BTW wordt verschuldigd over de prijs van de goederen of van de dienst tegen het tarief dat van toepassing is op het tijdstip van de ontvangst van de goederen door de commissionair-expediteur of door de vervoerondernemer.

b. De interesten : de interest van 0,8 pct. per maand of gedeelte van een maand is verschuldigd overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Wetboek; voor het berekenen van de interest moet er worden van uitgegaan dat de levering heeft plaatsgehad op de onder a bedoelde datum van ontvangst.

c. De boeten : op grond van artikel 70, § 1, van het Wetboek wordt een boete verschuldigd die in principe gelijk is aan het dubbel van de verschuldigde BTW. In geval van spontane regularisatie bij het verstrijken van de gestelde uitvoertermijn wordt deze boete evenwel volledig kwijtgescholden.

19.2. Betaling van de verschuldigde sommen.

Indien de commissionair-expediteur of de vervoerondernemer een belastingplichtige is die maandelijks aangiften indient, worden de bedragen berekend op de wijze vermeld in nr. 19.1 opgenomen in kader V, a, van de aangifte. Indien hij een belastingplichtige is die kwartaal- of jaaraangiften indient worden de bedragen opgenomen in vak 31 van de aangifte. De aldus betaalde BTW mag door de commissionair-expediteur of door de vervoerondernemer niet in aftrek worden gebracht. Dit recht kan enkel toekomen aan de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst.

De betaling van de in nr. 19.1 vermelde sommen mag ook geschieden door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst indien hij hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft of indien hij hier te lande een vaste inrichting heeft die in de oorspronkelijke handeling niet is tussengekomen (z. nrs. 2.2 en 2.3). De betaling van deze sommen geschiedt op de hierboven bepaalde wijze in de BTW-aangifte die door de laatstgenoemden moet worden ingediend.

20. Bewijs van de uitvoer (kon. besl. nr. 18, art. 7 en 8).

Indien de koper of de afnemer van de dienst zelf de goederen komt afhalen of indien de goederen voor zijn rekening worden afgehaald door een derde persoon andere dan een in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer die toepassing maakt van de in nr. 18 aangehaalde regeling, dient de leverancier of de dienstverrichter in het bezit te zijn van, naargelang van het geval (z. nr. 16.1, 2°), de aangifte ten uitvoer of de opgave Benelux 50. Voor het overige moet hij de in nr. 6 aangehaalde documenten kunnen verstrekken om de echtheid van de uitvoer te bewijzen

Indien de goederen worden afgehaald door een in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer die toepassing maakt van de in nr. 18 aangehaalde regeling, moet de aangifte ten uitvoer of de opgave Benelux 50, naargelang van het geval (z. nr. 18.4, 2°), op zijn naam worden opgesteld met vermelding van de niet in België gevestigde koper of opdrachtgever voor wie hij handelt. Hij dient derhalve de uitvoer te bewijzen overeenkomstig de in nr. 6 voorgeschreven wijze. De leverancier of de dienstverrichter dient, om met vrijstelling van de BTW te factureren, in het bezit te zijn van de geschreven bestelbon afgeleverd door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst en van het ontvangstbewijs afgeleverd door de in België gevestigde commissionair-expediteur of vervoerondernemer. Voor het overige moet de leverancier of de dienstverrichter in het bezit zijn van de betalingsstukken.

21. Bijzondere regelingen.

De regelingen die in de eerste afdeling van dit hoofdstuk zijn uiteengezet met betrekking tot het bekomen van de vrijstelling van BTW in geval van gezamenlijke uitvoer (z. nr. 8), FOB-leveringen (z. nr. 9), uitvoer over de post (z. nr. 10) en leveringen gedaan door forfaitaire belastingplichtigen (z. nr. 11) zijn van overeenkomstige toepassing voor zijn afdeling.

Overeenkomstig wat gezegd is in dezelfde afdeling kan de vrijstelling geen toepassing vinden ten aanzien van leveringen van tabaksfabrikaten (z. nr. 12) en van leveringen gedaan door egalisatiebelastingplichtigen (z. nr. 13) en door landbouwondernemers die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling (z. nr. 14).

AFDELING 3. - UITSLUITING VAN DE VRIJSTELLING VAN BTW VOOR SOMMIGE GOEDEREN INGEVAL ZE WORDEN UITGEVOERD DOOR DE NIET IN BELGIE GEVESTIGDE KOPER OF AFNEMER VAN DE DIENST AAN BOORD VAN PLEZIERVAARTUIGEN, SPORTVLIEGTUIGEN OF ANDERE VERVOERMIDDELEN VOOR PRIVE-GEBRUIK, ALSOOK VOOR DIENSTEN MET BETREKKING TOT DE HIERBOVEN BEDOELDE GOEDEREN EN VERVOERMIDDELEN.

22. Algemeen.

22.1. Ingevolge artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek is de vrijstelling van de BTW om reden van uitvoer, bij afhaling door of voor rekening van de niet in België gevestigde koper, niet van toepassing ten aanzien van goederen die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor prive-gebruik.

Gelet evenwel op de onmogelijkheid om bij de levering van de goederen na te gaan welke bestemming buiten België aan de uitgevoerde goederen zal worden gegeven, wordt de toepassing van de in het eerste lid aangehaalde bepaling in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 18 beperkt tot de goederen die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van deze vervoermiddelen en die zich als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden bij de uitvoer ervan.

22.2. Anderzijds wordt voor de diensten verricht aan goederen die worden uitgevoerd, hetzij door of voor rekening van de dienstverrichter, hetzij door of voor rekening van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst, ingevolge artikel 39, § 1, 3°, van het Wetboek enkel vrijstelling van de BTW verleend indien die goederen hier te lande zijn verkregen of vervaardigd of er zijn ingevoerd om de bedoelde diensten te ondergaan. Deze vrijstelling kan dus onder andere geen toepassing vinden voor goederen die toevallig hier te lande verblijven (z. nrs. 3.2 en 15.6).

22.3. Gelet op de in nr. 22.1, tweede lid, genoemde reden die eveneens geldt voor de aan de genoemde goederen en vervoermiddelen verrichte diensten en op de onmogelijkheid voor de leverancier of voor de dienstverrichter zich ten aanzien van voertuigen in het algemeen een bewijs van de uitvoer van de goederen te verschaffen, wordt onder de nrs. 23 tot 26 een praktische regeling uitgewerkt die uiteindelijk als resultaat zal hebben :

a) de BTW definitief te innen indien de levering van de goederen en de diensten verband houden met vervoermiddelen voor privégebruik;

b) de genoemde leveringen en diensten ofwel rechtstreeks, ofwel door middel van terugbetaling van BTW vrij te stellen indien ze betrekking hebben op andere vervoermiddelen.

22.4. Tenslotte dient opgemerkt dat vervoermiddelen, die hier te lande een herstelling of een bewerking moeten ondergaan, met vrijstelling van de BTW kunnen worden ingevoerd op grond van een vergunning die aan de dienstverrichter wordt verleend bij toepassing van artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek (z. hoofdstuk IV hierna). In dat geval is er ook vrijstelling van de BTW over de prijs van de dienst zelfs als bij deze gelegenheid losse stukken werden ingelijfd, indien de vervoermiddelen worden uitgevoerd in de voor de toepassing van de genoemde vergunning bepaalde voorwaarden.

23. Levering van goederen en diensten waarop de vrijstelling van de BTW niet wordt toegepast.

De vrijstelling van de BTW wordt niet toegepast op :

a) leveringen van goederen die worden ingelijfd in :

  • voertuigen voor vervoer over de weg;
  • vliegtoestellen die niet worden gebruikt door de Staat of door luchtvaartmaatschappijen die zich hoofdzakelijk toeleggen op internationaal vervoer van personen en van goederen tegen betaling;
  • jachten en pleziervaartuigen.
Voorbeelden : aankoop van een autoradio die in een personenwagen wordt geplaatst of van banden die op een vrachtwagen worden gemonteerd;

b) leveringen van goederen die met betrekking tot de onder a bedoelde vervoermiddelen worden beschouwd als normale toebehoren of normale uitrusting en die zich als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden bij de uitvoer ervan.

Voorbeelden : een op het reservewiel gemonteerde band, een kruk.

Voor de goederen die niet als normale toebehoren of normale uitrusting worden beschouwd kan eventueel vrijstelling van de BTW worden bekomen (z. hoofdstuk III hierna);

c) diensten met betrekking tot de onder a en b bedoelde vervoermiddelen en goederen, wanneer die diensten hier te lande worden verricht voor rekening van een niet in België gevestigde of verblijvende persoon en die noodzakelijk zijn geworden ingevolge een defect, een ongeval of andere onvoorziene omstandigheden tijdens een verblijf hier te lande;

d) leveringen van goederen die zich als bevoorrading aan boord van de onder a bedoelde vervoermiddelen en van de aan de Staat toebehorende vliegtoestellen bij de uitvoer ervan bevinden. Voor andere vervoermiddelen dan autovoertuigen worden als bevoorrading beschouwd de goederen die bedoeld zijn in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977 (Z. Revue nr. 33, blz. 76.) met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen, op het stuk van de BTW.

24. Diensten, waarbij al dan niet wisselstukken worden verwerkt, met betrekking tot voertuigen voor vervoer over de weg.

24.1. De in nr. 23, c, aangehaalde regel is van toepassing ongeacht of het voertuig in België of in het buitenland is ingeschreven en ongeacht of het gaat om een personenwagen of om een ander voertuig, al dan niet bestemd voor beroepsgebruik (b.v. vrachtwagens e.d.). De BTW is dus verschuldigd wanneer de dienst wordt verricht op verzoek van een niet in België gevestigde persoon op doortocht in België; de BTW is eveneens verschuldigd op de prijs van de bij deze dienst geleverde wisselstukken.

Ten aanzien van diensten die worden verricht aan voertuigen voor vervoer over de weg mag geen toepassing worden gemaakt van de in afdeling 2 ingestelde regeling, die onder bepaalde voorwaarden vrijstelling van de BTW verleent in geval van inbezitneming van uit te voeren goederen door een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst.

24.2. De niet in België gevestigde eigenaar van het voertuig, die hier te lande noch een vaste inrichting noch een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, kan nochtans, wanneer hij aantoont dat het voertuig in het buitenland wordt gebruikt om handelingen te doen die, indien ze in België zouden worden verricht, hem de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige zouden geven, de teruggaaf van de gekweten BTW bekomen in de mate dat deze aftrekbaar zou zijn rekening houdende met de artikelen 45 en 46 van het Wetboek. De teruggaaf moet schriftelijk worden aangevraagd aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. Zij is onder andere afhankelijk van het vervullen van de voorwaarden gesteld door de nrs. 97 tot 107 van de aanschrijving nr. 30/1975 (Z. Revue nr. 24, blz. 21.).

25. Diensten, waarbij al dan niet wisselstukken worden verwerkt, met betrekking tot vliegtoestellen, jachten of andere pleziervaartuigen.

25.1. De in nr. 24 aangegeven regels zijn van overeenkomstige toepassing op de diensten met betrekking tot vliegtoestellen bedoeld in nr. 23, a, of tot jachten en andere pleziervaartuigen, zelfs wanneer deze vervoermiddelen in het buitenland zijn ingeschreven.

25.2. Er dient aangestipt dat op grond van artikel 42, § 2, 3°, van het Wetboek steeds van de BTW zijn vrijgesteld de aldaar bedoelde diensten met betrekking tot de vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en dergelijke toestellen, alsook de zweefvliegtuigen, die worden gebruikt door de Staat en door de luchtvaartmaatschappijen die zich hoofdzakelijk toeleggen op internationaal vervoer van personen en van goederen tegen betaling.

26 Levering van bevoorrading bestemd voor de in nr. 23, a, bedoelde vervoermiddelen.

26.1. De levering van goederen die als bevoorrading (b.v. brandstof, olie, enz.) dienen voor de in nr. 23, a, bedoelde vervoermiddelen en die zich als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden bij de uitvoer ervan, is niet van BTW vrijgesteld.
Geen toepassing kan worden gemaakt van de in afdeling 2 ingestelde regeling, die onder bepaalde voorwaarden vrijstelling van de BTW verleent in geval van inbezitneming van uit te voeren goederen door een niet in België gevestigde koper.

26.2. Er dient evenwel opgemerkt dat in bepaalde gevallen teruggave van de BTW kan worden verkregen onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze als is aangehaald in nr. 24.2.

AFDELING 4. - VERGUNNING BEDOELD IN ARTIKEL 14 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT nr. 18.

27. Algemeen.

27.1. Ingevolge de bepalingen die het voorwerp uitmaken van de artikelen 17, § 1, tweede en derde lid, en 22, § 2, tweede en derde lid, van het Wetboek, wordt inzake de levering van goederen of het verrichten van diensten, de BTW verschuldigd indien de prijs of een deel ervan wordt gefactureerd of ontvangen of moest worden voldaan vooraleer het belastbare feit, te weten de levering van het goed of de voltooiing van de dienst, plaatsvindt.

27.2. Die modaliteiten van opeisbaarheid van de BTW stellen evenwel een probleem wanneer de handeling, waarop de facturatie, de incassering of het vervallen van de prijs of een deel ervan betrekking heeft, een handeling is die inzake uitvoer van BTW wordt vrijgesteld overeenkomstig artikel 39, §§ 1 of 2, van het Wetboek. Indien de goederen effectief worden uitgevoerd moet de BTW die, overeenkomstig het bepaalde in nr. 27.1, vervroegd werd betaald, worden teruggegeven.

27.3. Om dit te voorkomen bepaalt artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 18, genomen in uitvoering van artikel 39, § 3, van het Wetboek, dat in een dergelijke situatie de leverancier van de goederen of de dienstverrichter, vanwege de Minister van Financiën of van zijn afgevaardigde, een vergunning kan bekomen om, onder de gestelde voorwaarden, de betaling van de BTW op te schorten. Die opschorting van de verschuldigdheid van de BTW kan slechts voor een periode van ten hoogste één jaar worden toegekend, maar ze kan in uitzonderlijke gevallen worden verlengd.

27.4. Om de toepassingsvoorwaarden van de opschortingsregeling zo veel mogelijk te vereenvoudigen, heeft de administratie beslist aan de betrokken belastingplichtigen geen individuele vergunningen meer uit te reiken, maar die vergunningen te vervangen door een algemene vergunning waarvan de nieuwe modaliteiten hierna worden bepaald.

27.5. Er wordt opgemerkt dat voor goederen die door of voor rekening van de leverancier in het buitenland worden geïnstalleerd of gemonteerd, de levering niet geschiedt bij de aanvang van het vervoer, maar geacht wordt plaats te vinden op het tijdstip en op de plaats waar de installatie of de montage wordt beëindigd (Wetboek, art. 15, § 1, tweede lid, 1°); zulks is onder meer het geval bij de uitvoer van goederen door een onderneming die een volledige fabriek bouwt en/of uitrust in het buitenland en bij de uitvoer van een machine die in het buitenland door of voor rekening van de leverancier wordt gemonteerd. Alsdan zijn zulke handelingen niet vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 39 van het Wetboek; ze zijn ook niet belastbaar in België om reden dat ze in het buitenland plaatsvinden.

Hetzelfde geldt indien goederen die hier te lande voor rekening van de eigenaar worden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast, door of voor rekening van de dienstverrichter in het buitenland worden geïnstalleerd of gemonteerd. Alhoewel een deel van de dienst hier te lande wordt verricht, vindt de voltooiing ervan in het buitenland plaats en is de volledige dienst niet belastbaar hier te lande bij toepassing van artikel 21, § 3, 2°, van het Wetboek.

De in deze afdeling omschreven regeling van opschorting van de verschuldigdheid van de BTW vindt hier dan ook geen toepassing .

28. Toepassingssfeer van de opschorting. - Voorwaarden.

28.1. Wanneer zich de subsidiaire oorzaak van verschuldigdheid van de BTW als bedoeld in de artikelen 17 en 22 van het Wetboek voordoet, is de leverancier of de dienstverrichter gemachtigd de opschorting van de verschuldigdheid van de BTW in te roepen indien hij tegenover de administratie kan aantonen dat hij voor de handeling die hij verricht (levering van goederen of dienstverrichting) de vrijstelling zal kunnen genieten bedoeld in artikel 39, § 1 of § 2, van het Wetboek.

28.2. Dat bewijs kan blijken uit de geschreven overeenkomst die de leverancier of de dienstverrichter heeft afgesloten met zijn klant of uit ieder ander document dat voorhanden is op het tijdstip dat het probleem van de verschuldigdheid van de BTW zich stelt (b.v. een bestelbon, een geschreven order vanwege de klant om de goederen uit te voeren).

28.3. Voorwaarden waaronder de uitvoer van de goederen moet plaatsvinden indien er voor de levering of voor de afname van de erop betrekking hebbende diensten opschorting van de verschuldigdheid van de BTW is toegepast.

De opschorting van de verschuldigdheid van de BTW met betrekking tot een levering van goederen of een dienst betreffende goederen is slechts definitief verkregen indien naderhand de goederen worden geleverd in de voorwaarden die moeten worden vervuld om de vrijstelling van de BTW te bekomen op grond van artikel 39, § 1 of 2, van het Wetboek (z. ook nrs. 63.1 en 79.2).

Voor de toepassing van deze afdeling worden de goederen die inzake douane zijn geplaatst onder een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag, alsmede de goederen die onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot zijn geplaatst, geacht definitief te zijn uitgevoerd. In geval van uitslag met de binnenlandse markt als bestemming wordt de regularisatie verricht overeenkomstig het bepaalde in de nrs. 38 en 49.

28.4. Op de factuur aan te brengen vermeldingen.

Om duidelijk te laten blijken dat de verschuldigdheid van de BTW in opschorting wordt gehouden moet de factuur, die wordt uitgereikt om de feiten als bedoeld in de artikelen 17, § 1, tweede en derde lid, en 22, § 2, tweede en derde lid, van het Wetboek vast te stellen :

1) de hierna volgende vermeldingen bevatten : "Opschorting van de verschuldigdheid van de BTW - K.B. nr. 18, artikel 14";

2) verwijzen naar het verantwoordingsstuk waaruit het recht tot opschorting blijkt.

29. Duur van de opschorting.

29.1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 18 wordt de opschorting van de verschuldigdheid van de BTW slechts toegestaan voor een periode van maximum één jaar. Met andere woorden, de goederen moeten in de onder nr. 28.3 bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de dag waarop de oorzaak van verschuldigdheid van de BTW als bedoeld in de artikelen 17 en 22 van het Wetboek zich heeft voorgedaan.

29.2. Nochtans kan die termijn zonder bijzondere machtiging worden verlengd wanneer de leverancier of de dienstverrichter zich kan beroepen op uitzonderlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een langlopend contract, vertraging in de uitvoering van het contract, e.d.

29.3. De verjaring van de vordering tot voldoening van deBTW kan de administratie niet worden tegengeworpen wat betreft de periode gedurende dewelke de verschuldigdheid van de BTW werd opgeschort.

30. Wijziging van de bestemming van de goederen. - Verschuldigdheid van de BTW.

30.1. Wanneer, in strijd met de zekerheid die door de leverancier of de dienstverrichter ter zake werd gegeven, blijkt dat de leverancier of de dienstverrichter de goederen niet zal uitvoeren in de onder nr. 28.3 bepaalde voorwaarden, ingevolge een onvoorziene wijziging in de uitvoering van de handeling (levering van goederen of dienstverrichting), wordt, op het tijdstip waarop die wijziging zich voordoet en tegen het tarief dat op dat ogenblik van kracht is, de BTW verschuldigd wegens de feiten bedoeld in de artikelen 17, § 1, tweede en derde lid, en 22, § 2, tweede en derde lid, en waarvoor de verschuldigdheid van de BTW werd opgeschort.

Uiterlijk de vijfde werkdag van de maand die volgt op deze waarin de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan, factureert de leverancier of de dienstverrichter de verschuldigd geworden BTW. Die factuur dient te verwijzen naar de voorgaande factuur of de voorgaande facturen. Vermits de eerder gefactureerde bedragen reeds vroeger werden opgenomen in vak 05 van de periodieke BTW-aangifte worden die bedragen niet meer ingeschreven in de aangifte, maar wordt de daarop verschuldigde BTW opgenomen in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte of vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte) van de periodieke BTW-aangifte die moet worden ingediend voor het tijdvak in de loop waarvan de BTW verschuldigd werd.

Indien de koper of de afnemer van de dienst in België een vaste inrichting of een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft kan hij eventueel de BTW aftrekken in vak 21 van zijn periodieke aangifte. Indien de koper of de afnemer van de dienst in België geen vaste inrichting of aansprakelijke vertegenwoordiger heeft, kan hij eventueel, op grond van de aftrekregeling, de teruggaaf bekomen van de betaalde BTW. De aanvraag daartoe moet door of namens hem bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen worden ingediend (z. nr. 24.2).

30.2. Het spreekt evenwel vanzelf dat de BTW niet verschuldigd wordt indien de wijziging van de bestemming van de goederen of de diensten het gevolg is van de verbreking, de ontbinding of de vernietiging van de oorspronkelijke overeenkomst voor de effectieve uitvoering ervan.

30.3. Ontslag van de verplichting tot regularisatie bij gebruik van de in artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek bedoelde vergunning.

Indien de dienstverrichter het stelsel van de opschorting heeft toegepast ten aanzien van de diensten met betrekking tot goederen die werden ingevoerd met vrijstelling van de BTW op grond van de vergunning bedoeld in artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek, moet hij, bij ontstentenis van uitvoer, zich schikken naar hetgeen in dergelijk geval is bepaald onder nr. 66.1.

31. Misbruik.

De administratie waarschuwt de belastingplichtigen ervoor dat misbruik bij de aanwending van de vergunning streng wordt bestraft.

HOOFDSTUK II. - VRIJSTELLINGEN INGESTELD BIJ ARTIKEL 39, § 2, VAN HET WETBOEK 32. Vrijgestelde handelingen.

In dit hoofdstuk wordt gehandeld over de bij artikel 39, § 2, van het Wetboek bedoelde vrijstellingen, die gelden voor de hierna volgende handelingen :

a) de leveringen van goederen die van het binnenland worden verzonden of vervoerd naar een plaats waar inzake douane een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag geldt (Zie wel van 20 februari 1978 betreffende de douane-entrepots en de tijdelijkeopslag (Belgisch Staatsblad van 22 maart 1978).), alsmede de overdracht van die goederen aldaar met handhaving van één van die regelingen (z. kon. besl. nr. 18, art. 10 en 11);

b) de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, die in het binnenland worden verricht met betrekking tot goederen die worden verzonden of vervoerd naar een plaats aangehaald in a), alsmede de diensten met betrekking tot goederen die zich inzake douane onder een regeling van doorvoer, van entrepot of van tijdelijke opslag bevinden (z. kon. besl. nr. 18, art. 10 en 12);

c) de levering van goederen die van het binnenland worden verzonden of vervoerd naar een plaats waar een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (b.v. legerentrepot) wordt toegepast, alsmede de overdracht van die goederen aldaar met handhaving van die regeling (z. kon. besl. nr. 18, art. 13).

Aangezien een zelfde regeling erop toepasselijk is wordt hier eveneens gehandeld over de invoeren van goederen die onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot worden geplaatst en over de overdracht van die goederen met handhaving van die regeling (z. Wetboek, art. 40, § 1, 1°, en kon. besl. nr. 7 van 27 december 1977 (Z. Revue nr. 33, blz. 79.), art. 14);

d) de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, met betrekking tot goederen die zich onder een regeling als vermeld in c) bevinden, ongeacht of die goederen werden ingevoerd of uit het binnenland herkomstig zijn (z. kon. besl. nr. 18, art. 13).

EERSTE AFDELING. - VERZENDING OF VERVOER VAN INLANDSE GOEDEREN NAAR EEN PLAATS WAAR INZAKE DOUANE EEN REGELING VAN ENTREPOT OF VAN TIJDELIJKE OPSLAG GELDT, ALSMEDE OVERDRACHT VAN ZICH ALDAAR BEVINDENDE INLANDSE GOEDEREN MET HANDHAVING VAN EEN VAN DIE REGELINGEN.

33. Voorbeelden.

33.1. Voorbeeld 1 (leverancier).

A verkoopt goederen aan B; B verkoopt ze door aan C die ze op zijn beurt doorverkoopt aan D. De goederen worden in opdracht van B door A geleverd in de magazijnen van C. Vervolgens worden de goederen door of voor rekening van C naar een douane-entrepot vervoerd waar ze worden ingeschreven op naam van D.

Voor de verkopen door A aan B, door B aan C en door C aan D, hebben de leveringen hier te lande plaats (z. Wetboek, art. 15, § 1, tweede lid, 1°, en art. 16). De BTW is verschuldigd op de verkopen door A aan B en door B aan C, maar de verkoop door C aan D is vrijgesteld van BTW op grond van artikel 39, § 2, 1 °, van het Wetboek om reden dat C de goederen van het binnenland naar een douane-entrepot vervoert of doet vervoeren. Of C het vervoer doet met eigen middelen of het toevertrouwt aan een vervoerder heeft geen belang.

In de onderstelling dat C opdracht geeft aan B de goederen te vervoeren naar een douane-entrepot waar ze zullen worden geschreven op naam van D en dat B deze opdracht doorgeeft A die de goederen naar het entrepot vervoert of doet vervoeren, vinden de leveringen voor de verkopen door A aan B, door B aan C en door C aan D hier te lande plaats (z. Wetboek, art. 15, § 1, tweede lid, 1°, en art. 16); nochtans zijn ze van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 2, 1°, van het Wetboek.In de onderstelling dat D de goederen, terwijl ze zich nog in entrepot bevinden, verkoopt aan E met levering in het entrepot, is de levering door D aan E eveneens vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 39, § 2, 1°, van het Wetboek.33.2. Voorbeeld 2 (dienstverrichter).De toestand is dezelfde als in nr. 33.1 behoudens dat het hier niet gaat om verkochte goederen, maar om goederen die door D worden toegestuurd aan C om te worden bewerkt voor van D. Voor de uitvoering van dit werk wendt C zich tot B, die het Op zijn beurt toevertrouwt aan A. De bewerkte goederen den door A geleverd in de magazijnen van C, die ze vervoert of laat vervoeren naar een douane-entrepot waar ze worden ingeschreven op naam van D. De BTW is verschuldigd op de prijs van dienst die A in rekening brengt aan B en op de prijs die B factureert aan C; de door C aan D aangerekende dienst is van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 2, 2°, van het Wetboek.

In de onderstelling dat C opdracht geeft aan B de bewerkte goederen te vervoeren naar een douane-entrepot waar ze zullen worden ingeschreven op naam van D en dat B de opdracht doorgeeft aan A die de bewerkte goederen naar een douane-entrepot vervoert of laat vervoeren, worden de diensten verstrekt door A aan B, door B aan C en door C aan D als hier te lande gebruikte diensten aangemerkt (z. Wetboek, art. 21, § 3, 2°); nochtans zijn ze van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 2, 2°, van het Wetboek.

34. Toepassingsvoorwaarden (kon. besl. nr. 18, art. 10 en 11).

34.1. De opslag van goederen in douane-entrepot kan slechts geschieden voor de volgende inlandse goederen :

1) accijnsgoederen;

2) landbouwprodukten waarvoor een restitutie kan worden verleend in het kader van de landbouwpolitiek van de Europese Gemeenschappen;

3) goederen welke bestemd zijn om aan andere in douane-entrepot opgeslagen goederen te worden toegevoegd;

4) goederen ingevoerd in de gevallen bedoeld bij de EEG-Verordeningen nr. 1999/85 van 16 juli 1985 en nr. 3677/86 van 24 november 1986, tot regeling, inzake actieve veredeling, van de vrijstelling van de rechten bij invoer. Voor de toepassing van de BTW worden de aldus ingevoerde goederen als inlandse goederen beschouwd wegens het feit dat ze inzake BTW ten verbruik zijn aangegeven. Inzake douane blijven het nochtans buitenlandse goederen die zich onder een stelsel van tijdelijke vrijstelling bevinden.

Sommige van de hierboven bedoelde goederen kunnen ook mits toestemming van de Administratie der douane en accijnzen in tijdelijke opslag worden geplaatst.

34.2. De opslag en het verblijf van de goederen onder een douaneregeling van entrepot of van tijdelijke opslag zijn onderworpen aan de inzake douane en accijnzen gestelde voorwaarden.

34.3. De vrijstelling van de BTW wordt voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip waarop de goederen worden uitgevoerd.

35. Na te leven formaliteiten (kon. besl. nr. 18, art. 10).

De na te leven formaliteiten zijn dezelfde als deze welke zijn bepaald onder nr. 5 voor de uitvoeren over een andere grens dan de Belgisch-Luxemburgse of de Belgisch-Nederlandse, behoudens wat de accijnsgoederen betreft; voor de laatstgenoemde goederen wordt een aangifte tot het overbrengen van goederen onder accijnsverband geldig gemaakt.

36. Overdracht van inlandse goederen die zich inzake douane onder een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag bevinden met handhaving van die regeling.

36.1. De overdracht van inlandse goederen die zich inzake douane onder een stelsel van entrepot of van tijdelijke opslag bevinden met handhaving van die regeling, is onderworpen aan de inzake douane en accijnzen gestelde voorwaarden.

36.2. De vrijstelling van BTW wordt voor die overdracht voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip waarop de goederen worden uitgevoerd.37. Te verstrekken bewijzen.

De leverancier of de dienstverrichter moet, precies zoals inzake uitvoer, steeds in het bezit zijn van alle bescheiden die de echtheid van de handelingen en van de definitieve uitvoer van de goederen staven en deze documenten vertonen op elk verzoek van de ambtenaren van de controle. De nrs. 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

38. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

In de nrs. 38.1 tot 38.6 wordt door uitslag uit een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag bedoeld het terugnemen van die goederen uit die regeling met de bedoeling ze definitief voor de binnenlandse markt te bestemmen.

38.1. De inlandse goederen worden uitgeslagen op naam van de eigenaar van de goederen die ze van het binnenland heeft vervoerd naar een plaats waar inzake douane een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag geldt.

De BTW is niet verschuldigd wegens deze uitslag. Dezelfde oplossing geldt ingeval de goederen werden vervoerd voor rekening van de eigenaar door een derde persoon die geen verkoper is of die aan deze goederen geen herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing heeft gedaan.

38.2. De inlandse goederen worden uitgeslagen op naam van de persoon die aan de verkoper of aan de dienstverrichter opdracht had gegeven de goederen te vervoeren of te doen vervoeren van het binnenland naar een plaats waar inzake douane een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag geldt.

De BTW, waarvan wegens de inslag vrijstelling is bekomen, is verschuldigd lastens de koper of de afnemer van de dienst. Deze betaalt de verschuldigd geworden BTW overeenkomstig nr. 38.6.

38.3. De inlandse goederen worden uitgeslagen op naam van, of wel de persoon die aan de verkoper of aan de dienstverrichter of aan een voorgaande verkoper of dienstverrichter opdracht had gegeven de goederen te vervoeren of te doen vervoeren naar een plaats waar inzake douane een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag geldt, of wel op naam van de koper van die persoon of van een navolgende koper.

De BTW is in principe verschuldigd voor al de overdrachten en/of diensten waarvoor vrijstelling van BTW werd bekomen. Nochtans wordt enkel de BTW over de laatste afstand of dienst geregulariseerd. De betaling van de verschuldigd geworden BTW geschiedt overeenkomstig nr. 38.6.

38.4. Goederen die met vrijstelling van invoerrecht op grond van de actieve veredeling inzake douane en accijnzen (z. hoofdstuk IV hierna) werden ingevoerd om voor rekening van een niet in België gevestigde persoon te worden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast en die door de dienstverrichter onder een douanestelsel van entrepot of van tijdelijke opslag zijn geplaatst, worden uit dat stelsel uitgeslagen.

a. De goederen worden uitgeslagen op naam van de dienstverrichter.

  • Zo hij handelt in de hoedanigheid van dienstverrichter, moet hij de BTW regulariseren waarvan eventueel vrijstelling werd bekomen bij de invoer van de goederen, alsmede de BTW die verschuldigd is over de dienst (z. Wetboek, art. 22, § 1 en § 2). De betaling van de verschuldigd geworden BTW geschiedt overeenkomstig nr. 38.6.
  • Zo hij handelt in de hoedanigheid van koper van de bewerkte goederen moeten de evengenoemde regularisaties in verband met de invoer en de dienst hier eveneens plaatsvinden. Daarenboven dient de BTW te worden geregulariseerd in verband met de aankoop door de dienstverrichter van de afgewerkte goederen. Voor de wijze van regularisatie en de betaling van de verschuldigd geworden BTW wordt verwezen naar nr. 66.3.
b. De goederen worden uitgeslagen op naam van de afnemer van de dienst.

De regularisaties waarvan sprake onder a in verband met de invoer en de dienst moeten hier eveneens plaatsvinden. De wijze van regularisatie en de betaling van de verschuldigd geworden BTW geschiedt evenwel overeenkomstig nr. 66.2.

c. De goederen worden uitgeslagen, of wel op naam van een persoon die de goederen van de afnemer van de dienst heeft gekocht, of wel op naam van een navolgende koper.

In principe worden verschuldigd :

  • de BTW waarvan eventueel vrijstelling werd bekomen bij de invoer van de goederen;
  • de BTW die verschuldigd is over de diensten waarvan wegens de inslag vrijstelling is bekomen (z. Wetboek, art. 22, §§ 1 en 2);
  • de BTW voor al de overdrachten en/of dienstverrichtingen die plaats hadden na de inslag en waarvoor vrijstelling van de BTW werd bekomen.
Nochtans moet enkel de BTW over de laatste afstand worden geregulariseerd. De betaling van de verschuldigd geworden BTW geschiedt overeenkomstig nr. 38.6.

38.5. De Administratie der douane en accijnzen komt niet tussen in de regularisaties die moeten geschieden overeenkomstig de hiervoorgaande beschikkingen, maar zij zendt een kennisgeving van geschil aan de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, als de met het oog op uitvoer in het entrepot of in tijdelijke opslag opgeslagen goederen worden uitgeslagen uit het entrepot of uit de tijdelijke opslag voor de binnenlandse markt.

38.6. De betaling van de verschuldigd geworden BTW geschiedt op naam van de persoon die de goederen uitslaat uit het entrepot of uit de tijdelijke opslag.

Is deze persoon gehouden periodieke aangiften in te dienen dan wordt het verschuldigde bedrag voldaan door het op te nemen in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte en vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte) van de aangifte die moet worden ingediend voor het tijdvak in de loop waarvan de goederen uit entrepot of uit tijdelijke opslag werden uitgeslagen.

Is deze persoon een niet-belastingplichtige of een belastingplichtige die niet gehouden is periodieke aangiften in te dienen, dan geschiedt de betaling door het aanbrengen en onbruikbaar van gehele fiscale plakzegels op een document dat te dien einde zal worden opgemaakt en door hem zal worden bewaard. Hetzelfde geldt voor een belastingplichtige die in België noch vaste inrichting noch aansprakelijke vertegenwoordiger heeft; indien deze laatste kan aantonen dat zijn bedrijvigheid hem in België de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige zou geven, kan hij teruggaaf van de gekweten belasting bekomen in de mate dat deze aftrekbaar zou zijn rekening houdende met de artikelen 45 en 46 van het Wetboek.
De teruggaaf moet schriftelijk worden aangevraagd aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. Zij is onder andere afhankelijk van het vervullen van de voorwaarden gesteld in de nrs. 97 tot 107 van de aanschrijving nr. 30/1975.

AFDELING 2. - DIENSTEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN WAARVOOR INZAKE DOUANE EEN REGELING VAN DOORVOER, VAN ENTREPOT OF VAN TIJDELIJKE OPSLAG GELDT.

39. Toepassingsvoorwaarden (kon. besl. nr. 18, art. 12).

39.1. De vrijstelling van BTW voor de diensten is slechts van toepassing wanneer het krachtens de wetgeving inzake douane en accijnzen toegestaan is deze diensten te verrichten. Zij doet geen afbreuk aan de in de artikelen 41 en 42 van het Wetboek bedoelde vrijstellingen.

39.2. Ten aanzien van de uit het binnenland herkomstige goederen wordt deze vrijstelling voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip waarop die goederen worden uitgevoerd.

Ten aanzien van ingevoerde goederen is de vrijstelling voor de diensten definitief.

40. Na te leven formaliteiten en te verstrekken bewijzen.

De na te leven formaliteiten en de te verstrekken bewijzen zijn niet speciaal geregeld door het koninklijk besluit nr. 18. Volgens de algemeen geldende regelen moeten de facturen die betrekking hebben op handelingen waarvoor vrijstelling van BTW wordt ingeroepen, de oorzaak van de vrijstelling vermelden (z. art. 2, eerste lid, 7°, van kon. besl. nr. 1 van 23 juli 1969, gewijzigd bij kon. besl. van 31 maart 1978 (Z. Revue nr. 35, blz. 359.)) en moet het bewijs van de vrijstelling worden geleverd aan de hand van stukken en bescheiden die de echtheid van de handelingen aantonen, in het bijzonder de bestelbons, de betalingsdocumenten en de bescheiden tot staving van de definitieve uitvoer.

41. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

41.1. Wanneer de goederen waaraan de vrijgestelde diensten werden verricht de regeling van doorvoer, van entrepot of van tijdelijke opslag verlaten om ten verbruik te worden aangegeven (ingevoerde goederen) of om opnieuw op de binnenlandse markt te worden gebracht (goederen die uit het binnenland herkomstig zijn), moet de BTW waarvan de vrijstelling werd verkregen worden geregulariseerd volgens het hiernagenoemde onderscheid.

A . Ingevoerde goederen.

41.2. Indien de uitgeslagen goederen ten verbruik worden aangegeven met betaling van de BTW op naam van de persoon voor wiens rekening de diensten werden verricht, blijft de vrijstelling waarvan deze diensten hebben genoten, behouden. Bij de aangifte ten verbruik moet de BTW in dit geval inderdaad worden betaald over de normale waarde van de goederen zoals deze is bepaald in artikel 34 van het Wetboek; in feite zal de maatstaf van heffing veelal gelijk zijn aan de aankoopprijs verhoogd met de bijkomende kosten en met de prijs van de dienst.

41.3. Indien de uitgeslagen goederen ten verbruik worden aangegeven met betaling van de BTW op naam van een afstandhouder blijft de vrijstelling, welke verleend werd voor de diensten die gedaan zijn voor rekening van de afstanddoener of van een voorgaande afstanddoener, eveneens behouden. In dit geval betaalt de afstandhouder inderdaad de BTW ingevolge de aangifte ten verbruik op basis van zijn aankoopprijs vermeerderd met de bijkomende kosten, aankoopprijs die normaal de kosten begrijpt van de gedane diensten.

41.4. Voor de ingevoerde goederen moet natuurlijk rekening worden gehouden met de bepaling die het onderwerp uitmaakt van artikel 34, § 5, van het Wetboek waarbij een minimummaatstaf van heffing wordt ingesteld die gesteund is op de douanewaarde van de goederen.

41.5. Wat bepaald is onder de nrs. 41.2 tot 41.4 is van overeenkomstige toepassing ingeval wordt afgezien van de regeling van doorvoer met aangifte ten verbruik.

B. Goederen die van het binnenland werden verzonden of vervoerd naar een plaats waar inzake douane een regeling van entrepot of van tijdelijke opslag geldt.

41.6. Indien de goederen worden uitgeslagen voor de binnenlandse markt ter bestemming van de persoon die als eigenaar van de goederen opdracht heeft gegeven diensten aan deze goederen te verrichten, wordt de BTW met betrekking tot deze diensten verschuldigd. Indien voor het verrichten van de diensten onderaannemers zijn tussengekomen, is de BTW in principe verschuldigd over de prijs van iedere verrichte dienst. Nochtans wordt enkel de BTW geregulariseerd die verschuldigd is in de betrekking tussen de eigenaar van de goederen en zijn medecontractant. De betaling van de verschuldigd geworden BTW moet worden gedaan door de afnemer van de diensten overeenkomstig nr. 38.6.

41.7. Indien de goederen worden uitgeslagen voor de binnenlandse markt ter bestemming van een persoon aan wie ze werden afgestaan, wordt niet teruggekomen op de vrijstelling van de BTW die werd verleend voor de diensten die voor rekening van de afstanddoener of van een voorgaande afstanddoener werden verricht.
In dit geval zal de afstandhouder inderdaad de BTW voldoen over zijn aankoopprijs die normaal de waarde begrijpt van de werken die door de dienstverrichter werden gedaan voor rekening van de afstanddoener of van een voorgaande afstanddoener. De betaling van de BTW geschiedt overeenkomstig nr. 38.6.

AFDELING 3. - VERZENDING OF VERVOER VAN INLANDSE GOEDEREN NAAR, ALSMEDE INVOER VAN GOEDEREN TER BESTEMMING VAN EEN PLAATS WAAR EEN ANDERE REGELING VAN ENTREPOT DAN DOUANE-ENTREPOT WORDT TOEGEPAST; OVERDRACHT VAN DEZE GOEDEREN DIE ZICH OP DIE PLAATS BEVINDEN MET HANDHAVING VAN DIE REGELING; DIENSTEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN DIE ZICH ALDAAR BEVINDEN.

42. Voorafgaande opmerking.

Alhoewel de vrijstelling van de BTW bij invoer van goederen onder een ander stelsel van entrepot dan douane-entrepot geregeld is door artikel 40, § 1, 1°, van het Wetboek en door artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977, wordt deze vrijstelling eveneens behandeld in de onderhavige afdeling (z. nrs. 1.3, b, en 32, c, laatste lid).

43. Toepassingsvoorwaarden. - Vergunning (kon. besl. nr. 7, art. 14, en kon. besl. nr. 18, art. 13 en 24).

43.1. De vrijstelling van de BTW kan enkel worden bekomen mits een vergunning is verleend door of vanwege de Minister van Financiën. Deze vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen, 2de dienst, 6de directie, R.A.C. - Financietoren bus 39, Kruidtuinlaan 50, 1010 Brussel. Deze aanvraag moet melding maken van de aard en, in voorkomend geval, van de soort en/of van het type van de goederen en/of van de te verrichten diensten.

De algemene voorwaarden van deze vergunning worden behandeld in de nrs. 44 tot 48. Van deze voorwaarden mag slechts worden afgeweken indien zulks uitdrukkelijk in de vergunning is vermeld. Eventuele bijzondere voorwaarden zullen in de desbetreffende vergunning zelf worden gesteld.

43.2. De uitgereikte vergunning mag worden ingetrokken bij een met redenen omklede beslissing indien ze werd verkregen ingevolge een onjuiste verklaring of zo de houder van de vergunning de opgelegde voorwaarden niet nakomt. In alle gevallen wordt de beslissing van intrekking genomen door de Centrale administratie; zij wordt aan de houder van de vergunning medegedeeld bij ter post aangetekende brief. De vergunning mag niet meer worden ingeroepen te rekenen van de dag na de afgifte van de aangetekende brief op de post. De titel van de vergunning moet aan de administratie worden teruggegeven.

44. Bestellingen. - Aansprakelijkheid van de leverancier of van de dienstverrichter.

44.1. Indien het om uit het binnenland herkomstige goederen of om hier te lande verrichte diensten gaat, moet de houder van de vergunning aan de leverancier of aan de dienstverrichter een bestelbon uitreiken die de volgende vermeldingen bevat : "Entrepot ander dan douane-entrepot. - Vrijstelling van de BTW. - Artikel 39, § 2, van het Wetboek en artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 18. - Vergunning van ..., nr. ...".

44.2. De leverancier of de dienstverrichter moet :

a) elke ontvangen bestelbon nummeren volgens een ononderbroken reeks nummers en hem bewaren tot staving van devrijstelling;

b) op de factuur die hij uitreikt de volgende vermeldingen aanbrengen : "Entrepot ander dan douane-entrepot. - Vrijstelling van BTW. - Artikel 39, § 2, van het Wetboek en artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 18. - Vergunning van ..., nr. ... - Bestelbon van ..., ingeschreven onder nr. ...".

44.3. De leverancier of de dienstverrichter is van alle aansprakelijkheid ontslagen indien de onder de nrs. 44.1 en 44.2 voorgeschreven formaliteiten zijn nagekomen. Hij blijft nochtans aansprakelijk voor het niet betalen van de BTW indien naar zijn weten de vrijstelling ten onrechte werd ingeroepen.

45. Invoer.

45.1. Indien het om ingevoerde goederen gaat heeft de invoer met vrijstelling van de BTW plaats onder dekking van het document bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977. Derhalve wordt gebruik gemaakt van de aangifte ten verbruik 136.

Het invoerdocument wordt opgesteld op naam van de houder van de vergunning; op dit document brengt de aangever de volgende vermeldingen aan :, , Artikel 40, § 1, 1°, van het Wetboek en artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 7 - Vergunning van ..., nr. ...".

45.2. Indien de invoer geschiedt op naam van een niet-belastingplichtige moet het origineel of een fotokopie van de vergunning worden voorgelegd op het douanekantoor van invoer.

46. Borgstelling.

Bij de invoer van goederen met vrijstelling van de BTW op grond van artikel 40, § 1, 1°, van het Wetboek en artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977, moet geen borg worden gesteld.

47. Aard van de vrijstelling. - Uitvoertermijn.

47.1. Zowel voor de ingevoerde als voor de uit het binnenland herkomstige goederen wordt de vrijstelling van de BTW voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip waarop de goederen worden uitgevoerd.

47.2. Deze uitvoer moet plaatshebben binnen de in de vergunning gestelde termijn. In uitzonderlijke gevallen kan deze uitvoertermijn door een beslissing van de Centrale administratie worden verlengd.

48. Controle over de vrijstelling.

Om de vrijstelling van de BTW te genieten moet de houder van de vergunning een boekhouding voeren aan de hand waarvan de administratie controle kan uitoefenen.

Daartoe wordt geen bepaalde vorm van boekhouding of register voorgeschreven, maar het moet steeds mogelijk zijn duidelijk en zonder verdere benaarstiging de overeenkomst aan te tonen tussen de goederen die in entrepot ander dan douane-entrepot zijn gebracht en de definitief uitgevoerde goederen.

49. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

Indien de uitvoer niet plaatsheeft binnen de in de vergunning gestelde termijn of indien de goederen voor het verstrijken van die termijn uit het entrepot ander dan douane-entrepot worden geslagen met een ander doel dan de uitvoer, moet een regularisatie plaatsvinden. In dat geval moet de BTW worden betaald waarvoor de vrijstelling werd ingeroepen. Daarenboven wordt in principe de bij artikel 70, § 1, van het Wetboek bepaalde boete opgelopen, en zijn de bij artikel 91, § 1, van het Wetboek bedongen interesten verschuldigd.

De wijze waarop deze regularisatie moet plaatsvinden en de te betalen bedragen aan belasting, interesten en eventueel verminderde boete, worden in de vergunning bepaald.

AFDELING 4. - ALGEMENE BEPALINGEN.

50. Opschorting van de betaling van de BTW (kon. besl. nr. 18, art. 14).

Het stelsel van de opschorting van de verschuldigdheid van de BTW (z. eerste hoofdstuk, afdeling 4, hierboven) is van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.

51. Bijzondere regelingen.

De regelingen die in de eerste afdeling van het eerste hoofdstuk hierboven zijn uiteengezet met betrekking tot het bekomen van de vrijstelling in geval van gezamenlijke uitvoer (z. nr. 8) en leveringen gedaan door forfaitaire belastingplichtigen (z. nr. 11) zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.

Overeenkomstig wat gezegd is in dezelfde afdeling kan de vrijstelling van BTW geen toepassing vinden ten aanzien van leveringen van tabaksfabrikaten (z. nr. 12) en van leveringen die gedaan zijn door egalisatiebelastingplichtigen (z. nr. 13) en door landbouwondernemers die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling (z. nr. 14).

HOOFDSTUK III. - VRIJSTELLING INGESTELD OP GROND VAN ARTIKEL 39, § 4, VAN HET WETBOEK 52. Vrijgestelde handelingen.

52.1. Bij artikel 39, § 4, van het BTW-Wetboek wordt om de uitvoering van internationale akten te verzekeren aan de Koning de macht gegeven onder de door Hem te stellen beperkingen en voorwaarden, gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de BTW te verlenen voor leveringen en voor diensten met betrekking tot goederen die worden uitgevoerd.

Ingevolge een richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen nr. 69/169/EEG, zoals deze meerdere malen werd gewijzigd, betreffende de harmonisatie van de wettelijke, reglementaire en administratieve bepalingen inzake de vrijstellingen van de omzetbelastingen en van de accijnzen geheven bij de invoer in het internationaal reizigersverkeer, werd bepaald dat vrijstelling van de BTW kan worden verleend, met inachtneming van bepaalde beperkingen en het naleven van zekere voorwaarden, voor de levering van goederen aan een reiziger met woonplaats of gewone verblijfplaats in het buitenland, die deze goederen hier te lande in bezit neemt en ze bij de uitvoer meevoert in zijn persoonlijke bagage (z. kon. besl. nr. 18, art. 15, § 1).

52.2. De hier behandelde regeling, ook genoemd de "regeling voor niet in België gevestigde reizigers", wijkt onder meer op de volgende punten af van de regeling die is ingesteld op grond van artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek :

  • de vrijstelling wordt slechts verleend indien de eenheidsprijs van de goederen, die worden meegenomen naar het buitenland in de bagage van de niet in België gevestigde reiziger, een zeker bedrag te boven gaat (z. nr. 53.3, 3°);
  • de wijze waarop het bewijs van de vrijstelling moet worden geleverd verschilt grondig van deze voorgeschreven voor de toepassing van de voornoemde wetsbepaling (z. nr. 55.1);
  • de uitvoer van de goederen moet plaatshebben binnen een termijn van dertig dagen en wel door een reiziger met woonplaats of gewone verblijfplaats in het buitenland (z. nr. 53.3, 1 ° en 4°);
  • de hier behandelde vrijstelling vindt geen toepassing voor diensten (z. nr. 53.2);
  • ze kan slechts worden toegepast indien aan de uitvoer elk handels- of beroepskarakter vreemd is (z. nr. 53.3, 2°).
53. Toepassingsvoorwaarden (kon. besl. nr. 18, art. 15, §§ 1 en 2).

53.1. Ingevolge de internationale akte van de Europese Gemeenschappen waarover het gaat in het tweede lid van nr. 52.1, is de vrijstelling, met uitsluiting van alle andere vrijstellingen, van toepassing ingeval een reiziger als aldaar bedoeld in België goederen koopt en er bezit van neemt waaraan voor hem elk handels- of beroepskarakter vreemd is en die hij bij de uitvoer meevoert in zijn persoonlijke bagage. Daaruit volgt dat, voor de in deze omstandigheden gedane uitvoeren van goederen, de vrijstellingen ingesteld bij artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek en gereglementeerd door de artikelen 5, § 1, eerste lid, en 7 van het koninklijk besluit nr. 18, geen toepassing kunnen vinden (z. eerste hoofdstuk, afdeling 2, hierboven).

53.2. Deze vrijstelling van BTW mag slechts worden toegepast op leveringen van goederen; ze is niet toepasselijk op diensten.

53.3. Om wegens de levering van de goederen vrijstelling van de BTW te genieten moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan :

1° de aankoop moet geschieden door een reiziger met woonplaats of gewone verblijfplaats in het buitenland die deze goederen hier te lande in bezit neemt en ze naar het buitenland meevoert in zijn persoonlijke bagage;

2° aan de aankoop moet elk handels- of beroepskarakter vreemd zijn;

3° de waarde van de goederen, inclusief BTW en aanvullende weeldetaks, moet per voorwerp hoger zijn dan het in de bijlage E(4) vermelde bedrag dat is vastgesteld volgens het land van bestemming en de datum van inwerkingtreding;

4° de goederen moeten worden uitgevoerd binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de levering;

5° de in nr. 55 voorgeschreven formaliteiten moeten worden nageleefd.

54. Algemene bepalingen (kon. besl. nr. 18, art. 16).

54.1. Onder "woonplaats" of "gewone verblijfplaats" wordt verstaan de plaats die op de reispas van de koper of op zijn identiteitskaart is vermeld of, voor de in het buitenland verblijvende Belgen, op de identiteitskaart geldend als certificaat van inschrijving uitgereikt door de Belgische ambassade of het Belgisch consulaat waaronder ze ressorteren (z. kon. besl. nr. 18, art. 16, § 2).

54.2. De reiziger moet de goederen meevoeren in zijn persoonlijke bagage, dit wil zeggen dat hij de goederen meeneemt in een reiskoffer of -tas of in de bagageruimte van eender welk vervoermiddel. Wat in het bijzonder de goederen betreft die kunnen dienen als uitrusting of bevoorrading van sommige vervoermiddelen, wordt verwezen naar nr. 56.

54.3. Als verkrijgingen die voor de koper geen handels- of beroepskarakter hebben moeten worden aangemerkt de verwervingen van goederen die voor hem een incidenteel karakter hebben en uitsluitend betrekking hebben op goederen die bestemd zijn voor zijn privé-gebruik, dan wel voor gebruik door leden van zijn gezin of die bestemd zijn om ten geschenke te worden aangeboden, mits blijkens de aard en de hoeveelheid van de goederen aan die koop geen commerciële of professionele overwegingen ten grondslag liggen (z. kon. besl. nr. 18, art. 16, § 1).

54.4. Onder "waarde per voorwerp" (z. nr. 53.3, 3°) wordt verstaan, hetzij de waarde van een enkel voorwerp, hetzij de waarde van een goed samengesteld uit verscheidene delen of onderdelen die gewoonlijk samen worden aangeboden onder één benaming, één presentatie of één verpakking die hen het karakter van een enig goed toekennen en die tegen één enkele globale prijs te koop worden aangeboden (b.v. koffieservies) (z. kon. besl. nr. 18, art. 16, § 3)

55. Formaliteiten en bewijs van uitvoer.55.1. De verkoper en de koper maken samen in dubbel een document nr. 398 op (z. bijlage E bij deze aanschrijving) (van dit document nr. 398 is door de Algemene Zegelwerkplaats ambtshalve een voorraad aan de BTW-controlekantoren toegezonden. De belastingplichtigen die slechts zelden goederen leveren in de bij dit nummer bedoelde omstandigheden kunnen zich bevoorraden op het BTW-controlekantoor waaronder ze ressorteren. De belastingplichtigen die geregeld leveringen verrichten waarbij deze vrijstelling wordt ingeroepen, dienen de documenten nr. 398 op hun kosten te laten drukken volgens het model in bijlage E of kunnen deze bestellen bij de Algemene Zegelwerkplaats, Masuiplein 13, te 1210 Brussel.) speciaal ontworpen om de belastingontheffing te vergemakkelijken.
Bij ontstentenis van een document nr. 398, stelt de verkoper, in drie exemplaren, waarvan twee bestemd voor zijn klant, een factuur op die de verkoop vaststelt.

Al naargelang het document dat tot dat doel werd opgesteld legt de koper, op straffe van verval van het recht op vrijstelling van de BTW, aan de hierna aangeduide bevoegde diensten, binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de levering van-de goederen, het document nr. 398, of een exemplaar van de factuur voor visum voor.

In geval van uitvoer naar een EEG-Lid-Staat, dus het Groothertogdom Luxemburg en Nederland inbegrepen, moet het document nr. 398 of het exemplaar van de factuur, naargelang van het geval, worden geviseerd door de douane van het land van bestemming of door een andere op het gebied van omzetbelasting bevoegde instantie van dit land.

Bij uitvoer naar een niet EEG-Lid-Staat moet het document nr. 398 of het exemplaar van de factuur, naargelang van het geval, op het ogenblik van de uitvoer worden geviseerd door de Belgische douane. Dat visum is verplicht zelfs wanneer de uitvoer plaatsheeft over de Belgisch-Luxemburgse of over de Belgisch-Nederlandse grens .

55.2. Na te zijn geviseerd zendt de koper, naargelang van het geval, het exemplaar van het document nr. 398, dat bestemd is voor de verkoper (exemplaar 1), of het exemplaar van de factuur aan deze laatste terug. Ten einde eveneens de mogelijkheid te hebben de uitvoer te bewijzen bewaart de koper, naargelang van het geval, of wel het exemplaar van het document nr. 398 dat voor hem is bestemd (exemplaar 2), ofwel het tweede exemplaar van de factuur dat hij met dat doel ter visum zal hebben kunnen voorleggen.

55.3. Ondanks de ontheffing van de verplichting een factuur uit te reiken verleend door artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW, voor het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 oktober 1980 (z. Revue nr 47, blz. 11.), is de vrijstelling van de BTW voor de in dit hoofdstuk bedoelde leveringen altijd ondergeschikt aan de uitreiking door de verkoper aan de koper van een factuur die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 2 van het evengenoemde koninklijk besluit. Indien de levering slaat op meerdere goederen die ofwel van dezelfde, ofwel van verschillende aard zijn, moet de factuur eveneens de prijs per voorwerp vermelden.

55.4. Bij de levering is de verkoper verplicht de BTW aan te rekenen aan de koper en dient hij dit bedrag af te dragen aan de Staat. De vrijstelling wordt slechts bekomen als de verkoper, naargelang van het geval, het binnen de gestelde termijn geldig geviseerde exemplaar van het document nr. 398 of van de factuur terug in zijn bezit heeft.

Na ontvangst van het geldig en tijdig geviseerde document betaalt de verkoper de BTW terug aan de koper en vraagt hij er zelf teruggaaf van op grond van artikel 77 van het Wetboek en volgens de bepalingen vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, voor het laatste gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 1986 (z. Revue nr. 75, blz. 11.).

55.5. Het geviseerde document wordt door de leverancier aan het dubbel van de uitgereikte factuur gehecht.

56. Speciale beschikkingen met betrekking tot goederen die dienstig zijn als uitrusting of bevoorrading van autovoertuigen, jachten, sportvliegtuigen of andere vervoermiddelen voor privégebruik.

56.1. Ingevolge artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek en artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 18, is de vrijstelling van BTW bij afhaling door de niet in België gevestigde koper niet van toepassing ten aanzien van goederen die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik en die zich als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden bij de uitvoer ervan.
Daarenboven mogen de bedoelde goederen onder geen enkele voorwaarde worden beschouwd als zijnde uitgevoerd in de bagage van de niet in België gevestigde reiziger, waaruit volgt dat de vrijstelling die is ingesteld op grond van artikel 39, § 4, van het Wetboek en is geregeld door de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 18, ter zake niet kan worden toegepast. Derhalve vindt de in afdeling 3 van het eerste hoofdstuk, hierboven, omschreven regeling hier eveneens toepassing.

56.2. De goederen die kennelijk als uitrustingsvoorwerpen of als bevoorrading van de in nr. 56.1 bedoelde vervoermiddelen kunnen dienen, doch die zich bij de uitvoer van deze vervoermiddelen niet als zodanig aan boord ervan bevinden, kunnen vrijstelling van BTW bekomen mits voldaan is aan de beperkingen en de voorwaarden die gesteld zijn in de nrs. 53 en 54 en de in nr. 55 bepaalde formaliteiten worden vervuld.

57. Bijzondere regelingen.

De regeling die in de eerste afdeling van het eerste hoofdstuk hierboven is uiteengezet met betrekking tot het bekomen van de vrijstelling in geval van levering door een forfaitaire belastingplichtige (z. nr. 11) is van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.

Overeenkomstig wat gezegd is in dezelfde afdeling kan de vrijstelling van BTW geen toepassing vinden ten aanzien van leveringen van tabaksfabrikaten (z. nr. 12) en van leveringen die gedaan zijn door egalisatiebelastingplichtigen (z. nr. 13) en door landbouwondernemers die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling (z. nr. 14).

HOOFDSTUK IV. - VRIJSTELLING INGESTELD BIJ ARTIKEL 40, § 1, 3°, b, VAN HET WETBOEK

58. Vrijgestelde handelingen (kon. besl. nr. 18, art. 17).

58.1. Op grond van artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek kan de invoer van goederen die zullen worden wederuitgevoerd na hier te lande een herstelling, een bewerking, een verwerking of een aanpassing te hebben ondergaan, met vrijstelling van BTW geschieden indien ze worden ingevoerd op naam van de in nr. 59.1 bedoelde personen.

58.2. Ingeval de invoer geschiedt op naam van een belastingplichtige die gehouden is periodieke aangiften in te dienen, moet de vrijstelling van de BTW niet worden gevraagd voor goederen die worden ingevoerd uit het Groothertogdom Luxemburg of uit Nederland met verlegging van de heffing naar het binnenland, overeenkomstig de artikelen 5, § 4, en 7 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977. Dit stelsel is in feite gelijkwaardig aan de vrijstelling aangezien de wegens invoer verschuldigde BTW in aftrek kan worden gebracht op hetzelfde tijdstip waarop ze als verschuldigde BTW wordt opgenomen in de periodieke BTW- aangifte.

59. Rechthebbende op de vrijstelling (kon. besl. nr. 18, art. 17).

59.1. De vrijstelling van de BTW wordt verleend aan :

a) een niet-belastingplichtige die in België is gevestigd;

b) een belastingplichtige die in België is gevestigd of aan een in het buitenland gevestigde belastingplichtige die in België een vaste inrichting heeft en het werk verricht in opdracht van een niet in België gevestigde persoon;c) de niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen neer hij het werk verricht in opdracht van een niet in België gevestigde persoon. Alhoewel deze belastingplichtige op grond van wat gezegd is onder nr. 2 voor de toepassing van deze aanschrijving beschouwd wordt als zijnde niet in België gevestigd, kan deze bij de invoer van goederen als bedoeld in nr. 58.1 de hoedanigheid van geadresseerde aannemen (z. kon. besl. nr. 7 van 27 december 1977, art. 5, § 4, 2°) en bijgevolg de bij artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek bedoelde vrijstelling bekomen.

59.2. Weliswaar mag bij invoer van goederen die moeten worden wederuitgevoerd na voor rekening van een niet in België gevestigde persoon hier te lande te zijn hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast, op grond van artikel 5, § 4, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977, enkel een belastingplichtige die periodieke aangiften indient als geadresseerde optreden. Niettemin blijkt uit artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 18 dat de bij artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek bedoelde vrijstelling eveneens mag worden verleend aan een niet-belastingplichtige of aan een belastingplichtige die niet gehouden is periodieke BTW-aangiften in te dienen voor zover de hierboven bedoelde invoer op hun naam geschiedt .

59.3. De vrijstelling van de BTW mag slechts worden ingeroepen indien de in nr. 59. 1 bedoelde invoerders in het bezit zijn van een door de administratie op hun naam verleende vergunning.

60. Aanvraag, uitreiking, duur, weigering en intrekking van de vergunning (kon. besl. nr. 18, art. 18 en 24).

A . Aanvraag.

60.1. De vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de betrokkene ressorteert.

Wanneer de vergunning wordt gevraagd door een belastingplichtige waarvan de voornaamste zetel niet in België is gevestigd maar die hier te lande een vaste inrichting heeft, wordt de aanvraag gericht aan het controlekantoor waaronder deze ressorteert. Indien de niet in België gevestigde persoon hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, wordt de aanvraag gericht aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. Is de aanvrager een hier te lande gevestigde niet-belastingplichtige dan richt hij zijn aanvraag aan het controlekantoor waaronder zijn woonplaats ressorteert.

In de gevallen waarin de vergunning door de Centrale administratie wordt verleend (z. nr. 60.4) mag ze evenwel rechtstreeks bij deze laatste worden aangevraagd.

60.2. De aanvraag om vergunning moet melding maken van de aard, de soort of het type van de in te voeren goederen, het werk dat ze moeten ondergaan, de fabricagerendementen, de aard en, in voorkomend geval, de soort of het type van de te bekomen goederen, met inbegrip van de bijprodukten en de afvallen. Indien het gaat om goederen die onderworpen zijn aan invoerrecht vermeldt ze eveneens of vrijstelling van dat recht is aangevraagd bij de Administratie der douane en accijnzen, met verwijzing naar de datum en het nummer van de bekomen vergunning, indien deze laatste reeds is verleend.

B. Uitreiking.60.3. Indien de aanvrager van de bij artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek bedoelde vergunning een belastingplichtige is als vermeld in artikel 17, eerste lid, b, van het koninklijk besluit nr. 18, verleent het hoofd van het controlekantoor de vergunning op een formulier 423T/2 dat als bijlage F bij deze aanschrijving is gevoegd, binnen de termijn van één maand te rekenen van de datum van ontvangst van de aanvraag, indien deze volledig is en alle gestelde voorwaarden zijn vervuld. Indien de aanvrager eveneens de bij artikel 43 van het Wetboek bedoelde vergunning aanvraagt (z. hoofdstuk VI hierna) wordt de vergunning uitgereikt op een formulier 423T/4 dat als bijlage H bij deze aanschrijving is gevoegd.

60.4. Nochtans wordt de vergunning door de Centrale administratie verleend in de volgende gevallen :

a) wanneer de aanvrager een niet-belastingplichtige is;

b) wanneer de aanvrager slechts belastingplichtige is voor een gedeelte van zijn beroepswerkzaamheid en hij de aftrek verricht volgens het algemeen verhoudingsgetal, overeenkomstig afdeling IV van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1978;

c) wanneer de aanvrager een belastingplichtige is die niet gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften.

C. Duur.

60.5. De vergunning is geldig tot 31 december van het jaar waarvoor ze is verleend.

D. Weigering.

60.6. Indien de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning niet zijn vervuld wordt de aanvraag binnen de maand na haar datum verworpen bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt aan de aanvrager medegedeeld bij ter post aangetekende brief.

E. Intrekking.

60.7. De uitgereikte vergunning mag worden ingetrokken bij een met redenen omklede beslissing indien ze werd verkregen ingevolge een onjuiste verklaring of zo de houder van de vergunning de opgelegde voorwaarden niet nakomt.

Als redenen tot intrekking wegens het niet naleven van de voorwaarden worden onder meer beschouwd : het niet houden van het bij nr. 65.1 beoogde register of boekhouding, alsmede grove nalatigheden in het bijhouden ervan, de weigering het register of de boekhouding bij een controle voor te leggen.

In alle gevallen wordt de beslissing van intrekking genomen door de Centrale administratie. De beslissing van intrekking wordt aan de houder van de vergunning medegedeeld bij ter post aangetekende brief. De vergunning mag niet meer worden ingeroepen te rekenen van de dag na de afgifte van de aangetekende brief op de post. De titel van de vergunning moet aan de administratie worden teruggegeven.

61. Invoer.

61.1. De invoer met vrijstelling heeft plaats onder dekking van het document dat bedoeld is in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977. Derhalve wordt gebruik gemaakt van de aangifte ten verbruik 136.

Het invoerdocument wordt opgesteld op naam van de houder van de vergunning; op dit document brengt de aangever de volgende vermeldingen aan : "Artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek en artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 18. - Vergunning van ..., nr. ...".

61.2. Indien de invoer geschiedt op naam van een niet-belastingplichtige moet het origineel of een fotokopie van de vergunning worden voorgelegd op het douanekantoor van invoer.

62. Borgstelling.

Bij invoer van goederen met vrijstelling van de BTW op grond van artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek moet geen borg worden gesteld.

63. Uitvoer.

63.1. Voor de toepassing van de in dit hoofdstuk besproken vrijstelling wordt als uitvoer beschouwd de leveringen en de dienstverrichtingen met betrekking tot goederen die zijn vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 39 en, behoudens de hierna vermelde beperkingen, van artikel 42, § 1, 1° tot 4°, § 2, 1° tot 4°, en § 3, 1° tot 6°, van het Wetboek.

Evenwel wordt de levering van in artikel 42, § 1, 2°, en § 2, 2°, van het Wetboek bedoelde goederen slechts als uitvoer beschouwd indien de leverancier ze zelf aan boord plaatst van de in artikel 42, § 1, 1°, en § 2, 1°, van het Wetboek bedoelde vervoermiddelen .

De in artikel 42, § 1, 3°, en § 2, 3°, van het Wetboek bedoelde diensten worden enkel als uitvoer beschouwd indien ze gedaan zijn, ofwel aan in artikel 42, § I, 1 °, en § 2, 1 °, bedoelde vervoermiddelen, of wel aan in artikel 42, § 1, 2°, en § 2, 2°, bedoelde voorwerpen die door de dienstverrichter zelf aan boord worden gebracht of geplaatst. Bijgevolg worden de diensten die bestaan in de verhuur of de bevrachting van de laatstbedoelde vervoermiddelen en voorwerpen niet als uitvoer aangemerkt.

De in artikel 42, § 1, 4°, en 2, 4°, van het Wetboek, bedoelde leveringen van goederen worden enkel als uitvoer beschouwd indien de leverancier ze zelf aan boord levert van schepen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a, b en c, en van vervoermiddelen bedoeld in artikel 42, § 2, 1°.

63.2. De levering en de uitvoer moeten plaatshebben in de voorwaarden die voor de bij artikel 39 van het Wetboek bedoelde vrijstelling van de BTW zijn bedongen in de drie voorgaande hoofdstukken.

De in artikel 42 van het Wetboek bedoelde handelingen die beoogd zijn in nr. 63.1 moeten worden bewezen aan de hand van stukken en bescheiden waarvan de aard en de vorm worden bepaald door of vanwege de Minister van Financiën overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen op het stuk van de BTW (z. aanschr. 24/1978 (z. Revue nr. 37 blz. 775.), wat betreft de zee- en binnenschepen, en aanschr. 6/1983 (z. Revue nr, 58 blz. 248, ), wat betreft de vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en dergelijke toestellen).

64. Aard van de vrijstelling. - Uitvoertermijn (kon. besl. nr. 18, art . 17).

64.1. De vrijstelling van de BTW wordt voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip van de uitvoer of van de levering, overeenkomstig het bepaalde in nr. 63.1, van alle van de bewerking afkomstige goederen.

64.2. De uitvoer of levering als hierboven bedoeld moet plaatsvinden binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum van de invoer. In uitzonderlijke omstandigheden kan deze uitvoertermijn door een beslissing van de Centrale administratie worden verlengd.

65. Controle over de vrijstelling.

65.1. De controle geschiedt in hoeveelheid. Te dien einde moet de houder van de vergunning een vergelijkingsregister houden, dat bestemd is om duidelijk de overeenstemming te laten blijken tussen de ingevoerde en de uitgevoerde hoeveelheden goederen. Dit register moet de volgende gegevens bevatten :

a) de datum en het nummer van de aangifte ten verbruik 136, de aard en de hoeveelheid van de ingevoerde goederen, alsmede de identificatiegegevens ingeval die er zijn;

b) zodra de dienst voltooid is : de aard en de hoeveelheid van de ingevolge de uitvoering van de dienst bekomen goederen;

c) bij de overhandiging van de onder b) bedoelde goederen : de datum van de verzending of van de terbeschikkingstelling van de goederen en een verwijzing naar de factuur die aan de afnemer van de dienst wordt uitgereikt;

d) de datum en het nummer van de aangifte ten uitvoer van de onder b) bedoelde goederen alsmede het kantoor van uitvoer indien deze aangifte schriftelijk is gedaan, ofwel de datum en het kantoor van uitvoer indien die aangifte mondeling is gedaan, ofwel een verwijzing naar de bij nr. 63.2, tweede lid, bedoelde stukken en bescheiden.

Indien de houder van de vergunning een belastingplichtige is die ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 12 van 3 juni 1970 met betrekking tot het houden van een maakloonregister voor de toepassing van de BTW, verplicht is het laatstgenoemd register te houden, mag hij het zo aanpassen dat het tevens kan dienen als vergelijkingsregister.

De houder van de vergunning, die belastingplichtige is en een boekhouding voert waarin duidelijk alle voorgeschreven elementen en vermeldingen zijn opgenomen, is ervan ontslagen een vergelijkingsregister aan te leggen.

65.2. Indien de houder van de vergunning die de vrijstelling van BTW inroept de voornaamste zetel van zijn beroepswerkzaamheid in het buitenland heeft, rust de verplichting tot het houden van het register of tot het voeren van de boekhouding, alsmede tot het bewaren en het voorleggen ervan, op de hier te lande gevestigde vaste inrichting of op de voor hem erkende aansprakelijke vertegenwoordiger .

66. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

A. De houder van de vergunning is een belastingplichtige die periodieke aangiften indient.

66.1. De goederen zijn niet wederuitgevoerd binnen de gestelde termijn (z. nr. 64.2) en zijn nog steeds in het bezit van de houder van de vergunning.

In dit geval wordt bij het verstrijken van de gestelde termijn de BTW waarvoor bij de invoer aanspraak op de vrijstelling werd gemaakt, verschuldigd door de houder van de vergunning; het bedrag van de desbetreffende BTW wordt opgenomen in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte of vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte) van de aangifte die moet worden ingediend door de dienstverrichter voor het tijdvak in de loop waarvan de gestelde termijn verstrijkt; deze BTW kan worden afgetrokken in de mate bepaald door de artikelen 45 en 46 van het Wetboek door ze op te nemen in vak 21 van dezelfde aangifte.

Wanneer de betrokkene eveneens houder is van de voorgeschreven vergunning voor de toepassing van de in artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling (z. hoofdstuk VI) mag hij, gelet op het bepaalde in nr. 86.4, eerste lid, d, in geen geval zich op deze vrijstelling beroepen noch rekening houden met de aftrekbare belasting voor het vaststellen van het totaalbedrag van de BTW waarop het percentage van de in artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling van toepassing is (z. nr. 85.2, eerste lid).

Tevens wordt de aandacht van de betrokkene inzonderheid gevestigd op het feit dat de huidige regularisatie hem niet ervan ontslaat eveneens één van de in de nrs. 66.2 tot 66.4 bedoelde regularisaties te verrichten, indien de oorzaken die één van deze laatstbedoelde regularisaties noodzakelijk maakt zich voordoen nahet verstrijken van de wederuitvoertermijn.

Tenslotte wordt opgemerkt dat het loutere feit van het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn voor de bewerkte goederen op zichzelf geen enkele invloed heeft op het stelsel van de opschorting van de verschuldigdheid van de BTW dat werd toegepast ten aanzien van de dienstverrichting (z. eerste hoofdstuk, afdeling 4), in die zin dat zij op generlei wijze dit stelsel onderbreekt.

66.2. De goederen worden hier te lande ter beschikking gesteld van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst.

a. De terbeschikkingstelling van de goederen heeft plaats voor het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn (z. nr. 64.2).

In dit geval diende, overeenkomstig artikel 5, § 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977, de niet in België gevestigde afnemer van de dienst in plaats van de vergunninghouder de hoedanigheid van geadresseerde aan te nemen op het tijdstip van de invoer van de goederen (z. art. 5, § 4, 2°, van het kon. besl. nr. 7 van 27 december 1977). Om verwikkelingen tussen de betrokken partijen te vermijden, welke het terugkomen op de regeling zoals ze op het tijdstip van de invoer van de goederen had moeten worden toegepast in vele gevallen kan meebrengen, dienen deze personen de hiernavolgende regeling toe te passen waardoor de bedoelde toestand definitief kan worden geregulariseerd zonder tussenkomst van de diverse douanekantoren waar de goederen bij invoer werden aangegeven.

Uiterlijk de vijfde werkdag van de maand volgend op de maand waarin de houder van de vergunning de goederen ter beschikking stelt van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst maakt de houder van de vergunning een document, in twee exemplaren, op waarin hij aan deze persoon de BTW in rekening brengt berekend over de normale waarde van de ter beschikking gestelde goederen.

Dat document, dat een debetnota of een gelijkaardig stuk mag zijn, dient de volgende gegevens te bevatten :

1° de datum waarop het wordt opgemaakt;

2° het volgnummer waaronder de vergunninghouder het document inschrijft in een speciaal register (z. ook nr. 65) dat een deel van zijn boek voor uitgaande facturen mag zijn;

3° de datum van de afgifte van de goederen;

4° de identiteit en het adres van de vergunninghouder alsmede zijn BTW-registratienummer;

5° de identiteit en het adres van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst, alsmede zijn BTW-registratienummer indien hij in België een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen;

6° het nummer en de datum van de aangifte ten invoer met betrekking tot de goederen welke ter beschikking zijn gesteld van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst, alsmede de aanwijzing van het kantoor waar die aangifte is geldig gemaakt. Wanneer de ter beschikking gestelde goederen het voorwerp waren van verscheidene aangiften ten invoer, dienen deze gegevens voor ieder goed, opgenomen in een afzonderlijke aangifte, te worden vermeld;

7° de aard (in voorkomend geval de soort of het type) en de hoeveelheid van de ter beschikking gestelde goederen;

8° de normale waarde van die goederen ongeacht of ze al dan niet in verwerkte staat ter beschikking worden gesteld. In geen geval mag die waarde lager zijn dan de maatstaf van heffing van de goederen op het tijdstip van de invoer zoals die is vermeld in de aangifte ten invoer, verhoogd met de prijs van de verwerking zoals die werd gefactureerd aan de niet in België gevestigde afnemer van de dienst ingeval de goederen in verwerkte staat ter beschikking worden gesteld; in dit laatste geval dient bovendien de datum en het nummer van de factuur met betrekking tot de dienstverrichting te worden vermeld;

9° het BTW-tarief dat van toepassing is op de goederen op het tijdstip van hun afgifte;

10° het bedrag van de BTW;

11° tenslotte de volgende vermeldingen : "Regularisatie van de invoer bij actieve veredeling. Terbeschikkingstelling van de buitenlandse opdrachtgevers. - nr. 66.2 van de aanschrijving nr. 17/1987".

De houder van de vergunning neemt in zijn periodieke aangifte met betrekking tot de periode waarin de goederen aan de niet in België gevestigde afnemer van de dienst worden overhandigd, het bedrag van de BTW op dat is vermeld op het aan deze persoon uitgereikte document, door het in te schrijven in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte, of in vak 31 indien het gaat om een kwartaalaangifte of de niet in België gevestigde afnemer van de dienst die geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen kan, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1970, teruggaaf verkrijgen van de belasting die hem in rekening werd gebracht door de dienstverrichter. Die teruggaaf moet schriftelijk worden gevraagd bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen; ze is meer bepaald onderworpen aan het vervullen van de voorwaarden voorgeschreven door de aanschrijving nr. 30/1975.

De niet in België gevestigde afnemer van de dienst die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, neemt het document dat hij van de dienstverrichter ontvangt op in zijn boek voor inkomende facturen. Hij kan in zijn periodieke aangifte, overeenkomstig de algemene regels, de BTW in aftrek brengen welke hem door de dienstverrichter in rekening werd gebracht.

Wanneer de niet in België gevestigde afnemer van de dienst hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen en wanneer hij houder is van een vergunning voorgeschreven voor de toepassing van de in artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling, kan hij zich op deze vrijstelling beroepen ter gelegenheid van de regularisatie. Te dien einde reikt de niet in België gevestigde afnemer van de dienst uiterlijk op het tijdstip van de afgifte van de goederen aan de dienstverrichter een stuk uit dat de in nr. 87.1 bedoelde vermeldingen bevat. Laatstgenoemde dient ieder ontvangen stuk volgens een ononderbroken reeks te nummeren en te bewaren ter staving van de vrijstelling en tevens op het voornoemde regularisatiedocument de in nr. 87.2, b, voorgeschreven gegevens te vermelden. Wanneer de niet in België gevestigde afnemer van de dienst het regularisatiedocument ontvangt, dient hij het bedrag van de BTW waarvan hij de vrijstelling heeft verkregen in te schrijven in de in nr. 89.1 bedoelde boekhouding, in de kolom die bestemd is voor het inschrijven van de met vrijstelling van BTW gedane invoeren.

De hierboven bedoelde regularisatie moet in geen geval plaatsvinden wanneer de ingevoerde goederen, na verwerking, door de dienstverrichter naar een andere hier te lande gevestigde dienstverrichter worden verzonden die in opdracht van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst belast is met een andere bewerking, verwerking, aanpassing of herstelling; in dat geval is het voldoende dat de twee dienstverrichters de bewerkte goederen gezamenlijk uitvoeren binnen de voor de wederuitvoer gestelde termijn, opdat de vrijstelling van de BTW bij de invoer definitief wordt verkregen; de gezamenlijke uitvoer moet worden verricht overeenkomstig nr. 8.

b. De terbeschikkingstelling van de goederen heeft plaats na het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn (z. nr. 64.2).

Behalve de door de houder van de vergunning verrichte regularisatie bij het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn (z. nr. 66.1), dient wegens de terbeschikkingstelling van de goederen door de houder van de vergunning aan de niet in België gevestigde afnemer van de dienst na het verstrijken van de bedoelde termijn eveneens de in punt a, tweede tot vijfde lid, hierboven bedoelde regularisatie (dezelfde regularisatie moet worden verricht wanneer de dienstverrichter op zijn naam de BTW bij de invoer heeft betaald en de goederen nadien aan de niet in België gevestigde afnemer van de dienst ter hand zijn gesteld.) plaats te vinden.

Laatstbedoelde regularisatie moet echter niet geschieden wanneer de ingevoerde goederen, na bewerking, door de dienstverrichter worden verzonden naar een andere hier te lande gevestigde dienstverrichter die door de niet in België gevestigde afnemer van de dienst wordt belast om ze voor zijn rekening een andere herstelling, verwerking, bewerking of aanpassing te doen ondergaan op voorwaarde dat in dit geval de twee dienstverrichters de bewerkte goederen gezamenlijk uitvoeren overeenkomstig nr. 8.

66.3. De goederen worden overgedragen door de niet in België gevestigde eigenaar aan de houder van de vergunning, ongeacht of ze al dan niet werden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast.

a. De overdracht van de goederen heeft plaats voor het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn (z. nr. 64.2).

In dit geval moet de houder van de vergunning de BTW betalen over de aan zijn verkoper betaalde prijs en tegen het tarief dat op het tijdstip van de overdracht van toepassing is op de verkochte goederen. Het bedrag van de desbetreffende BTW wordt opgenomen in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte of vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte) van de aangifte die moet worden ingediend door de houder van de vergunning voor het tijdvak in de loop waarvan- de overdracht van de goederen heeft plaatsgevonden; deze BTW kan worden afgetrokken in de mate bepaald door de artikelen 45 en 46 van het Wetboek door ze op te nemen in vak 21 van dezelfde aangifte.

De niet in België gevestigde eigenaar is ervan ontheven de Belgische BTW in rekening te brengen aan de dienstverrichter die de goederen heeft gekocht. Op zijn factuur brengt hij de volgende vermeldingen aan : "Regularisatie van de invoer bij actieve veredeling. - Verkoop aan de dienstverrichter. - BTW betaald in België. - nr. 66.3 van de aanschrijving nr. 17/1987".

Wanneer de dienstverrichter-verkrijger van de goederen eveneens houder is van de vergunning voorgeschreven voor de toepassing van de in artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling (z. hoofdstuk VI) mag hij, gelet op het bepaalde in nr. 86.4, eerste lid, d, zich in geen geval op deze vrijstelling beroepen noch rekening houden met de in zijnen hoofde aftrekbare belasting voor het vaststellen van het totaalbedrag van de BTW waarop het percentage van de in artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling van toepassing is (z. nr. 85.2, eerste lid).

b. De overdracht van de goederen heeft plaats na het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn (z. nr. 64.2).

Er wordt aan herinnerd dat bij het verstrijken van de voor de wederinvoer gestelde termijn de houder van de vergunning verplicht is de in nr. 66.1 bedoelde regularisatie te verrichten.

Wegens de overdracht van de goederen door de in het buitenland gevestigde eigenaar aan de houder van de vergunning dient door laatstgenoemde de BTW te worden betaald over de verkoopprijs en tegen het tarief dat op het tijdstip van de overdracht op de verkochte goederen van toepassing is. Voor deze regularisatie wordt verwezen naar de tekst in punt a, met betrekking tot de volgende elementen : de wijze van betaling van de BTW, de aftrek, de verplichte vermeldingen op de verkoopfactuur van de buitenlandse eigenaar en de niet-toepasbaarheid van de vergunning waarin wordt voorzien voor de toepassing van artikel 43 van het Wetboek die de dienstverrichter-koper van de goederen eventueel zou bezitten (het bepaalde in dit lid is eveneens van toepassing wanneer de dienstverrichter de BTW op zijn naam bij de invoer heeft voldaan.) .

66.4. De goederen worden door de niet in België gevestigde eigenaar hier te lande overgedragen aan een andere persoon dan de houder van de vergunning.

a. De overdracht van de goederen heeft plaats voor het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn (z. nr. 64.2).

Wanneer de door de houder van de vergunning ingevoerde goederen binnen de wederuitvoertermijn door de niet in België gevestigde eigenaar hier te lande worden overgedragen aan een andere persoon dan de houder van de vergunning, dient als gevolg van de wijziging van de op het tijdstip van de invoer bestaande situatie, om dezelfde reden als uiteengezet in nr. 66.2, a, eerste lid, de volgende regularisatie te worden verricht.

De houder van de vergunning en zijn niet in België gevestigde medecontractant verrichten in de regel tussen hen beiden dezelfde regularisatie als die omschreven in nr. 66.2, a.

De verkoop van de goederen hier te lande door de niet in België gevestigde eigenaar aan een andere persoon dan de houder van de vergunning wordt daarenboven gefactureerd en belast overeenkomstig de gewone regels ter zake (z. in dit verband aanschr. 30/ 1975)

Indien de buitenlandse eigenaar geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen en degene die de goederen koopt een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van periodieke BTW-aangiften, mag echter de hierboven uiteengezette regeling volledig worden vervangen door de hierna volgende regularisatie tussen de houder van de vergunning en degene die de goederen heeft gekocht. Het toepassen van deze regularisatie vereist het akkoord van de houder van de vergunning en degene die de goederen koopt.
Dat akkoord moet tot stand komen uiterlijk de dag waarop de goederen in België door de houder van de vergunning ter beschikking van de genoemde persoon worden gesteld.

In dit geval zal de houder van de vergunning uiterlijk de vijfde werkdag van de maand volgend op de maand waarin de goederen ter beschikking worden gesteld van de verkrijger een regularisatiedocument in twee exemplaren opmaken, waarin hij aan de verkrijger de BTW in rekening brengt over de normale waarde van de door de buitenlandse eigenaar verkochte goederen.

Dit document, dat een debetnota of een gelijkaardig stuk mag zijn, dient de volgende gegevens te bevatten :

1° de datum waarop het wordt opgemaakt;

2° het volgnummer waaronder de vergunninghouder het document inschrijft in een speciaal register (z. ook nr. 65), dat een deel van zijn boek voor uitgaande facturen mag zijn;

3° de datum waarop de goederen ter beschikking van de verkrijger worden gesteld;

4° de identiteit en het adres van de vergunninghouder alsmede zijn BTW-registratienummer;

5° de identiteit en het adres van de verkrijger van de goederen alsmede zijn BTW-registratienummer;

6° de identiteit en het adres van de niet in België gevestigde eigenaar-verkoper van de goederen;

7° het nummer en de datum van de aangifte ten invoer van de goederen die door de buitenlandse eigenaar worden overgedragen aan de verkrijger, alsmede de aanwijzing van het kantoor waar die aangifte werd geldig gemaakt. Wanneer de overgedragen goederen het voorwerp waren van verscheidene aangiften ten invoer, dienen deze gegevens voor ieder goed, opgenomen in een afzonderlijke aangifte, te worden vermeld;

8° de aard (in voorkomend geval, de soort of het type) en de hoeveelheid van de overgedragen goederen;

9° de normale waarde van die goederen ongeacht of ze al dan niet in verwerkte staat worden overgedragen. In geen geval mag die waarde lager zijn dan de maatstaf van heffing van de goederen op het tijdstip van de invoer zoals die vermeld is in de aangifte ten invoer, verhoogd met de prijs van de verwerking zoals die door de dienstverrichter werd gefactureerd aan de buitenlandse opdrachtgever in het geval de goederen in verwerkte staat worden overgedragen;

10° het BTW-tarief dat van toepassing is op de goederen op het tijdstip waarop de goederen ter beschikking van de verkrijger worden gesteld;

11° het bedrag van de BTW;

12° de volgende vermeldingen : "Regularisatie van de invoer bij actieve veredeling. - Toepassing van nr. 66.4 van de aanschrijving nr. 17/1987".

De houder van de vergunning neemt in zijn periodieke aangifte met betrekking tot de periode waarin de goederen ter beschikking van de verkrijger zijn gesteld het bedrag van de BTW op dat is vermeld op het document uitgereikt aan de verkrijger van de goederen, door het in te schrijven in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte of in vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte).

Het van de dienstverrichter ontvangen document wordt door de verkrijger van de goederen ingeschreven in zijn boek voor inkomende facturen. Hij brengt op het document een verwijzing aan naar de van zijn in het buitenland gevestigde medecontractant ontvangen factuur en op deze factuur een verwijzing naar het document.

Wanneer de door de verkrijger van de goederen betaalde prijs aan de buitenlandse eigenaar hoger is dan de op het regularisatiedocument vermelde normale waarde, dient de verkrijger de BTW berekend over het verschil tussen die beide bedragen te betalen door inschrijving ervan in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte of in vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte) van zijn periodieke BTW-aangifte.

De verkrijger van de goederen kan overeenkomstig de gewone regels de BTW die hem door de dienstverrichter door middel van het regularisatiedocument werd aangerekend in aftrek brengen, zelfs indien de BTW het bedrag overschrijdt dat hij normaal had moeten betalen aan zijn in het buitenland gevestigde medecontractant. Hetzelfde geldt voor de in het vorig lid bedoelde belasting.
Dit houdt onder meer in dat hij in het bezit moet zijn van de door zijn medecontractant uitgereikte regelmatige factuur en van het door de dienstverrichter uitgereikte regularisatiedocument.

De buitenlandse medecontractant is ervan ontheven de Belgische BTW in rekening te brengen aan degene die de goederen koopt.
Hiervoor dient hij op de factuur de volgende gegevens te vermelden : "Regularisatie van de invoer bij actieve veredeling. - Verkoop aan een andere persoon dan de dienstverrichter. - BTW betaald in België. - nr. 66.4 van de aanschrijving nr. 17/1987".

Wanneer de verkrijger van de goederen houder is van een vergunning voorgeschreven voor de toepassing van de in artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling, kan hij zich bij deze regularisatie op deze vrijstelling beroepen. In dit geval reikt hij, uiterlijk op het tijdstip van de overname van de goederen, aan de dienstverrichter een stuk uit dat de in nr. 87.1 bedoelde vermeldingen bevat.

De dienstverrichter dient ieder ontvangen stuk te nummeren volgens een ononderbroken reeks, te bewaren ter staving van de vrijstelling en tevens op het regularisatiedocument de in nr. 87.2, b, voorgeschreven gegevens te vermelden. In datzelfde geval dient de verkrijger van de goederen de vrijstelling eveneens toe te passen ten aanzien van de BTW die verschuldigd wordt op het verschil tussen de aan zijn medecontractant betaalde prijs en de op het regularisatiedocument vermelde lagere normale waarde. Voor de controle van deze vrijstelling (z. nr. 89.1), dient de verkrijger bij de ontvangst van het regularisatiedocument en van de verkoopfactuur het bedrag van de BTW, berekend over de maatstaf van heffing vermeld op het regularisatiedocument en in voorkomend geval over het verschil tussen de aan zijn medecontractant betaalde prijs en de normale waarde vermeld op het regularisatiedocument, in te schrijven in de kolom die bestemd is voor het inschrijven van de met vrijstelling van BTW gedane invoeren.

b. De overdracht van de goederen heeft plaats na het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn (z. nr. 64.2).

In dit geval (het bepaalde in dit lid is eveneens van toepassing wanneer de dienstverrichter de BTW op zijn naam bij de invoer heeft voldaan.) gelden dezelfde regels als in punt a hierboven met dien verstande uiteraard dat de dienstverrichter ook reeds de in nr. 66.1 bedoelde regularisatie heeft moeten verrichten bij het verstrijken van de voor de wederuitvoer gestelde termijn.

66.5. De door de dienstverrichter verstrekte prestaties met betrekking tot de goederen die het voorwerp waren van de in de nrs. 66.2 tot 66.4 bedoelde regularisaties.

De door de dienstverrichter verstrekte prestaties met betrekking tot de herstelling, de bewerking, de verwerking of de aanpassing van goederen die het voorwerp waren van de in de nrs. 66.2 tot 66.4 bedoelde regularisaties zijn in principe aan de BTW onderworpen, aangezien de goederen waaraan die diensten werden verricht niet zijn uitgevoerd door of voor rekening van de dienstverrichter of de in het buitenland gevestigde opdrachtgever.

Gelet echter op het feit dat de waarde van de bovengenoemde diensten ter zake steeds begrepen is in het bedrag waarover de BTW in principe verschuldigd is overeenkomstig de in de nrs. 66.2 tot 66.4 bedoelde regularisaties en tevens om te vermijden dat de buitenlandse opdrachtgever, indien hij in België noch een vaste inrichting noch een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft, formaliteiten zou moeten vervullen om teruggaaf te verkrijgen van de over de prijs van de dienst verschuldigde BTW, staat de administratie op algemene wijze toe dat de dienstverrichter in de in dit punt bedoelde gevallen geen BTW hoeft aan te rekenen over de aan de buitenlandse opdrachtgever gefactureerde prijs van de diensten (z. ook nr. 30.3). Om deze niet-betaling van de BTW te rechtvaardigen moet de door de dienstverrichter aan zijn buitenlandse opdrachtgever uitgereikte factuur de volgende vermeldingen bevatten : "Vrijstelling van BTW. - Toepassing van nr. 66.5 van de aanschrijving nr. 17/1987", alsmede een verwijzing naar een van de nrs. 66.2 tot 66.4, volgens de aard van de regularisatie verricht ten opzichte van de goederen .

66.6. Boeten en interesten. - Betalingstermijn.

Aangezien in de in de nrs. 66.1, 66.2, a, 66.3, a, en 66.4, a, bedoelde gevallen de voorwaarden die zijn opgelegd om de vrijstelling van de BTW bij de invoer te verkrijgen niet zijn nageleefd, is de dienstverrichter de bij artikel 70, § 1, van het Wetboek ingestelde boete en de bij artikel 91, § 1, van het Wetboek bedongen interesten verschuldigd. Indien de dienstverrichter evenwel heeft gehandeld overeenkomstig de voorgaande bepalingen, wordt de boete verminderd tot 1 pct. van de BTW waarvan de vrijstelling bij de invoer werd verkregen, overeenkomstig rubriek XII, 2, C, 1, a, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 (z. Revue nr.76, blz.117.). De dienstverrichter voldoet het bedrag van deze boete door het op te nemen in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte of vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte) van de periodieke BTW-aangifte, die moet worden ingediend voor het tijdvak in de loop waarvan de reden tot regularisatie zich voordoet en is vanzelfsprekend niet aftrekbaar.

B. De houder van de vergunning is een of een belastingplichtige die niet is gehouden tot het indienen van periodieke BTW-aangiften.

66.7. In dit geval worden de te verrichten regularisaties bij ontstentenis van uitvoer van de goederen gespecifieerd in de titel van de vergunning die door de Centrale administratie aan de betrokkenen wordt uitgereikt.

HOOFDSTUK V. - VRIJSTELLING INGESTELD BIJ ARTIKEL 42, § 3, 8°, VAN HET WETBOEK 67. Vrijgestelde handelingen.

67.1. Op grond van artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek zijn de invoer en de levering van goederen die bestemd zijn voor erkende organisaties die deze goederen uitvoeren in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk in het buitenland, vrijgesteld van de BTW; zijn eveneens van de BTW vrijgesteld de diensten die aan deze organisaties met betrekking tot deze goederen worden verstrekt.

Deze vrijstelling die kan worden bekomen ofwel door de verwerving in vrijstelling op grond van een vergunning, ofwel bij wijze van teruggaaf, wordt enkel toegestaan aan erkende organisaties die niet de hoedanigheid van belastingplichtige hebben of die, indien zij de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige hebben, deze activiteiten verrichten in de afdeling waarvoor zij geen belastingplichtige zijn.

67.2. In de eerste afdeling van dit hoofdstuk zal worden gehandeld over de vrijstelling die door middel van een vergunning wordt verleend. In afdeling 2 zal de vrijstelling bij wijze van teruggaaf worden toegelicht.

67.3. Er wordt opgemerkt dat voor de organisaties die geregeld handelingen verrichten die bedoeld zijn in artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek, het aangewezen is te opteren voor het stelsel van de vergunning om de uit te voeren goederen en de eraan te verstrekken diensten te verwerven met vrijstelling van de BTW. De tweede mogelijkheid, namelijk de vrijstelling bij wijze van teruggaaf van de BTW is veeleer ingesteld om te worden toegepast ingeval slechts alleenstaande en onvoorziene uitvoeren worden verricht die onder de toepassing kunnen vallen van hetzelfde artikel van het Wetboek.

EERSTE AFDELING. - VRIJSTELLING VAN BTW DIE WORDT VERLEEND INGEVOLGE EEN VERGUNNING.

68. Aanvraag en uitreiking van de vergunning.

68.1. De vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen, 2de dienst, 6de directie, R.A.C. - Financietoren bus 39, Kruidtuinlaan 50, 1010 Brussel.

68.2. De aanvraag om vergunning moet melding maken van de aard en, in voorkomend geval, van de soort en van het type van de in te voeren of in België aan te kopen goederen en de eraan hier te lande te verrichten diensten, alsmede van de bestemming die aan de goederen zal worden gegeven. Bovendien moeten bij de eerste aanvraag om vergunning de statuten van de vereniging worden gevoegd; zo deze statuten werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad wordt enkel een afschrift van deze bekendmaking bijgevoegd.

68.3. De Centrale administratie reikt de vergunning uit binnen de termijn van één maand te rekenen van de datum van ontvangst van de aanvraag indien deze aanvraag volledig is en alle voorwaarden zijn vervuld. De algemene voorwaarden waaronder de vergunning wordt uitgereikt zijn nader toegelicht in de nrs. 69 tot 75. Afwijkingen van deze voorwaarden en eventueel bijzondere voorwaarden zullen nader worden omschreven in de vergunning zelf.

69. Duur en intrekking van de vergunning.

69.1. De vergunning bepaalt de geldigheidsduur ervan.

69.2. De uitgereikte vergunning mag worden ingetrokken bij een met redenen omklede beslissing indien ze werd verkregen ingevolge een onjuiste verklaring of zo de houder van de vergunning de opgelegde voorwaarden niet nakomt.

Als redenen tot intrekking wegens het niet naleven van de voorwaarden worden onder meer beschouwd : het niet houden van het in nr. 73.1 beoogde register, alsmede grove nalatigheden in het bijhouden ervan, de weigering dit register bij een controle voor te leggen, het belemmeren op om het even welke wijze van de controleopdracht van de ambtenaren van de administratie.

In alle gevallen wordt de beslissing van intrekking genomen door de Centrale administratie. De beslissing van intrekking zal aan de houder van de vergunning worden medegedeeld bij ter post aangetekende brief. De vergunning mag niet meer worden ingeroepen te rekenen van de dag na de afgifte van de aangetekende brief op de post. De titel van de vergunning moet aan de administratie worden teruggegeven.

70. Bestellingen. - Aansprakelijkheid van de leverancier of van de dienstverrichter.

70.1. Indien het om uit het binnenland herkomstige goederen of om hier te lande verrichte diensten gaat, moet de houder van de vergunning aan de leverancier of aan de dienstverrichter een bestelbon uitreiken die de volgende vermeldingen bevat : "Uitvoer.

  • Vrijstelling van de BTW. - Artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek.
  • Vergunning van ..., nr. ...".
70.2. De leverancier of de dienstverrichter moet :

a) elke ontvangen bestelbon nummeren volgens een ononderbroken reeks nummers en hem bewaren tot staving van de vrijstelling;

b) op de factuur die hij uitreikt de volgende vermeldingen aanbrengen : "Uitvoer. - Vrijstelling van de BTW. - Artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek. - Vergunning van ..., nr. ... - Bestelbon van ..., ingeschreven onder nr. ...".

70.3. De leverancier of de dienstverrichter is van alle aansprakelijkheid ontslagen indien de onder de nrs. 70.1 en 70.2 voorgeschreven formaliteiten zijn nagekomen. Hij blijft nochtans aansprakelijk voor het niet betalen van de BTW indien naar zijn weten de vrijstelling ten onrechte werd ingeroepen.

71. Invoer.

71.1. Indien het om ingevoerde goederen gaat heeft de invoer met vrijstelling plaats onder dekking van het document bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977; dit document moet worden opgesteld op naam van de houder van de vergunning. Derhalve wordt gebruik gemaakt van de aangifte ten verbruik 136.

Het invoerdocument wordt opgesteld op naam van de houder van de vergunning; op dit document brengt de aangever de volgende vermeldingen aan : "Vrijstelling van de BTW. - Artikel 42, § 3, 8°, van het Wetboek. - Vergunning van ..., nr. ...".

71.2. Indien de invoer geschiedt op naam van een niet-belastingplichtige moet het origineel of een fotokopie van de vergunning worden voorgelegd op het douanekantoor van invoer.

72. Aard van de vrijstelling. - Uitvoertermijn.

72.1. De vrijstelling van de BTW wordt voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief indien de goederen worden uitgevoerd.

72.2. De uitvoer van de goederen moet plaatshebben binnen de termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum van de levering hier te lande door de leverancier of door de dienstverrichter, of te rekenen vanaf hun invoer. In uitzonderlijke omstandigheden kan door de Centrale administratie een andere uitvoertermijn worden bepaald.

72.3. Indien met betrekking tot goederen die met vrijstelling van de BTW hier te lande werden aangekocht of ingevoerd, door derden diensten worden verricht waarvoor de houder van de vergunning de in deze afdeling behandelde vrijstelling inroept, wordt de uitvoertermijn voor het behoud van de vrijstelling, zowel voor de goederen als voor de diensten, bepaald op één jaar te rekenen vanaf de aankoop of de invoer van die goederen.

73. Controle over de vrijstelling.

73.1. Ten einde de controle over de vrijstelling mogelijk te maken, moet een vergelijkingsregister worden bijgehouden. Dit register moet duidelijk de overeenkomst weergeven tussen enerzijds de met vrijstelling van de BTW verkregen goederen en diensten en anderzijds de uitgevoerde goederen. Het bevat onder andere de volgende vermeldingen :

a) aan de linkerzijde die voorbehouden is voor de handelingen waarvoor vrijstelling wordt ingeroepen :

  • de aard van de handeling (aankoop, dienstverrichting of invoer);
  • de datum van die handeling;
  • de aard en de hoeveelheid van de aangekochte, ingevoerde of bewerkte goederen;
  • de prijs;
  • een verwijzing naar het document dat de aankoop, de dienstverrichting of de invoer vaststelt;
b) aan de rechterzijde die voorbehouden is voor de uitvoeren :

  • de datum waarop de goederen onder de voorwaarden van artikel 39 van het Wetboek worden uitgevoerd;
  • de hoeveelheid van de uitgevoerde goederen;
  • de aard van die goederen.
De inschrijving moet voorkomen tegenover de overeenstemmende inschrijving op de linkerzijde van het register.

73.2. In de vergunning kan wegens bijzondere omstandigheden worden bepaald dat de houder ervan ontslagen is een vergelijkingsregister bij te houden; er kan onder meer worden bedongen dat de vrijstelling van de BTW op een forfaitaire wijze wordt verleend door rekening te houden met de bestemming die wordt gegeven aan de in een bepaalde periode aangekochte of ingevoerde goederen en verworven diensten.

74. Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer.

74.1. Indien de goederen niet zijn uitgevoerd binnen de gestelde termijn (z. nr. 72.2) moet de BTW, waarvan de vrijstelling werd bekomen ter gelegenheid van de verkrijging van de goederen en de diensten of de invoer, worden gekweten binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de voor uitvoer gestelde termijn.

Daarenboven zijn door de houder van de vergunning de bij artikel 70, § 1, van het Wetboek bepaalde boete en de bij artikel 91, § 1, van het Wetboek bedongen interesten verschuldigd. Indien de houder van de vergunning heeft gehandeld overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling wordt de boete verminderd tot 10 pct. van de te regulariseren belasting, overeenkomstig rubriek XIII, 2, C, 1 °, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987. Deze dient te worden voldaan binnen de voornoemde termijn.

74.2. De betaling moet geschieden door het aanbrengen en onbruikbaar maken van fiscale plakzegels en wel op de volgende wijze :

a) het bovenste deel van de plakzegels wordt aangebracht op een stuk dat de hierna vermelde gegevens bevat : naam en adres van de vereniging, detail van de betaalde sommen, alsmede de volgende vermeldingen : "Betaling gedaan ingevolge nr. 74.2 van de aanschrijving nr. 17/1987. - Vergunning van ..., nr. ... ". Dit stuk wordt binnen de onder nr. 74.1 vermelde termijn toegezonden aan de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen, 2de dienst, 6de directie, R.A.C. - Financietoren bus 39, Kruidtuinlaan 50, 1010 Brussel;

b) het onderste deel van de plakzegels wordt aangebracht in het register dat moet worden gehouden ingevolge nr. 73.1.

74.3. De bekomen vrijstelling blijft evenmin van toepassing wanneer, voor het verstrijken van de uitvoertermijn (z. nr. 72.2), de goederen en diensten die met vrijstelling van de BTW werden verworven of ingevoerd, hier te lande een andere bestemming krijgen dan de uitvoer. In dat geval moet de onder nr. 74.1 bedoelde regularisatie plaatsvinden binnen de termijn van vijftien dagen die volgt op de datum waarop de andere bestemming wordt gegeven.

75. Bewaring van de documenten.

Alle stukken die betrekking hebben op de met vrijstelling gedane invoeren, aankopen, dienstverrichtingen en uitvoeren van de in deze vergunning bedoelde goederen moeten samen met het hierboven bedoelde register worden bewaard gedurende vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari die volgt op hun datum wat de stukken betreft of op zijn afsluiting wat het register betreft.

Dezelfde bescheiden moeten op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde onmiddellijk worden voorgelegd

AFDELING 2. - VRIJSTELLING VAN BTW DIE WORDT VERLEEND BIJ WIJZE VAN TERUGGAAF.

76. Recht op teruggaaf.

Teruggaaf van de BTW kan enkel worden verleend indien de aanvrager zich in de voorwaarden bevindt om de in de eerste afdeling hierboven besproken vergunning te bekomen en indien hij onder andere de goederen heeft uitgevoerd voor de aldaar beschreven activiteiten. Tevens moet die aanvraag om teruggaaf worden ingediend binnen de termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan, of ter zake te rekenen vanaf de datum van uitvoer van de goederen, als bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, voor het laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 december 1986.

Om de teruggaaf te kunnen bekomen moet de aanvrager in het bezit zijn, ofwel van een regelmatige factuur die is opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW, voor het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 oktober 1980, ofwel van een door de douane geldiggemaakte aangifte ten verbruik 136 die op zijn naam is gesteld.

77. Aanvraag om teruggaaf.

77.1. De aanvraag om teruggaaf moet bij middel van een gewone brief in twee exemplaren worden ingediend bij de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen, 2de dienst, 6de directie, R.A.C. - Financietoren bus 39, Kruidtuinlaan 50, 1010 Brussel.

77.2. De aanvraag om teruggaaf moet onder andere de volgende gegevens bevatten :

a) de naam en het adres van de rechthebbende op de teruggaaf;

b) het nummer en de juiste benaming van de rekening waarop het voor teruggaaf vatbare bedrag van de BTW moet worden gestort.

Bij de aanvraag moeten de volgende stukken worden gevoegd :

a) de statuten van de vereniging zo deze statuten werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, enkel een afschrift van deze bekendmaking;

b) de aankoopfactuur, de aangifte ten verbruik 136 of de factuur die de dienstverrichtingen vaststelt, en waarop het bedrag van de BTW voorkomt waarvoor de teruggaaf wordt aangevraagd;

c) de aangifte ten uitvoer en de andere bewijsmiddelen waaruit de uitvoer blijkt.

78. Behandeling van de aanvraag om teruggaaf.

78.1. Bij ontvangst van de aanvraag om teruggaaf onderzoekt de Centrale administratie of aan alle voorwaarden is voldaan om vrijstelling te bekomen en om aldus teruggaaf van de BTW toe te staan.

78.2. Indien alle formaliteiten zijn vervuld en de betrokkene aan de gestelde voorwaarden voldoet, stuurt de Centrale administratie de aanvraag aan de hoofdcontroleur van het gebied waaronder de aanvrager ressorteert, met verzoek tot de teruggaaf van de BTW over te gaan.

78.3. Indien niet aan de voor de teruggaaf gestelde voorwaarden wordt voldaan, brengt de Centrale administratie dit ter kennis van de aanvrager bij een ter post aangetekende brief.

HOOFDSTUK VI. - VRIJSTELLING INGESTELD BIJ ARTIKEL 43 VAN HET WETBOEK 79. Vrijgestelde handelingen.

79.1. Op grond van artikel 43 van het Wetboek kunnen de hierna volgende handelingen die door een hier te lande gevestigde belastingplichtige worden gedaan voor eigen rekening en mits hij in het bezit is van een vergunning die op zijn naam door de administratie is uitgereikt, geschieden met vrijstelling van de BTW :

a) invoeren of aankopen hier te lande van goederen die bestemd zijn voor uitvoer in de staat waarin ze werden ingevoerd of aangekocht;

b) invoeren of aankopen hier te lande van grondstoffen en hulpstoffen die bestemd zijn voor de fabricage van goederen die zullen worden uitgevoerd; voor zijn rekening gedane dienstverrichtingen die bijdragen tot deze fabricage.

79.2. Voor de toepassing van het onderhavig hoofdstuk worden als uitvoer beschouwd niet alleen de handelingen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 39 van het Wetboek, maar ook sommige handelingen die vrijgesteld zijn van BTW op grond van artikel 42 van het Wetboek en die zijn omschreven in nr. 63.1.

79.3. Belangrijke opmerking : de leveringen van goederen en de dienstverrichtingen die met vrijstelling van de BTW werden gedaan aan een afnemer, die voor de bedoelde handelingen de bij artikel 43 van het Wetboek bedoelde vergunning inroept, zijn geen uitvoeren maar wel hier te lande gedane handelingen (z. nr. 84.7, voorbeeld, 1°, c).

80. Rechthebbende op de vrijstelling. - Vergunning (kon. besl. nr. 18, art. 20 en 22).

80.1. De vrijstelling van BTW wordt slechts verleend aan een belastingplichtige die hier te lande is gevestigd in de zin van deze aanschrijving (z. nr. 2) en aan een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een vaste inrichting heeft of er een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen.

De personen die slechts voor een deel van hun beroepswerkzaamheid BTW-belastingplichtige zijn, kunnen de vrijstelling bekomen voor de activiteit waarvoor ze belastingplichtige zijn.

80.2. De vrijstelling wordt niet verleend aan belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de bijzondere regelingen ingesteld voor de forfaitaire en egalisatiebelastingplichtigen (z. Wetboek, art. 56), voor de landbouwondernemers (z. Wetboek, art. 57) en voor de belastingplichtigen die geregeld van niet-belastingplichtigen tweedehandse goederen kopen om ze weder te verkopen (z. Wetboek, art. 58, § 4). Ook kan de hier bedoelde vrijstelling niet worden verleend aan personen die uitsluitend handelaar zijn in echte parels, natuurlijke edelstenen en dergelijke (z. Wetboek, art. 42, § 4).

80.3. Om de vrijstelling in te roepen moet de belastingplichtige bovendien in het bezit zijn van een vergunning die op zijn naam door de administratie is uitgereikt.

81. Aanvraag, uitreiking, duur, weigering en intrekking van de vergunning. - Borgstelling (kon. besl. nr. 18, art. 22 en 24).

A. Aanvraag.

81.1. Er wordt verwezen naar nr. 60.1.

81.2. De vermeldingen die in de aanvraag om vergunning moeten voorkomen worden behandeld m nr. 82.

B. Uitreiking.

81.3 De op grond van artikel 43 van het Wetboek bedoelde vergunning wordt verleend door het hoofd van het controlekantoor op een formulier 423T/3 dat als bijlage G bij deze aanschrijving is gevoegd, binnen een termijn van één maand te rekenen van de datum van ontvangst van de aanvraag, indien deze volledig is en alle gestelde voorwaarden zijn vervuld. Indien de aanvrager eveneens de bij artikel 40, § 1, 3°, b, van het Wetboek bedoelde vergunning aanvraagt (z. hoofdstuk IV. hierboven) wordt de vergunning uitgereikt op een formulier 423T/4 dat als bijlage H bij deze aanschrijving is gevoegd.

81.4. Nochtans wordt de vergunning door de Centrale administratie verleend in de volgende gevallen :

a) wanneer de aanvrager slechts belastingplichtige is voor een gedeelte van zijn beroepswerkzaamheid en hij de aftrek verricht volgens het algemeen verhoudingsgetal, overeenkomstig afdeling IV van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW, voor het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1978;

b) wanneer de aanvrager, tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de vergunning wordt gevraagd, ten minste 30 pct. doch minder dan 50 pct. van zijn omzet heeft uitgevoerd met vrijstelling van de BTW en zich bevindt in de situatie bedoeld in de nrs. 82.4, tweede lid, 2°, en 82.6;

c) wanneer de aanvrager zich niet kan baseren op een omzet die voortkomt van handelingen verricht tijdens een periode van twaalf opeenvolgende maanden die het kalenderjaar of het resterende gedeelte van het kalenderjaar waarvoor de vergunning wordt gevraagd voorafgaat (z. ook nrs. 82.8 en 82.9).

C. Duur.

81.5. De vergunning is geldig tot 31 december van het jaar waarvoor ze is verleend.

D. Weigering.

81.6. Er wordt verwezen naar nr. 60.6.

E. Intrekking.

81.7. Er wordt verwezen naar nr. 60.7, eerste en derde lid.

Als redenen tot intrekking wegens het niet naleven van de voorwaarden worden onder meer beschouwd : het herhaaldelijk overschrijden van het toegestane percentage van vrijstelling (z. nrs. 83.2 en 83.3), het niet houden van de bij nr. 89.1 voorgeschreven boekhouding, alsmede grove nalatigheden in het houden ervan of het weigeren deze boekhouding voor te leggen bij een controle.

F. Borgstelling.

81.8. De houder van de vergunning is ervan ontslagen borg te stellen.

82. Inlichtingen te verstrekken in de aanvraag om vergunning.

A. Referentieperioden.

82.1. De vergunning wordt in de regel toegestaan voor een kalenderjaar (z. nr. 81.5). De in nr. 83.2 bedoelde vrijstellingspercentages die van toepassing zijn tijdens dat kalenderjaar worden bepaald op grond van de omzet bij uitvoer en van het bedrag van de totale omzet gerealiseerd tijdens het voorgaande kalenderjaar.

Het voorgaande kalenderjaar is derhalve de referentieperiode die als uitgangspunt dient bij het bepalen van het tijdens het volgende kalenderjaar toepasselijke vrijstellingspercentage.

De aanvraag om vergunning voor een bepaald jaar dient te worden gedaan bij het verstrijken van de referentieperiode die bestaat uit het voorgaande kalenderjaar (z. echter ook nr. 82.7).

82.2. De referentieperiode van het voorgaande kalenderjaar mag evenwel worden vervangen door de periode van twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag om vergunning voorafgaat. In dat geval wordt de vergunning verleend voor het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend en voor het resterende deel van het lopende kalenderjaar.

Op basis van de referentieperiode van de laatste twaalf maanden, kan de belastingplichtige, wanneer hij een verhoging van zijn omzet bij uitvoer voor die periode vaststelt, eveneens een verhoging van het oorspronkelijk vastgestelde vrijstellingspercentage verkrijgen. In dit geval heeft de verhoging van het vrijstellingspercentage uitwerking voor het kwartaal waarin deze verhoging wordt gevraagd en voor het resterende deel van het lopende jaar.

B. Inlichtingen te verstrekken in de aanvraag om vergunning.

82.3. De aanvraag om vergunning vermeldt volgende gegevens :

a) het bedrag van de omzet bij uitvoer en het bedrag van de totale omzet, berekend op de wijze bepaald in nr. 84, die door de aanvrager werden gerealiseerd tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode;

b) wanneer het bedrag van de omzet bij uitvoer begrepen is tussen 30 pct. en minder dan 50 pct. van de totale omzet : de in nr. 82.5 of 82.6, volgens het geval, bedoelde inlichtingen voor het vaststellen van de belastingtegoeden van de aanvrager om reden van zijn uitvoeren;

c) wanneer de aanvrager de bedoelde vergunning bezat in de loop van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de vergunning opnieuw wordt aangevraagd : per kalenderkwartaal van dat voorgaande jaar, het totaalbedrag van de BTW waarover het percentage van de vrijstelling wordt berekend en het totaalbedrag van de BTW dat betrekking heeft op de handelingen waarvoor aanspraak op de vrijstelling werd gemaakt, enerzijds voor de invoeren en anderzijds voor de andere handelingen, alsmede, in geval van overschrijding van de vrijstelling (z. nr. 81.7, tweede lid), het bedrag van de BTW waarvoor de vrijstelling ten onrechte werd genoten, het bedrag van de daarbij toegepaste boete en de verwijzing naar de periodieke BTW-aangifte waarin de bedoelde regularisaties werden verricht (z. nrs. 89.1 en 89.2).

De aanvrager die tevens houder is van een vergunning bedoeld bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 (z. nr. 85.2, tweede lid - verlegging van de heffing van de BTW voor invoeren uit andere landen dan het Groothertogdom Luxemburg en Nederland), maakt daarvan melding en verschaft niet de hierboven gevraagde inlichtingen met betrekking tot zijn invoeren (z. nr. 89.3).

82.4. Zoals vermeld in nr. 82.3, b, moet de belastingplichtige wiens bedrag van de uitvoer begrepen is tussen 30 pct. en minder dan 50 pct. van het bedrag van zijn totale omzet bovendien, overeenkomstig artikel 21, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 18, tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode belastingtegoeden hebben om reden van de bij uitvoer genoten vrijstellingen.

Gelet op het feit dat het belastingtegoed dat kan bestaan bij een belastingplichtige normaal steeds het gevolg is van verscheidene oorzaken samen (aftrek van BTW, vrijstelling van BTW wegens uitvoer, andere vrijstellingen van BTW, enz.) en daarenboven rekening houdend met het doel dat aan de basis ligt van de nieuwe maatregel, namelijk het belastingtegoed ontstaan in hoofde van exporteurs aanmerkelijk te zien verminderen, gaat de administratie ervan uit dat aan de bijkomende nieuwe voorwaarde voor het verlenen van de vrijstelling wordt voldaan wanneer voor het geheel van de tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode verrichte handelingen niet alleen het totaalbedrag van de door de belastingplichtige aftrekbare belasting het totaalbedrag van de verschuldigde belasting overschrijdt maar daarenboven die belastingplichtige zich in één van de navolgende situaties bevindt :

1) het bedrag van de aftrekbare belasting dat het bedrag van de verschuldigde belasting overschrijdt bedraagt ten minste 500.000 fr en het bedrag van de BTW waarvoor hij wegens zijn uitvoerhandelingen (z. nr. 84) vrijstelling heeft genoten is minstens gelijk aan 1.000.000 fr.;

2) bij ontstentenis van de in punt 1 bedoelde situatie is het bedrag van de aftrekbare belasting dat het bedrag van de verschuldigde belasting overschrijdt, voor zover dat bedrag uiteraard een werkelijke last qua voorfinanciering vormt, hoofdzakelijk het gevolg van de met vrijstelling van BTW verrichte uitvoerhandelingen (z. nrs. 82.6 en 84).

82.5. In de situatie bedoeld in nr. 82.4, tweede lid, 1, vermeldt de belastingplichtige in zijn aanvraag om vergunning het totaalbedrag van de aftrekbare belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot alle handelingen verricht tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode en hij verklaart tevens dat het bedrag van de BTW dat wegens uitvoer tijdens dezelfde periode van de belasting was vrijgesteld minstens gelijk is aan 1.000.000 fr.

Bij de berekening van het totaalbedrag van de aftrekbare belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting dient eveneens rekening te worden gehouden met de herzieningen van de aftrekbare en de verschuldigde BTW die betrekking hebben op de bovengenoemde handelingen. Verder mag de houder van de in artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 bedoelde vergunning (z. aanschr. 3/1973, bijwerking 1984 (z. Revue nr. 65, blz. 678.)), geen rekening houden met de stortingen of teruggaven van de vooruitbetaalde belasting.

Onder aftrekbare belasting wordt verstaan het bedrag van de BTW, met inbegrip van de aanvullende weeldetaks, geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten en van de door hem ingevoerde goederen dat overeenkomstig de artikelen 45 tot 49 van het BTW-Wetboek voor aftrek in aanmerking komt.

Onder verschuldigde belasting wordt verstaan de BTW, met inbegrip van de aanvullende weeldetaks en van de egalisatiebelasting, die de belastingplichtige verschuldigd is ter zake van de door hem verrichte leveringen en verleende diensten alsmede de BTW die de belastingplichtige verschuldigd is door opneming ervan in zijn periodieke BTW-aangiften, ofwel als medecontractant van de leverancier of de dienstverrichter ten aanzien van de hem geleverde goederen of verstrekte diensten, of wel als geadresseerde bij de invoer van goederen met verlegging van de heffing naar het binnenland.

Indien nodig om te voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de belastingtegoeden, verhoogt de belastingplichtige het bovengenoemde totaalbedrag van de aftrekbare belasting met de volgende bedragen :

a) wanneer de belastingplichtige tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode de voor de toepassing van artikel 43 van het Wetboek voorgeschreven vergunning heeft verkregen : het bedrag van de BTW waarvoor hij zich terecht op de vrijstelling heeft beroepen;

b) wanneer aan de belastingplichtige tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode de in artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 bedoelde vergunning werd verleend, tot verlegging van de heffing van de BTW naar het binnenland bij invoeren uit andere landen dan het Groothertogdom Luxemburg en Nederland : een bedrag gelijk aan 30 pct. van de aftrekbare belasting;

c) wanneer de belastingplichtige tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode gelijktijdig aanspraak heeft gemaakt op beide bovengenoemde vergunningen :

  • enerzijds, voor de handelingen andere dan de invoeren : het bedrag van de BTW zoals bepaald in punt a;
  • anderzijds, voor de invoeren : een bedrag gelijk aan het vrijstellingspercentage vastgesteld in de vergunning bedoeld in punt a, toegepast op de aftrekbare BTW.
82.6. In de situatie bedoeld in nr. 82.4, tweede lid, 2, dient de belastingplichtige zelf aan te tonen dat het feit dat het totaalbedrag van de aftrekbare BTW het totaalbedrag van de verschuldigde BTW overschrijdt hoofdzakelijk het gevolg is van de met vrijstelling van BTW verrichte uitvoerhandelingen (z. nr. 84). In ieder geval vermeldt de belastingplichtige in zijn aanvraag om vergunning de volgende inlichtingen met betrekking tot de handelingen verricht tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode :

a) het totaalbedrag van de aftrekbare belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, berekend overeenkomstig nr. 82.5;

b) het totaalbedrag van de belasting waarvoor hij met betrekking tot zijn uitvoerhandelingen aanspraak heeft gemaakt op de vrijstelling (z. nr. 84);

c) in voorkomend geval, de uitgaande handelingen, andere dan de uitvoeren, die van de belasting zijn vrijgesteld.

C. Indiening van de aanvraag op het einde van het jaar.

82.7. Om de belastingplichtigen in staat te stellen zich op de vrijstelling te kunnen beroepen van bij het begin van het jaar, kan de aanvraag worden ingediend in de loop van het laatste kwartaal dat aan dat jaar voorafgaat (vgl. nr. 82.1). In dat geval bevat de aanvraag de volgende gegevens :

a) het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet van de eerste drie kwartalen van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, alsmede een raming van het bedrag van de uitvoer en van de totale omzet voor het vierde kwartaal;

b) wanneer uit het globaal resultaat van de onder a) bedoelde inlichtingen blijkt dat het bedrag van de uitvoeren voor dat volledige kalenderjaar begrepen zal zijn tussen 30 pct. en minder dan 50 pct. van het bedrag van de totale omzet, dient te worden nagegaan of voor het volledige kalenderjaar de belastingplichtige zich bevindt in de situatie bedoeld in nr. 82.4, tweede lid, 1 of 2. In het eerste geval vermeldt de aanvraag tevens de in nr. 82.5 gevraagde inlichtingen; in het tweede geval de in nr. 82.6 gevraagde inlichtingen. Deze inlichtingen moeten zowel betrekking hebben op de handelingen van de eerste drie kwartalen van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd als op de handelingen voorzien voor het vierde kwartaal;

c) tenslotte, wanneer de aanvrager een vergunning bezat tijdens het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd : de inlichtingen vermeld in nr. 82.3, c, echter slechts met betrekking tot de eerste drie kwartalen.

Ten laatste op 31 januari van het jaar waarvoor de vergunning wordt gevraagd, moet de belastingplichtige de volgende aanvullende inlichtingen verstrekken :

a) het werkelijke bedrag van de uitvoer en van de totale omzet gerealiseerd in de loop van het referentiekalenderjaar;

b) wanneer op basis van de onder a) bedoelde inlichtingen blijkt dat het bedrag van de omzet bij uitvoer begrepen is tussen 30 pct. en minder dan 50 pct. van het bedrag van de totale omzet : de inlichtingen vermeld in nr. 82.4 met betrekking tot het volledige referentiekalenderjaar;

c) wanneer de aanvrager in de loop van het referentiekalenderjaar de vergunning reeds bezat : de inlichtingen vermeld in nr. 82.3, c, met betrekking tot het vierde kwartaal van dat jaar.

Op basis van de werkelijke bedragen van het referentiekalenderjaar zal de administratie, indien nodig, het oorspronkelijk in de vergunning toegestane vrijstellingspercentage aanpassen met uitwerking vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de vergunning werd toegestaan dan wel de vergunning onmiddellijk intrekken.

D. Oprichting van een nieuwe onderneming.

82.8. In geval van oprichting in België van een nieuwe onderneming, van een vestiging hier te lande van een vaste inrichting van een niet in België gevestigde onderneming of van erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger van een niet in België gevestigde onderneming, kan de aanvraag om vergunning worden gedaan voor het nog te lopen deel van het kalenderjaar. Zij vermeldt dan de inlichtingen gevraagd in nr. 82.3, a en b, naargelang van de exploitatievooruitzichten tot op het einde van hetzelfde jaar. De vergunning wordt verleend rekening houdend met deze vooruitzichten en volgens de normen vermeld in nr. 83.2.

De aanvraag om vergunning voor het volgende kalenderjaar vermeldt, zoals het trouwens steeds het geval is wanneer er geen periode bestaat van twaalf opeenvolgende maanden activiteit die voorafgaat aan het kalenderjaar of aan het resterende gedeelte van het kalenderjaar waarvoor de vergunning wordt gevraagd, de in nr. 82.3 gevraagde inlichtingen die betrekking hebben op, enerzijds, de periode waarin de activiteit reeds is uitgeoefend en, anderzijds, de exploitatievooruitzichten tot 31 december van het jaar waarvoor de vergunning wordt gevraagd. De vergunning wordt verleend rekening houdend met deze inlichtingen en volgens de normen vermeld in nr. 83.2.

82.9. In dit zelfde verband onderzoekt de Centrale administratie de toestand van belastingplichtigen waaraan louter op grond van de voorwaarden bepaald in nr. 83.2 met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar of met betrekking tot de periode van de twaalf voorgaande maanden, de bij artikel 43 van het Wetboek bedoelde vergunning niet kan worden verleend, indien tengevolge van belangrijke wijzigingen in de commerciële of industriële organisatie zij al of een belangrijk deel van hun werkzaamheden op de uitvoer afstemmen, zodat als gevolg van een voorzienbare stijging van hun uitvoer zij aan deze voorwaarden voldoen voor het nog te lopen deel van het kalenderjaar of voor het daaropvolgende kalenderjaar.

Onder de feiten waarmee rekening kan worden gehouden, kunnen worden vermeld : de splitsing, de fusie en de opslorping van vennootschappen, de kapitaalsverhoging, de oprichting van een nieuwe afdeling, nieuwe belangrijke investeringen en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen. De belastingplichtigen dienen bij hun aanvraag om vergunning, die de onder nr. 82.3, a en b, bedoelde inlichtingen volgens de exploitatievooruitzichten tot op het einde van het lopende jaar of voor het volgende kalenderjaar moet bevatten, de stukken en documenten te voegen waaruit de echtheid van de doorgevoerde wijziging in de hierboven aangeduide zin blijkt.

83. Toepassingsvoorwaarden (kon. besl. nr. 18, art. 21, § 1).

83.1. De strikte toepassing van de wettelijke bepalingen van artikel 43 van het Wetboek (z. nr. 79.1) zou aanleiding kunnen geven tot verscheidene moeilijkheden bij de toepassing van de vrijstelling, wanneer de belastingplichtige op het tijdstip van de aanschaffing niet kan preciseren welke goederen zullen worden geëxporteerd en welke goederen hier te lande zullen worden verkocht, welke grondstoffen en hulpstoffen voor het vervaardigen van die goederen zullen worden gebruikt of welke diensten zullen bijdragen tot het vervaardigen van die goederen, noch in welke mate die grondstoffen, hulpstoffen en diensten enigszins rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot deze vervaardiging.

Ten einde dergelijke moeilijkheden te vermijden werden voor de toepassing van de vrijstelling bedoeld in de artikelen 19 tot 23 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 18, forfaitaire vrijstellingspercentages ingesteld. Deze gedeeltelijke vrijstelling is, zonder onderscheid, van toepassing op alle inkomende handelingen van de belastingplichtige, met uitzondering van de in de nrs. 85 en 86 vermelde beperkingen.

83.2. Het bepalen van de percentages van de vrijstelling geschiedt als volgt :

  • wanneer de belastingplichtige gedurende het verstreken kalenderjaar of gedurende de periode van twaalf opeenvolgende maanden die zijn aanvraag voorafgaat ten minste 30 pct. doch minder dan 50 pct. van zijn totale omzet (z. nr. 84) heeft uitgevoerd met vrijstelling van de BTW (z. nr. 79.2) en wanneer hij voor de handelingen verricht tijdens dezelfde referentieperiode om reden van die vrijstelling belastingtegoeden heeft of zou hebben indien hij zich op een voorgaande vergunning niet had beroepen, wordt hem vrijstelling verleend ten belope van 30 pct. van de BTW die hij had kunnen aftrekken indien hij niet in het bezit ware geweest van deze vergunning (z. nr. 85);
  • wanneer de belastingplichtige gedurende het verstreken kalenderjaar of de laatste twaalf maanden die de aanvraag voorafgaat, ten minste 50 pct. doch minder dan 75 pct. van zijn omzet (z. nr. 84) met vrijstelling van de BTW heeft uitgevoerd (z. nr. 79.2), wordt hem de vrijstelling verleend tot beloop van 50 pct. van de BTW die hij had kunnen aftrekken indien hij niet in het bezit ware geweest van deze vergunning (z. nr. 85);
  • wanneer hij gedurende het verstreken kalenderjaar of de laatste twaalf maanden die de aanvraag voorafgaat ten minste 75 pct. doch minder dan 90 pct. van zijn omzet (z. nr. 84) met vrijstelling van de BTW heeft uitgevoerd (z. nr. 79.2), is de vrijstelling gelijk aan 75 pct. van hetzelfde bedrag (z. nr. 85);
  • wanneer hij gedurende het verstreken kalenderjaar of de laatste twaalf maanden die de aanvraag voorafgaat ten minste 90 pct. van zijn omzet (z. nr. 84) met vrijstelling van de belasting heeft uitgevoerd (z. nr. 79.2), bedraagt de vrijstelling 90 pct. van hetzelfde bedrag (z. nr. 85).
83.3. Evenwel mag, voor de invoeren afzonderlijk beschouwd, de vrijstelling niet meer bedragen dan de hierboven genoemde verhoudingen, toegepast op het bedrag van de BTW dat hij ingevolge die invoeren had kunnen aftrekken indien hij niet in het bezit ware geweest van deze vergunning (z. nr. 85, inzonderheid wat betreft de uitsluiting van de BTW die is betaald wegens de invoer uit het Groothertogdom Luxemburg of uit Nederland).

84. Vaststelling van het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet die moeten worden vermeld in de aanvraag.

84.1. De handelingen waarmee rekening mag worden gehouden voor het vaststellen van het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet en die moeten worden vermeld in de aanvraag om vergunning, zijn de handelingen met betrekking tot goederen die werden aangekocht met het oog op de wederverkoop, ofwel in dezelfde staat, ofwel na een bewerking te hebben ondergaan, of die gebruikt worden voor de fabricage van zulke goederen. Komen eveneens in aanmerking de dienstverrichtingen die tot voorwerp hebben een herstelling, een bewerking, een verwerking of een aanpassing van goederen.

84.2. Bij het vaststellen van het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet moet, ingeval de belastingplichtige onderscheiden bedrijfsafdelingen of bijhuizen hier te lande bezit, de totale uitvoer en de totale omzet van al deze bedrijfsafdelingen of bijhuizen in aanmerking worden genomen. Er kan dus geen sprake van zijn de activiteiten van de verschillende bedrijfsafdelingen of bijhuizen afzonderlijk te beschouwen om de vergunning te verlenen en het percentage van vrijstelling te bepalen.

84 3. Indien de aanvrager van de vergunning goederen of diensten factureert met opschorting van de betaling van de BTW (z. kon. besl. nr. 18, art. 14, en het eerste hoofdstuk, afdeling 4, hierboven) mogen deze gefactureerde bedragen worden begrepen in het bedrag van de uitvoer en van de totale omzet.

Indien nochtans ingevolge een wijziging in de uitvoering van het contract de goederen niet worden uitgevoerd maar wel voor het binnenlands verbruik worden bestemd, moet het gefactureerde bedrag waarvan sprake in het vorige lid, in aftrek worden gebracht van het bedrag van de uitvoeren en moet het worden gevoegd bij de binnenlandse handelingen. Indien na de facturering met opschorting van de betaling van de BTW het contract wordt verbroken, moet het gefactureerde bedrag in aftrek worden gebracht van het bedrag van de uitvoer en van het bedrag van de totale omzet.

Er dient evenwel opgemerkt dat, ingeval de wijziging of de verbreking betrekking heeft op bedragen die zijn gefactureerd met opschorting van de betaling van de BTW gedurende de referentieperiode, zulks geen aanleiding geeft tot een herziening van het percentage van de vrijstelling dat werd toegekend voor het lopende kalenderjaar. Evenwel kan het misbruiken van de voormelde bepaling om de vergunning of een hoger percentage van vrijstelling te bekomen, aanleiding geven tot de definitieve intrekking van de vergunning.

84.4. De hierna volgende handelingen komen niet in aanmerking voor het vaststellen van de omzet :

a) de dienstverrichtingen die geen betrekking hebben op goederen, of die er wel betrekking op hebben maar bedoeld zijn in :

  • artikel 41 van het Wetboek;
  • artikel 42, § 1, 5°, en § 2, 5°, van het Wetboek;
  • artikel 42, § 1, 3°, en § 2, 3°, van het Wetboek in de mate dat ze bestaan in de verhuur of de bevrachting van de in § 1,1° en 2°, en § 2, 1° en 2°, van artikel 42 bedoelde vaartuigen, luchtvaartuigen en voorwerpen;
b) de zendingen van goederen naar het buitenland om er voor rekening van de aanvrager te worden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast of zendingen ter bestemming van een verkoopkantoor dat de aanvrager in het buitenland heeft; het verzenden door de eigenaar van inlandse goederen naar een plaats waar een regeling van entrepot of tijdelijke opslag geldt zonder dat er levering is in de zin van het Wetboek. Nochtans, indien deze goederen worden verkocht terwijl ze zich in het buitenland, in entrepot of in tijdelijke opslag bevinden, is het de eigenaar toegelaten bij de verkoop zijn verkoopprijs in het bedrag van de uitvoer en van de totale omzet te begrijpen;

c) de verkopen van door de verkoper afgestoten bedrijfsmiddelen;

d) de afstand van goederen die zich in het buitenland bevinden (z. nochtans b) van goederen die werden ingevoerd voor doorvoer of die werden ingevoerd om te worden geplaatst onder een stelsel van entrepot of tijdelijke opslag;

e) de verkopen van goederen die door de aanvrager van de vergunning werden ingevoerd en waarbij zijn koper voor de toepassing van de BTW als geadresseerde is aangeduid.

84.5. Belangrijke opmerking.

Het gebeurt dat voor de toepassing van nr. 84.4, b, zich moeilijkheden kunnen voordoen omtrent de bedragen die in aanmerking moeten worden genomen voor het bepalen van het bedrag van de uitvoer en van de totale omzet. Dit is inzonderheid het geval voor ondernemingen die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen en waarbij deze aansprakelijke vertegenwoordiger om welbepaalde handelsredenen de verkoopprijs of de bestemming van de goederen in het buitenland niet mag of kan kennen. Dientengevolge is het voor de aansprakelijke vertegenwoordiger veelal onmogelijk om het juiste bedrag van de uitvoer te kennen zoals dat kan worden vastgesteld ingevolge nr. 84.4, b.

Dit kan zich ook voordoen bij een onderneming met vaste vestiging hier te lande maar met de hoofdzetel in het buitenland.

In elk van deze gevallen zal de Centrale administratie telkens afzonderlijk beslissen.

84.6. De goederen die door of voor rekening van de leverancier in het buitenland worden geïnstalleerd of gemonteerd, alsook de diensten van herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing die hier te lande zijn gedaan aan goederen die in het buitenland door of voor rekening van de dienstverrichter moeten worden geïnstalleerd of gemonteerd, worden geacht geleverd of afgenomen te zijn op het tijdstip en op de plaats waar de installatie of de montage wordt beëindigd. Daar in dit geval de levering van de goederen of de afname van de diensten in het buitenland geschiedt, is zulke handeling niet vrijgesteld van BTW op grond van artikel 39 van het Wetboek, maar wel om reden dat de levering van de goederen of de afname van de diensten in het buitenland plaatsvindt (z. nr. 27.4).

Derhalve zouden de voor deze leveringen van goederen of afnamen van diensten gefactureerde bedragen, in principe, niet mogen worden opgenomen in het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet die moeten worden vermeld in de aanvraag om vergunning.

Ondernemingen die dergelijke contracten afsluiten zouden benadeeld zijn daar, ingevolge de toepassing van de genoemde bepalingen, hun totaalbedrag van de uitvoer zou verminderen of zelfs onbestaande zou zijn; alhoewel de goederen die het voorwerp uitmaken van deze handelingen ook voor het buitenland zijn bestemd, zou het kunnen voorvallen dat deze ondernemingen de bij artikel 43 van het Wetboek bedoelde vergunning niet of slechts voor een lager percentage van vrijstelling kunnen toepassen.

Daarom werd beslist deze ondernemingen toe te laten in het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet die moeten worden vermeld in de aanvraag om vergunning op te nemen :

a) de douanewaarde van de goederen (dit is de waarde vermeld op het document EX 61) ingeval ze bij de uitvoer uit België nog eigendom zijn van de genoemde onderneming;

b) de waarde van de diensten die door of voor rekening van de uitvoerende dienstverrichter in België werkelijk werden verricht ingeval de uitgevoerde goederen door hem of voor zijn rekening in Belgie werden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast.

84.7. Voorbeeld.

In de loop van het jaar 1986 zijn de uitgaande handelingen van een belastingplichtige als volgt samengesteld.

1° Verkopen van door hem hier te lande gefabriceerde goederen :

a) naar Nederland en naar het Groothertogdom Luxemburg : 2.000.000 F;

b) naar andere landen in het buitenland : 3.500.000 F;

c) in België : 4.000.000 F (waarvan 1.000.000 F aan een klant-uitvoerder die voor deze handeling geniet van de vrijstelling op grond van art. 43 van het Wetboek).

2° Verkopen van door de belastingplichtige hier te lande gefabriceerde goederen die voor de verkoop waren uitgevoerd ter bestemming van een verkoopkantoor dat hij in het buitenland bezit : 500.000 F.

3° Zendingen vanuit België ter bestemming van hetzelfde verkoopkantoor in het buitenland van goederen die bij het verstrijken van de referentieperiode nog niet werden verkocht : 200.000 F.

4° Waarde op het ogenblik van hun uitvoer van de goederen die tijdelijk werden uitgevoerd om in maakloon te worden bewerkt voor rekening van de belastingplichtige door een niet in België gevestigde dienstverrichter en die werden wederingevoerd ter bestemming van de genoemde belastingplichtige, afnemer van de dienst, of zich op het einde van de referentieperiode nog bij de niet in België gevestigde maakloonwerker bevinden : 400.000 F.

5° Studie- en boekhoudwerken verricht voor rekening van derden : 100.000 F.

6° Internationaal vervoer van goederen verricht door de belastingplichtige voor rekening van derden : 250.000 F.

7° Verkopen van oude bureaumachines en van een gebruikte vrachtwagen : 120.000 F.

8° Verkopen in het buitenland van goederen die de belastingplichtige bij een Belgische leverancier hier te lande heeft gekocht; deze laatste heeft de verkochte koopwaren met zijn eigen middelen uitgevoerd : 150.000 F.

9° Verkopen van goederen die de belastingplichtige in Frankrijk heeft gekocht en die werden wederverkocht en geleverd in dit land aan een koper die er gevestigd is, zonder dat de goederen hier te lande zijn ingevoerd : 80.000 F.

10° Verkopen van goederen die de belastingplichtige in Frankrijk heeft gekocht en die hij heeft wederverkocht en geleverd aan een in Amsterdam gevestigde koper. De aldus verkochte goederen worden in België doorgevoerd onder dekking van een doorvoerdocument : 50.000 F.

11° Verkopen van goederen die de belastingplichtige in Frankrijk heeft gekocht en die hij heeft wederverkocht aan een in België gevestigde koper. Op het ogenblik van de invoer werd de koper als geadresseerde aangeduid : 140.000 F.

12° Expertiseverrichtingen in verband met een reddingsboot :20.000 F.

13° Verhuur van een reddingsboot : 10.000 F.

14° Verkoop van uit Belgie herkomstige goederen die zich onder een regeling van entrepot bevinden met handhaving van die regeling; deze goederen werden naar entrepot gebracht door de belastingplichtige of door zijn leverancier : 100.000 F.

15° Verkoop van buitenlandse goederen die bij de invoer onder een stelsel van entrepot werden geplaatst met handhaving van die regeling : 150.000 F.

De in de aanvraag tot vergunning op te geven omzetcijfers zijn de volgende :

  • uitvoer : 2.000.000 F (1°, a) + 3.500.000 F (1°, b) + 500.000 F (2°) + 150.000 F (8°) + 100.000 F (14°) = 6.250.000 F;
  • totaal : 6.250.000 F (z. uitvoer hierboven) + 4.000.000 F (1°, c) = 10.250.000 F.
De hiernavolgende bedragen mogen niet worden begrepen in het bedrag van de uitvoer of van de totale omzet :

  • 200.000 F (3° - z. nr. 84.4, b);
  • 400.000 F (4° - z. nr. 84.4, b);
  • 100.000 F (5° - z. nr. 84.4, a);
  • 250.000 F (6° - z. nr. 84.4, a, eerste streepje);
  • 120.000 F (7° - z. nr. 84.4, c);
  • 80.000 F (9° - z. nr. 84.4, d);
  • 50.000 F (10° - z. nr. 84.4, d);
  • 140.000 F (11° - z. nr. 84.4, e);
  • 20.000 F (12° - z. nr. 84.4, a, 2de streepje);
  • 10.000 F (13° - z. nr. 84.4, a, 3de streepje);
  • 150.000 F (15° - z. nr. 84.4, d).
Tenslotte dient opgemerkt dat het bedrag van de verkopen in België gedaan met vrijstelling van de BTW op grond van artikel 43 van het Wetboek (1°, c - 1.000.000 F) dat begrepen is in het hierboven bedoelde omzetcijfer niet werd opgenomen in het bedrag van de uitvoeren om de reden aangehaald in de nrs. 79.2 en 79.3.

85. Vaststelling van het totaalbedrag van de BTW waarop het percentage van de vrijstelling van toepassing is.

85.1. Het totaalbedrag van de BTW waarop het percentage van de vrijstelling van toepassing is, bestaat uit de BTW die zou mogen in aftrek worden gebracht in vak 21 van de periodieke BTW-aangifte, indien geen toepassing werd gemaakt van de bij artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling.

85.2. Evenwel moet uit dat bedrag worden verwijderd de aftrekbare belasting geheven van de aankoop en de invoer van goederen en het ontvangen van diensten waarvoor de verschuldigde belasting als zodanig moet worden opgenomen in de periodieke BTW-aangifte van de belastingplichtige.

Dit is derhalve, onder meer, het geval voor :

  • de aftrekbare belasting geheven van de invoeren over de Belgisch-Luxemburgse of over de Belgisch-Nederlandse grens door middel van de verlegging van de heffing naar het binnenland overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 (z. kon. besl. nr. 18, art. 21, § 2);
  • de aftrekbare belasting geheven van de werken en handelingen bedoeld in artikel 17bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW, door middel van de verlegging van de heffing naar de periodieke aangifte overeenkomstig artikel 17bis, § 4, van hetzelfde besluit.
Zo ook, indien de houder van de vergunning van artikel 43 eveneens houder is van de vergunning die bedoeld is in artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977, waarbij de betaling van de wegens invoer verschuldigde BTW wordt verlegd naar het binnenland (z. aanschr. 3/1973 - bijwerking 1984) mag de aftrekbare belasting geheven van die invoeren, nooit worden begrepen in het bedrag waarop het percentage van de vrijstelling van toepassing is; deze aftrekbare belasting dient dus te worden verwijderd uit het bedrag dat als aftrekbare BTW voorkomt in vak 21 van de periodieke BTW-aangifte. Er dient trouwens opgemerkt dat bij het bepalen van het bedrag van de vooruit te betalen BTW voor het bekomen van de vergunning die bedoeld is in het genoemd artikel 4, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 7, werd rekening gehouden met het percentage van vrijstelling dat is vastgesteld in de vergunning die werd verleend op grond van artikel 43 van het Wetboek.

85.3. De BTW die betrekking heeft op aankopen en diensten die afgenomen zijn van belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de bijzondere regelingen ingesteld bij de artikelen 56, § 2 (kleine ondernemingen waarvoor de egalisatiebelasting wordt toegepast), 57 (landbouwondernemers) of 58, § 4 (tweedehandse goederen), van het Wetboek is begrepen in het totaal van de aftrekbare BTW waarop het percentage van vrijstelling toepasselijk is. Nochtans, voor de aankopen gedaan bij landbouwondernemers onderworpen aan de bij artikel 57 van het Wetboek ingestelde forfaitaire regeling, is het bedrag aan aftrekbare BTW dat in aanmerking wordt genomen enkel het door de koper aan de landbouwondernemer terug te betalen bedrag zoals dit forfaitair bepaald is door artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake BTW, voor het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 1986. Er mag dus geen rekening worden gehouden met het verschil tussen de BTW die op de handeling verschuldigd is en deze welke de koper forfaitair terugbetaalt aan de landbouwondernemer, verschil dat als te betalen BTW moet worden ingeschreven in vak 14 van de periodieke BTW-aangifte die de koper moet indienen.

85.4. Voorbeeld.

In de loop van het eerste kwartaal 1987 heeft een houder van de vergunning de hiernavolgende handelingen verricht.

1° Aankopen hier te lande bij belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de gewone regeling van de BTW :

a) van grondstoffen die worden ingelijfd in de fabricage van de produkten; verschuldigde BTW : 100.000 F, volledig aftrekbaar;

b) van hulpstoffen gebruikt bij dezelfde fabricage; verschuldigde BTW : 20.000 F, volledig aftrekbaar;

c) van verpakkingsmiddelen waarin de gefabriceerde produkten moeten worden verpakt; verschuldigde BTW : 15.000 F, volledig aftrekbaar.

2° Verkrijging van diensten die bijdragen tot de fabricage van de goederen; verschuldigde BTW : 10.000 F, volledig aftrekbaar.

3° Invoeren uit Nederland van grondstoffen, nodig voor de fabricage; verschuldigde BTW : 25.000 F. Deze invoeren zijn verricht met verlegging van de heffing van de BTW naar het binnenland, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 19,77 (vak 13 van de periodieke BTW-aangifte : 25.000 F, volledig aftrekbaar).

4° Invoeren vanuit Italië van grondstoffen die worden ingelijfd in de fabricage van de produkten; verschuldigde BTW : 20.000 F.

1ste onderstelling : voldoening van de BTW door zegeling; aftrekbare BTW : 20.000 F.

2de onderstelling : de invoerder is houder van de vergunning die bedoeld is in de aanschrijving nr. 3/1973- bijwerking 1984. Derhalve is hij verplicht alle invoeren van goederen met verlegging van de heffing van de BTW te verrichten. Het bedrag dat zal worden opgenomen als aftrekbare BTW komt niet in aanmerking voor het bepalen van het totaalbedrag van de BTW waarop het percentage van de vrijstelling mag worden toegepast (z. nr. 86.4, d - vak 13 van de periodieke BTW-aangifte : 20 000 F, volledig aftrekbaar).

5° Aankopen hier te lande van hout op stam bij een landbouwondernemer die onderworpen is aan de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 57 van het Wetboek; forfaitair terug te betalen bedrag overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake BTW, voor het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 1986 : 2.000 F. Verschil dat als te betalen BTW moet worden ingeschreven in vak 14 van de door de houder van de vergunning in te dienen periodieke BTW-aangifte : 4.000 F; aftrekbare BTW : 6.000 F.

6° Vervoer verricht voor rekening van de houder van de vergunning; verschuldigde BTW : 9.000 F, volledig aftrekbaar.

7° Aankopen hier te lande van investeringsgoederen en bureelbenodigdheden; verschuldigde BTW : 13.750 F, volledig aftrekbaar.

8° Aankopen hier te lande van goederen die in opdracht van de houder van de vergunning rechtstreeks werden uitgevoerd door de leverancier. Deze aankopen werden vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 39 van het Wetboek.

9° Aankopen van benzine voor en herstellingskosten aan een personenwagen; verschuldigde BTW : 6.000 F, waarvan 3.000 F aftrekbaar en 3.000 F niet aftrekbaar.

10° Goederen die door de houder van de vergunning zijn wederingevoerd na in Frankrijk een bewerking te hebben ondergaan. Bij de wederinvoer werd gedeeltelijke vrijstelling gevraagd op grond van artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977. Bij de wederinvoer betaalde BTW : 10.000 F, volledig aftrekbaar.

Totaalbedrag van de BTW waarop het percentage van de vrijstelling mag worden toegepast : 100.000 F (1°, a) + 20.000 F (1°, b) + 15.000 F (1°, c) + 10.000 F (2°) + 20.000 F (4°, Iste ond.) + 2.000 F (5°, enkel het forfaitair bedrag) + 9.000 F (6°) + 13.750 F (7°) + 3.000 F (9°) + 10.000 F (10°) = 202.750 F.

86. Uitoefening van de vrijstelling.

86.1. Het percentage van de vrijstelling wordt berekend op het totaalbedrag van de BTW die voor de belastingplichtige in de loop van een zelfde kwartaal aftrekbaar zou zijn indien hij de bij artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling niet zou hebben genoten (z. nr. 85). Wat de invoeren betreft wordt verwezen naar nr. 83.3.

De vrijstelling van de BTW mag niet worden toegepast op elke handeling afzonderlijk ten belope van het percentage dat in de vergunning voorkomt; daarentegen wordt ze globaal genomen in die zin dat de houder van de vergunning zekere inkomende handelingen mag verrichten zonder betaling van de BTW tot beloop van het totaalbedrag van de vrijstelling waarop hij recht heeft, terwijl de volledige BTW moet worden betaald voor de andere inkomende handelingen.

86.2. In dat verband moet worden opgemerkt dat, wat de verwerving hier te lande van goederen of diensten betreft, de bestelbons, die overeenkomstig nr. 87.1 worden gericht aan een leverancier of aan een dienstverrichter, niet terzelfdertijd betrekking mogen hebben op handelingen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd en op handelingen die geschieden met betaling van de BTW; de bestellingen waarvoor de belastingplichtige zijn recht op vrijstelling inroept moeten in elke onderstelling het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke bestelbon die de juiste hoeveelheid weergeeft van de goederen of van de diensten waarvoor de vrijstelling wordt ingeroepen en die de in nr. 87.1 bedoelde vermeldingen bevat; de bestelbon vermeldt nooit het percentage van de vrijstelling dat voorkomt in de aan de belastingplichtige verleende vergunning. Hieruit volgt dat het niet mogelijk is een aankoop te doen gedeeltelijk met vrijstelling en voor het overige met betaling van de BTW zo de aankoop op één enkel voorwerp slaat; in dit geval moet de handeling geschieden, ofwel voor het geheel met vrijstelling van de BTW, ofwel voor het geheel met betaling van de BTW.

Deze bestelbon moet niet noodzakelijk slaan op één wel bepaalde levering of te verstrekken dienst. Hij kan ook algemeen zijn, in die zin dat hij betrekking kan hebben op alle bestellingen waaraan een leverancier of een dienstverrichter gevolg moet geven gedurende een bepaald tijdvak (b.v. één jaar) of op een zekere hoeveelheid van goederen of diensten die op later aan te duiden data moeten worden geleverd of verstrekt.

86.3. Hetgeen in nr. 86.2 werd gezegd in verband met de aankoop van één enkel voorwerp geldt eveneens in geval van invoer van één enkel voorwerp.

86.4. De vrijstelling van de BTW mag in geen geval worden ingeroepen voor de hierna volgende inkomende handelingen (z. kon. besl. nr. 18, art. 21, § 3) :

a) de leveringen van goederen en van diensten verricht door belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de bijzondere regelingen ingesteld door de artikelen 56, § 2, 57 of 58, § 4, van het Wetboek;

b) de aankopen en de invoeren van investeringsgoederen;

c) de aankopen en de invoeren van goederen en het ontvangen van diensten waarvoor de houder van de vergunning geen volledig recht op aftrek kan uitoefenen;

d) de aankopen en de invoeren van goederen en het ontvangen van diensten waarvoor de verschuldigde belasting moet worden opgenomen in de periodieke BTW-aangifte van de vergunninghouder (z. nr. 85.2, eerste lid).

Om de reden aangehaald in het tweede lid van nr. 85.2 kan de vrijstelling niet worden ingeroepen bij de invoer van goederen uit andere landen dan het Groothertogdom Luxemburg of Nederland waarvoor de betaling van de BTW wordt verlegd naar het binnenland overeenkomstig artikel 4, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 (z. aanschr. 3/1973 - bijwerking 1984).

87. Bestellingen. - Aansprakelijkheid van de leverancier of van de dienstverrichter (kon. besl. nr. 18, art. 23).

87.1. Indien het om uit het binnenland herkomstige goederen of om hier te lande verrichte diensten gaat, moet de houder van de vergunning aan de leverancier of aan de dienstverrichter een bestelbon uitreiken die de volgende vermeldingen bevat : "Uitvoer. - Vrijstelling van de BTW. - Artikel 43 van het Wetboek. - Vergunning van ..., nr. ...

87.2. De leverancier of de dienstverrichter moet :

a) elke ontvangen bestelbon nummeren volgens een ononderbroken reeks nummers en hem bewaren tot staving van de vrijstelling;

b) op de factuur die hij uitreikt de volgende vermeldingen aanbrengen : "Uitvoer. - Vrijstelling van de BTW. - Artikel 43 van het Wetboek. - Vergunning van ..., nr. ... - Bestelbon van ..., ingeschreven onder nr. ..." .

87.3. De leverancier of de dienstverrichter is van alle aansprakelijkheid ontslagen indien de onder de nrs. 87.1 en 87.2 voorgeschreven formaliteiten zijn nagekomen. Hij blijft nochtans aansprakelijk voor het niet betalen van de BTW indien naar zijn weten de vrijstelling ten onrechte werd ingeroepen.

88. Invoer.

88.1. Indien het om ingevoerde goederen gaat heeft de invoer met vrijstelling van BTW plaats onder dekking van de aangifte bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 (aangifte ten verbruik 136). Op de twee exemplaren van de aangifte brengt de aangever de volgende vermeldingen aan :
"Vrijstelling van de BTW. - Artikel 43 van het Wetboek. - Vergunning van ..., nr. ...".

88. 2. Noch het origineel noch een fotokopie van de vergunning moeten worden voorgelegd op het douanekantoor.

89. Controle over de vrijstelling.

89.1. Om de vrijstelling van de BTW te genieten moet de houder van de vergunning een boekhouding voeren aan de hand waarvan de administratie controle kan uitoefenen.

Daartoe wordt geen bepaalde vorm van boekhouding of register voorgeschreven, maar de organisatie van de boekhouding moet toelaten :

1° jaarlijks het totaalbedrag van de uitvoer en van de totale omzet te bepalen, rekening houdende met de bepalingen van nr. 84;

2° in het geval bedoeld in nr. 83.2, eerste streepje, de belastingtegoeden vast te stellen rekening houdend met het bepaalde in nr. 82.4;

3° per kwartaal het totaalbedrag van de BTW vast te stellen waarover het percentage van de vrijstelling wordt berekend (z. nr. 85), enerzijds voor de invoeren en anderzijds voor de andere handelingen;

4° per kwartaal het totaalbedrag van de BTW te bepalen dat betrekking heeft op de handelingen waarvoor de vrijstelling is ingeroepen, enerzijds voor de invoeren en anderzijds voor de andere handelingen.

89.2. Bij het verstrijken van elk kalenderkwartaal maakt de houder van de vergunning de balans op tussen het totaalbedrag van de vrijstelling waarop hij recht heeft (d.w.z. hel totaalbedrag bedoeld in nr. 89.1, 3°, vermenigvuldigd met het percentage van de vrijstelling dat in de vergunning is bepaald) en het totaalbedrag van de BTW waarvoor de vrijstelling werd ingeroepen.

Indien het bedrag van de BTW waarvoor de vrijstelling werd ingeroepen meer bedraagt dan het bedrag van de BTW waarvoorhij recht had op vrijstelling, moet de houder van de vergunning het verschil aan BTW alsmede de bij artikel 70, § 1, van het Wetboek ingestelde boete en de bij artikel 91, § 1, van het Wetboek bedongen interesten betalen. Deze boete wordt verminderd tot 1 pct. van het bedrag van de verschuldigde BTW, zijnde het hierboven vermeld verschil, overeenkomstig rubriek XIV, 2, C, 1°, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987. Deze vermindering mag slechts worden toegepast indien de belastingplichtige het bedrag van de BTW, verhoogd met de bedoelde 1 pct., opneemt in de rubriek "Herzieningen" (kader V, a, indien het gaat om een maandaangifte en vak 31 indien het gaat om een kwartaal- of jaaraangifte) van de BTW-aangifte die moet worden ingediend voor het tijdvak waarop de regularisatie betrekking heeft. Het spreekt vanzelf dat enkel het bedrag van de BTW aftrekbaar is.

Indien de houder van de vergunning in de loop van het eerste, het tweede of het derde kwartaal van het kalenderjaar zijn recht op vrijstelling van BTW niet volledig heeft uitgeoefend, mag hij het verschil voegen bij het bedrag van de vrijstelling van BTW waarop hij recht heeft tijdens het volgende kwartaal. Deze mogelijkheid van overdracht bestaat echter niet indien op het einde van het kalenderjaar blijkt dat de houder van de vergunning de vrijstelling heeft ingeroepen voor een bedrag dat lager is dan dat waarop hij recht had.

89.3. Er dient opgemerkt dat de controle op de vrijstelling inzake invoer niet moet geschieden wanneer de houder van de vergunning ook in het bezit is van de vergunning die bedoeld is bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 (z. nr. 85.2, tweede lid - verlegging van de heffing voor invoeren uit andere landen dan het Groothertogdom Luxemburg en Nederland). Inderdaad, bij het bepalen van het bedrag van de vooruit te betalen BTW werd rekening gehouden met het percentage vrijstelling dat is vastgesteld in de vergunning die is verleend op grond van artikel 43 van het Wetboek en van artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 18. Op die wijze bekomt de houder van de vergunning die bij toepassing van het voormeld artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977, wordt uitgereikt voor zijn invoeren in feite de in artikel 43 van het Wetboek bedoelde vrijstelling. Daaruit volgt dat, voor zijn aankopen hier te lande en voor de diensten die hem hier te lande worden geleverd, hij de vrijstelling op het totaal van zijn inkomende handelingen (z. nr. 86.1) slechts mag inroepen tot beloop van het percentage dat is vastgesteld in de vergunning die werd verleend op grond van artikel 43 van het Wetboek.

89.4. Voorbeeld.

Nemen we het geval van de houder van de vergunning waarvan sprake in de voorbeelden die voorkomen in de nrs. 84.7 en 85.4. Op een in aanmerking te nemen totaal omzetcijfer van 10.250.000 F (z. nr. 84.7), heeft de betrokkene goederen uitgevoerd voor een waarde van 6.250.000 F. Op zijn aanvraag heeft de administratie hem een vergunning verleend met een percentage van vrijstelling van BTW tot beloop van 50 pct.

Het totaalbedrag van de BTW waarop dit percentage van vrijstelling betrekking heeft, bedraagt voor het Iste kwartaal 1987 202.750 F (z. nr. 85.4), waarvan 30.000 F voor de invoeren uit andere landen dan het Groothertogdom Luxemburg en Nederland (z. nr. 85.4, cijfers 4, 1ste onderstelling, en 10) en 172.750 F voor de hier te lande aangekochte goederen en verworven diensten. De houder van de vergunning heeft dus recht op de vrijstelling tot beloop van een totaalbedrag aan BTW van 101.375 F (202.750 F x 50 pct.), zonder dat de ingeroepen vrijstelling wat de invoeren betreft hoger mag zijn dan 15.000 F (30.000 F x 50 pct.).

Om te kunnen nagaan of de toegestane maxima waarvan sprake in het voorgaande lid werden nageleefd, zou de houder van de vergunning, indien hij om zijn inkomende handelingen vast te leggen een register zou houden, dit laatste op de volgende wijze kunnen aanleggen :

De bij nr. 85.4 beoogde handelingen worden in dit register in chronologische volgorde ingeschreven. In de kolommen 3 en 5 vermeldt de belastingplichtige de bedragen van de BTW die hij normaal zou mogen afgetrokken hebben, maar waarvoor hij de vrijstelling van artikel 43 van het Wetboek heeft gevraagd. In de kolommen 2 en 4 schrijft hij daarentegen de bedragen van de aftrekbare BTW die hij heeft betaald.

Op het einde van het kwartaal telt de belastingplichtige de bedragen van de BTW samen van elk van de kolommen 2 tot 5. Vervolgens telt hij, enerzijds, afzonderlijk de totalen van de kolommen 2 en 3 samen en, anderzijds, de totalen van de kolommen 2, 3, 4 en 5. Hij gaat dan na of hij het toegestane bedrag van vrijstelling niet heeft overschreden, enerzijds voor de invoeren en, anderzijds, voor het geheel van de handelingen van het kwartaal.

Eerste onderstelling.

Onderstellen we dat de totalen van de kolommen 2, 3, 4 en 5 van het register op het einde van het kwartaal respectievelijk 20.000 F, 10.000 F, 60.000 F en 112.750 F bedragen.

Berekening voor de invoeren alleen : het totaal van de normaal aftrekbare BTW bedraagt 30.000 F (20.000 F + 10.000 F). De houder van de vergunning mag de vrijstelling inroepen ten belope van 50 pct. van dit totaal, dit is 15.000 F. Hij heeft slechts gebruik gemaakt van zijn recht voor een bedrag van 10.000 F (totaal van kolom 3). Hij heeft dus zijn recht op vrijstelling niet overschreden wat de invoeren betreft.

Berekening voor het geheel van de handelingen : de som van de totalen van de normaal aftrekbare BTW bedraagt 202.750 F (20.000 F + 10.000 F + 60.000 F + 112.750 F). De houder van de vergunning mag de vrijstellingen inroepen tot beloop van 50 pct. van dit totaal, dit is 101.375 F. Hij heeft de vrijstelling bekomen voor een bedrag van 122.750 F (som van de kolommen 3 en 5, hetzij 10.000 F + 112.750 F). Hier is het maximum dus overschreden tot beloop van 21.375 F. De verschuldigde bedragen, zijnde 21.375 F en 214 F (I pct. van 21.375 F), worden betaald overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van nr. 89.2.

Tweede onderstelling.

Onderstellen we dat de totalen van de kolommen 2, 3, 4 en 5 van het register op het einde van het kwartaal respectievelijk 5.000 F, 25.000 F, 110.000 F en 62.750 F bedragen.

Berekening voor de invoeren alleen : het totaal van de normaal aftrekbare BTW bedraagt 30.000 F (5.000 F + 25.000 F). De houder van de vergunning mag de vrijstelling inroepen tot beloop van 50 pct. van dit totaal, hetzij 15.000 F. Hij heeft gebruik gemaakt van zijn recht voor een bedrag van 25.000 F (totaal van de kolom 3). Hier is het maximum dus overschreden tot beloop van 10.000 F. De verschuldigde bedragen, zijnde 10.000 F en 100 F (I pct. van 10.000 F) worden betaald overeenkomstig het tweede lid van nr. 89.2.

Berekening voor het geheel van de handelingen : de som van de totalen van de normaal aftrekbare BTW bedraagt 202.750 F (5.000 F + 25.000 F + 110.000 F + 62.750 F). De houder van de vergunning mag de vrijstelling inroepen tot beloop van 50 pct. van dit totaal, zijnde 101.375 F. Hij heeft in feite de vrijstelling bekomen voor een totaal van 87.750 F (25.000 F + 62.750 F, som van de totalen van de kolommen 3 en 5). Het totale maximum werd dus niet overschreden. Anderzijds werd voor de bij invoer bekomen vrijstelling (z. 1ste berekening) reeds een regularisatie doorgevoerd van 10.000 F, zodat de bij invoer bekomen vrijstelling met dit bedrag werd verminderd. Bijgevolg mag dat bedrag van 10.000 F bij dit van 13.625 F (101.375 F--87.750 F) worden gevoegd, zodat een bedrag van 23.625 F aan vrijstelling mag worden overgedragen naar het tweede kwartaal 1987.

Derde onderstelling.

Onderstellen we dat de totalen van de kolommen 2, 3, 4 en 5 van het register op het einde van het kwartaal respectievelijk 5.000 F, 25.000 F, 60.000 F en 112.750 F bedragen.

Berekening voor de invoeren alleen : zoals in de tweede onderstelling hierboven is het maximum overschreden tot beloop van 10.000 F. De verschuldigde bedragen, zijnde 10.000 F en 100 F (1 pct. van 10.000 F), moeten worden geregulariseerd zoals wordt gezegd in de tweede onderstelling.

Berekening voor het geheel van de handelingen : de som van de totalen van de kolommen 2 tot 5 bedraagt 202.750 F (5.000 F + 25.000 F + 60.000 F + 112.750 F). De houder van de vergunning mag de vrijstelling inroepen tot beloop van 50 pct. van dit totaal, zijnde 101.375 F. Hij heeft in feite de vrijstelling verkregen voor een totaal van 137.750 F (som van de totalen van de kolommen 3 en 5, zijnde 25.000 F + 112.750 F). Het maximum werd dus overschreden tot beloop van 36.375 F. Deze overschrijding komt voort van de invoeren tot beloop van 10.000 F en heeft reeds het voorwerp uitgemaakt van de regularisatie hierboven. De overige verschuldigde bedragen, zijnde 26.375 F (36.375 F - 10.000 F) en 264 F (1 pct. van 26.375 F), worden betaald overeenkomstig het tweede lid van nr. 89.2.

Vierde onderstelling.

Onderstellen we dat de totalen van de kolommen 2, 3, 4 en 5 van het register op het einde van het kwartaal respectievelijk 20.000 F, 10.000 F, 110.500 F en 62.250 F bedragen.

Berekening voor de invoeren alleen : het totaal van de normaal aftrekbare BTW bedraagt 30.000 F (20.000 F + 10.000 F). De betrokkene mag de vrijstelling inroepen tot beloop van 50 pct. van dit totaal, dit is 15.000 F. Hij heeft slechts gebruik gemaakt van zijn recht voor een bedrag van 10.000 F (totaal van kolom 3). Er is dus geen overschrijding van het recht op vrijstelling voor de invoeren; er dient geen regularisatie te worden gedaan.

Berekening voor het geheel van de handelingen : de som van de totalen van de kolommen 2 tot 5 bedraagt 202.750 F (20.000 F + 10.000 F + 110.500 F + 62.250 F). De houder van de vergunning mag de vrijstelling inroepen tot beloop van 50 pct. van dit totaal, zijnde 101.375 F. Hij heeft in feite de vrijstelling verkregen voor een totaal van 72.250 F (som van de totalen van de kolommen 3 en 5, dit is 10.000 F + 62.250 F). Het maximum werd niet overschreden en er dient dus geen regularisatie plaats te vinden. De balans vertoont integendeel een tegoed van 29.125 F dat voortkomt van de invoeren tot beloop van 5.000 F (15.000 F-10.000 F) en van de andere handelingen tot beloop van 24.125 F [(110.500 F + 62.250 F) x 50 %--62.250 F].

Dit tegoed van 29.125 F mag worden overgedragen naar het 2de kwartaal 1987. De houder van de vergunning heeft de keuze tussen de volgende twee oplossingen :

  • of wel gebruikt hij het totale tegoed (29.125 F) voor de andere handelingen dan de invoeren. In dit geval zal het tegoed van 29.125 F op het einde van het 2de kwartaal 1987 gevoegd worden bij het produkt van de vermenigvuldiging met 50 pct. van de som van de totalen van de kolommen 2 tot 5 van het register; het zal daarentegen niet worden meegerekend in de eerste berekening betreffende de invoeren alleen;
  • ofwel splitst hij dat totale tegoed van 29.125 F in 5.000 F voor de invoeren en 24.125 F voor de andere handelingen. Het tegoed van 5.000 F zal mogen worden gebruikt voor de invoeren die gedurende het tweede kwartaal 1987 worden gedaan, terwijl het tegoed van 24.125 F zal mogen worden gebruikt bij de verkrijgingen hier te lande van goederen en van diensten gedurende hetzelfde kwartaal. In dit geval wordt het tegoed van 5.000 F op 30 juni 1987 gevoegd bij het resultaat van de vermenigvuldiging met 50 pct. van de som van de totalen van de kolommen 2 en 3 (eerste berekening betreffende de invoeren), terwijl het totale tegoed van 29.1 5 F op dezelfde datum gevoegd wordt bij het produkt van de vermenigvuldiging met 50 pct. van de som van de totalen van de kolommen 2 tot 5 (tweede berekening voor het geheel van de handelingen).
HOOFDSTUK VII. - ALGEMEEN 90. Ontheffing van verval (kon. besl. nr. 18, art. 25).

Indien tengevolge van de niet naleving van de in deze aanschrijving voorgeschreven formaliteiten het voordeel van de vrijstelling wordt verloren, kan gehele of gedeeltelijke ontheffing van het opgelopen verval worden verleend door of namens de Minister van Financiën. Behoudens uitzonderlijke gevallen valt de beslissing omtrent de ontheffing onder de bevoegdheid van de hoofdcontroleur

BIJLAGE B (2)

VERSO INSTRUCTIONS Quand la valeur du contenu excède 4 770 francs belges, coller sur l'envoi la partie supérieure de cette étiquette seulement et remplir la déclaration en douane C2/CP3. Le contenu de votre envoi, même s'il s'agit d'un cadeau ou d'un échantillon, doit être décrit d'une manière exacte et complète. L'inobservation de cette condition pourrait occasionner un retard de l'envoi et des inconvénients au destinataire, ou même entraîner la saisie de l'envoi par les autorités douanières à l'étranger.

ONDERRICHTINGEN Wanneer de waarde van de inhoud 4 770 Belgische frank overtreft, dient enkel het bovenste gedeelte van dit etiket op de zending geplakt en de douane-verklaring C2/CP3 ingevuld.
De inhoud van uw zending moet nauwkeurig en volledig vermeld worden, ook indien het een geschenk of een warenmonster betreft. Het niet nakomen van deze verplichting kan vertraging van de zending veroorzaken, nadeel aan de geadresseerde berokkenen of zelfs aanleiding geven tot in beslag nemen van de zending door de douanebeambten in het buitenland