25.11.2022 - Circulaire 2022/C/107 betreffende Definitieve vrijstellingen – Goederen ingevoerd ten bate van slachtoffers van rampen
DI 510.169, vrijstelling, ramp, definitief, termijn, gebruik, uitsluiting, voorwaarden, slachtoffers.
FOD Financiën, 25.11.2022
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudsopgave
Circulaire 2022/C/107 betreffende Definitieve vrijstellingen – Goederen ingevoerd ten bate van slachtoffers van rampen
4. Bevoegdheden inzake toekenning van de vrijstelling
5. Toekenningsvoorwaarden van de vrijstelling
5.1. Voorwaarden betreffende de goederen
5.2. Uitsluitingen betreffende de goederen
5.3. Voorwaarden betreffende de begunstigden
5.4. Uitsluitingen betreffende begunstigden
5.5. Termijn voor de invoer van goederen
5.6. Afwijking van de voorwaarden
6.4. Gebruik van goederen na invoer
6.6. Rapportering aan de Commissie
Bijlage III :
1. Inleiding
1. Deze circulaire regelt de vrijstelling van invoerrechten en btw bij het in het vrije verkeer brengen in België van goederen die worden ingevoerd ten behoeve van slachtoffers van rampen die het grondgebied van één of meer lidstaten van de EU treffen.
De vrijstelling geldt voor alle rampen (aardbevingen, overstromingen, branden, explosies in kerncentrales, Seveso-incidenten, instortingen van viaducten, dambreuken, enz.): zowel rampen met fysieke gevolgen (vernietiging van infrastructuur, woningen, enz.) als rampen met gevolgen voor de gezondheid (pandemieën) of politieke gevolgen (oorlogen) vallen eronder.
Het bijzondere aan deze vrijstelling is dat zij definitief wordt toegekend door de Europese Commissie (hierna: de “Commissie”), die als enige kan beslissen over het al dan niet toekennen van de vrijstelling. Het is de Commissie die de lijsten opstelt van goederen die deze vrijstelling genieten. Het is ook de Commissie die de termijnen en toepassingsvoorwaarden bepaalt.
Maar in afwachting van de beschikking van de Commissie over de toekenning van de vrijstelling, is het de bedoeling dat de door een ramp getroffen lidstaat of de door eenzelfde ramp getroffen lidstaten onmiddellijk de goederen kunnen invoeren die nodig zijn om hulp te bieden aan de slachtoffers van de ramp, met een tijdelijke schorsing van rechten en heffingen. Een lidstaat die niet getroffen wordt door de ramp kan ook via zijn grondgebied goederen invoeren om de getroffen lidstaten te hulp te schieten.
Deze vrijstelling is ook van toepassing op uitrusting die door hulporganisaties wordt ingevoerd voor eigen gebruik tijdens hun operaties in de betrokken lidstaat.
Het gaat in eerste instantie dus om een tijdelijke schorsing van rechten en heffingen. De lidstaten dienen derhalve voorzichtig te zijn en dergelijke invoer met schorsing van rechten te beperken tot goederen die zonder enige twijfel voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 74 en volgende van de Verordening DV. Deze voorwaarden zijn strikt.
Zo is voor deze "voorlopige" vrijstelling de erkenning vereist van de liefdadigheids- of filantropische organisaties die hulp verlenen aan slachtoffers van rampen: in geval van een voorlopige vrijstelling moeten zij zich er altijd toe verbinden de rechten te betalen die verschuldigd zouden zijn indien de voorlopige vrijstelling niet door de Commissie zou worden bekrachtigd. Een dergelijke verbintenis wordt ook gevraagd van de overheidsinstellingen.
De voorlopige als de definitieve vrijstelling van rechten en heffingen wordt uitsluitend verleend:
a) voor goederen die door de overheidsinstellingen of erkende instellingen gratis worden verstrekt (giften) aan de slachtoffers van rampen;
b) voor goederen die gratis ter beschikking van de slachtoffers worden gesteld, maar eigendom blijven van de betrokken instellingen;
c) voor goederen, materieel en uitrustingen die door de hulpeenheden worden ingevoerd en gebruikt.
De vrijstelling geldt dus niet voor goederen die aan slachtoffers van rampen worden verkocht, zelfs niet door een krachtens artikel 74 erkende organisatie, en evenmin voor goederen die worden verkocht om geld in te zamelen voor slachtoffers van rampen.
De vrijstelling is echter wel van toepassing op goederen die in derde landen zijn aangekocht (daartoe gefinancierd door een liefdadigheidsinstelling of filantropische organisatie of door een hulpverlenende eenheid) om aan slachtoffers van rampen te worden gegeven of gratis ter beschikking te worden gesteld.
Deze goederen kunnen ook zijn ontvangen door ziekenhuizen en andere openbare gezondheidsinstellingen of andere overheidsinstellingen of door instellingen van liefdadige of filantropische aard die door de AAD voor de doeleinden van de vrijstelling zijn erkend.
Enkel goederen die afkomstig zijn uit derde landen buiten de EU kunnen in aanmerking komen voor deze vrijstelling.
Er wordt GEEN vrijstelling verleend voor accijnsrechten.
Voor de praktische modaliteiten voor het opmaken van de invoeraangiften, is het nuttig om de circulaire ED en de betrokken werkmethodes te raadplegen (LINK).
2. Definities
2.Voor de toepassing van deze circulaire verstaat men onder:
"Goederen die in primaire levensbehoeften voorzien": goederen die absoluut noodzakelijk zijn om te voorzien in de onmiddellijke behoeften van personen, zoals levensmiddelen, geneesmiddelen, kleding en dekens.[1]
"Overheidsinstellingen": regeringen en hun administraties (FOD en ministeries), instellingen van publiekrechtelijke aard onder staatsbeheer (openbare ziekenhuizen), alle grondwettelijk bepaalde territoriale overheden: gemeenten, provincies, gewesten, enz.
"EU": het douanegebied van de Europese Unie dat het grondgebied omvat van de lidstaten zoals omschreven door het douaneboek van de Unie: Zie circulaire 2020/C/85.
"Verordening DV ": Verordening (EG) 1186/2009
3. Wettelijke basis
3.De wettelijke basis waarvan de teksten als bijlage bij deze circulaire zijn toegevoegd, zijn de volgende:
1) Artikelen 74 tot 80 van de Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.
2) Artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde
3) artikel 40, § 1, eerste lid, sub b, van het btw-wetboek tot omzetting van de artikelen 52 tot en met 56 van richtlijn 2009/132/EG van de Raad van 19 oktober 2009 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 143, sub b en c, van richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen.
4. Bevoegdheden inzake toekenning van de vrijstelling
4. De administrateur-generaal van de AAD is als enige bevoegd om de (voorlopige) vrijstelling toe te kennen, gelet op het specifieke karakter van deze vrijstelling en de verplichting deze aan de Europese Commissie voor te leggen. De toestemming zal worden verleend door de centrale component van de Administratie Operaties.
5. Toekenningsvoorwaarden van de vrijstelling
5. Onder de voorwaarden en binnen de grenzen van de artikelen 74 tot en met 80 van Verordening DV is de vrijstelling van toepassing bij het in het vrije verkeer brengen in België van goederen die worden ingevoerd ten behoeve van de slachtoffers van rampen die het grondgebied van één of meer lidstaten van de EU treffen.
De vrijstelling wordt pas definitief verleend nadat de Commissie, op verzoek van de betrokken lidstaat of lidstaten, volgens een urgentieprocedure die voorziet in overleg met de andere lidstaten, een beschikking heeft vastgesteld.
Concreet dient (dienen) de door een ramp getroffen lidsta(a)t(en) op grond van artikel 76 van de Verordening DV bij de Europese Commissie (DG TAXUD) een verzoek om vrijstelling in, waarin wordt aangegeven welke goederen en hoeveelheden nodig zijn om de gevolgen van de ramp te bestrijden. In afwachting van de Europese beschikking mag elke betrokken staat deze noodzakelijke goederen invoeren met tijdelijke schorsing van rechten en heffingen.
Alvorens een beslissing te nemen, moet de Commissie de andere lidstaten van de EU raadplegen door hun haar ontwerpbeschikking voor te leggen. Zodra deze raadpleging is afgerond, neemt de Commissie haar besluit en maakt zij dit bekend in het Publicatieblad van de EU.
Deze beschikking tot goedkeuring van de vrijstelling stelt de omvang en de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling vast, met name de soorten en hoeveelheden goederen (lijst van GN-codes), de geldigheidsduur van deze beslissing en de lidstaten die voor de vrijstelling in aanmerking komen. In deze beschikking wordt ook aangegeven welke aanvullende informatie en statistische gegevens met betrekking tot die invoer moeten worden verstrekt en binnen welke termijn deze informatie aan de Commissie moet worden verstrekt. Deze informatie heeft in het bijzonder betrekking op de erkende instellingen, de uiteindelijke ontvanger van de goederen, enz.
(Fictief) voorbeeld: Griekenland wordt sinds 1 juli 2021 door branden geteisterd en vraagt de Commissie op 15 juli om van 1 juli tot en met 30 september 2021 van deze vrijstelling te kunnen genieten om enerzijds noodhulp uit derde landen in te voeren, die gratis wordt verstrekt aan de slachtoffers van de branden op de Griekse eilanden, en anderzijds het nodige materieel in te voeren voor de teams van de Canadair-vliegtuigen die - gratis - de branden bestrijden die de inwoners van de genoemde eilanden bedreigen. Griekenland maakt ook melding van voertuigen die het van niet-EU-donoren heeft ontvangen om de bewoners van door het vuur geteisterde eilanden te helpen zich te verplaatsen: het gebruik van deze voertuigen zal betalend zijn (brandstofkosten, onderhoud, verzekering).
De Commissie ontvangt het verzoek op 15/7: na onderzoek van het dossier deelt zij Griekenland op 17/7 mee dat het kan beginnen met de invoer met schorsing van rechten. Op 30/7 start de Commissie de raadpleging van de overige lidstaten. Na ontvangst van de antwoorden van de lidstaten neemt zij op 30 oktober haar besluit tot verlening van de vrijstelling: zij verwacht alle vereiste informatie over deze invoer vóór 31 december 2021.
Op 2 februari 2022 bevestigt de Commissie haar besluit van 30 oktober 2021 voor alle gratis verstrekte goederen en voor de uitrusting van de reddingsteams en van de Canadair-vliegtuigen. Griekenland kan daarentegen niet genieten van de vrijstelling voor de voertuigen die door algemene externe donoren worden ingevoerd maar tegen betaling door de slachtoffers van de ramp worden gebruikt.
6. De circulaire 2018/C/105 "Definitieve vrijstellingen– Algemene bepalingen" dient aanvullend geraadpleegd worden.
5.1. Voorwaarden betreffende de goederen
7. Artikel 74 van Verordening DV onderscheidt twee categorieën van goederen die in aanmerking komen om vrij van rechten te worden ingevoerd.
- Goederen die nodig zijn voor onmiddellijke hulpverlening aan slachtoffers van rampen (goederen die in primaire levensbehoeften voorzien (waaronder verbruiksgoederen), noodhulp, tijdelijke kapitaalgoederen), die worden ingevoerd door overheidsinstellingen of andere liefdadigheids- of filantropische organisaties die door de AAD erkend zijn om:
- gratis te worden verstrekt aan slachtoffers van rampen die het grondgebied van een of meer lidstaten treffen (art 74§1 a) Verordening DV);
- gratis ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van dergelijke rampen, doch eigendom van de betrokken instellingen blijven (art 74§1 b) Verordening DV).
Bijvoorbeeld: bij een aardbeving in de winter mogen warmtedekens, warme dranken en maaltijden, bestek, gezondheidszorgpakketten en verwarmingsapparatuur met vrijstelling ingevoerd worden, indien die goederen gratis worden verstrekt of uitgedeeld aan de slachtoffers van de ramp.
- Goederen die door hulpeenheden worden ingevoerd om voor de duur van hun bijstand in hun behoeften te voorzien, ook in aanmerking voor vrijstelling (art 74§2 Verordening DV).ie
Voorbeeld: Een Frans reddingsteam komt naar België om reddingsoperaties uit te voeren na de catastrofale overstromingen in de Ardense valleien. De tenten, hulpgoederen en voedselvoorraden die het team voor eigen gebruik meebrengt, worden door de vrijstelling gedekt.
De lijst en de hoeveelheden goederen waarvoor definitief de vrijstelling wordt verleend, worden vastgelegd door de Commissie.
In afwachting van de kennisgeving van het besluit van de Commissie kunnen de door een ramp getroffen lidstaten echter de invoer van de goederen toestaan onder schorsing van de desbetreffende invoerrechten, mits de invoerende instelling zich ertoe verbindt deze te betalen indien uiteindelijk geen vrijstelling wordt verleend. De lidstaat publiceert derhalve een voorlopige lijst van goederen die met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd, dewelke de basis zal vormen van de aan de Commissie verstrekte informatie. Indien een instelling een goed wenst in te voeren dat niet op de lijst staat, moet zij vóór de invoer een aanvraag indienen bij het AAD indien deze aanvraag wordt aanvaard, wordt het goed door de AAD toegevoegd aan de lijst van toegestane goederen.
5.2. Uitsluitingen betreffende de goederen
8. Zijn uitgesloten van deze vrijstelling:
- Materiaal en materieel bestemd voor de wederopbouw in rampgebieden (art. 75 Verordening DV).
Voorbeelden: bulldozers, bakstenen en cement zijn uitgesloten, in tegenstelling tot tijdelijke woningen zoals tenten, caravans of omgebouwde containers.
- Goederen waarvan de donatie, verdeling of verstrekking afhankelijk is van enige betaling of deelname door de slachtoffers van de ramp of de uiteindelijke ontvangers (cf. art. 74 Verordening DV).
Voorbeeld: maskers die door de zorginstelling gratis aan het ziekenhuispersoneel worden verstrekt, genieten de vrijstelling, in tegenstelling tot maskers die door dezelfde instelling (zelfs tegen een kleine vergoeding of om fondsen te werven voor een goed doel) aan patiënten worden verkocht.
5.3. Voorwaarden betreffende de begunstigden
9. Mogen enkel goederen voor het vrije verkeer invoeren met vrijstelling van rechten:
- overheidsorganisaties, met inbegrip van overheidsinstellingen, openbare instellingen en andere publiekrechtelijke instellingen (bijv. FOD Volksgezondheid, UNICEF, enz.) of liefdadige of filantropische organisaties die door de bevoegde instanties van de lidstaten zijn erkend, of namens dergelijke organisaties (bijv.: universitair ziekenhuis, Rode Kruis, AZG, …).
- of door de hulpeenheden ("disaster relief agencies") ter dekking van hun behoeften voor de duur van hun bijstand, of namens deze organisaties (B-Fast, hulpagentschap Oekraïne, enz.).
De vrijstelling wordt slechts verleend aan instellingen waarvan de boekhouding het de bevoegde autoriteiten mogelijk maakt de verrichtingen te controleren en die alle nodig geachte garanties bieden (artikel 77 Verordening DV). Nauwkeurige en volledige boekhoudingen zijn noodzakelijk om aan de eisen van de Commissie te voldoen. Daarom moeten al deze organisaties door de AAD worden erkend om vrij van rechten te mogen invoeren.
Sommige worden automatisch erkend wegens hun staats- of publiekrechtelijk karakter (zoals de FOD Volksgezondheid of het Ministerie van Defensie of het militair hospitaal). Alle andere instellingen die krachtens deze vrijstelling wensen in te voeren, moeten door de AAD worden erkend VOORDAT zij hun eerste invoer met schorsing van rechten en heffingen mogen verrichten. Dit geldt ook voor hulpeenheden die geen overheidsinstellingen zijn. Zonder deze specifieke erkenning, wordt de vrijstelling van rechten automatisch geweigerd.
Zolang de invoer gebeurt met voorlopige schorsing van rechten en heffingen, moeten al deze instellingen zich ertoe verbinden de verschuldigde belasting te betalen indien deze opeisbaar wordt in geval van een negatieve beslissing van de Commissie (zie art. 76, lid 2 van Verordening DV).
5.4. Uitsluitingen betreffende begunstigden
10. Openbare of private instellingen waarvan de boekhouding het de bevoegde autoriteiten niet mogelijk maakt de verrichtingen te controleren en/of die niet alle nodig geachte garanties bieden voor een goed toezicht op de vrijgestelde verrichtingen, zijn uitgesloten van de vrijstelling (artikel 77 Verordening DV).
Zijn uitgesloten wegens hun winstoogmerk of het winstoogmerk van hun voorgenomen invoer (cf. art. 74 Vordering DV):
- commerciële actoren en privébedrijven;
- privaatrechtelijke instellingen;
- elke organisatie, ongeacht de rechtsvorm, die goederen verkoopt aan slachtoffers van rampen.
Ook ngo's en liefdadige of filantropische instellingen die niet erkend zijn, zijn uitgesloten.
5.5. Termijn voor de invoer van goederen
11. De periode gedurende welke vrijstelling van rechten wordt verleend (d.w.z. de periode gedurende welke goederen vrij van rechten kunnen worden ingevoerd), wordt door de Europese Commissie vastgesteld in haar beschikking.
In zijn verzoek om vrijstelling van rechten aan de Europese Commissie stelt elke betrokken lidstaat de periode voor die hij nodig denkt te hebben. De lidstaat zal na afloop van deze eerste termijn aan de Commissie bevestigen dat de operaties beëindigd zijn ofwel de Commissie verzoeken om deze eerste termijn te verlengen. Alvorens hierover een uitspraak te doen, zal de Commissie opnieuw de overige lidstaten raadplegen.
In afwachting van de kennisgeving van de definitieve beslissing van de Commissie, en dus van de kennisneming van de definitieve termijnen, kunnen de door een ramp getroffen lidstaten de invoer van de goederen toestaan onder schorsing van de desbetreffende invoerrechten, mits de invoerende instelling zich ertoe verbindt deze te betalen indien uiteindelijk geen vrijstelling wordt verleend.
5.6. Afwijking van de voorwaarden
12.De Verordening DV voorziet geen afwijkingen van de bovengenoemde voorwaarden. Zoals alle fiscale wetgeving, is ook deze verordening strikt van toepassing.
Bovendien is de vrijstelling strikt onderworpen aan de voorwaarden en beperkingen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld in haar beschikking die aan de lidstaten is meegedeeld: deze beschikking is bindend. Er kan niet worden afgeweken van de voorwaarden van de artikelen 74 tot en met 80 van Verordening DV in afwachting van het besluit van de Europese Commissie, anders zal België de ten onrechte opgeschorte en/of niet-betaalde rechten en btw moeten betalen.
6. Procedure
6.1. Aanvraag
13. De aanvraag tot vrijstelling moet worden ingediend bij de bevoegde diensten van de AAD (Administratie Operaties), voorafgaand aan enige invoer. Ook de aanvraag tot erkenning voor invoeren in het kader van desbetreffende ramp moet worden ingediend bij de bevoegde diensten van de AAD (Administratie Operaties). Dit kan tegelijkertijd met de aanvraag tot vrijstelling ingediend worden
De invoer van goederen moet altijd geschieden door middel van een schriftelijke douaneaangifte (ED): de in de artikelen 135, 138 en 141 van het UCC-DA bedoelde handelingen zijn voor dergelijke invoer altijd ambtshalve uitgesloten (mondelinge aangifte, gebruik van het groene kanaal, eenvoudige grensoverschrijding) net zoals de systemen van vereenvoudigde aangifte voor de invoer in het kader van e-commerce.
6.2. Lijst
14. Bij de aanvraag om vrijstelling moet een lijst worden gevoegd van de goederen (met opgave van de hoeveelheid, de GN-code of een duidelijke omschrijving van de goederen) waarvoor om vrijstelling wordt verzocht (in elektronisch formaat): deze lijst zal in digitale vorm als bijlage bij de elektronische aanvraag worden gevoegd.
Uit deze lijst moet duidelijk blijken of de goederen bestemd zijn om gratis aan de slachtoffers te worden uitgedeeld, dan wel of zij gratis ter beschikking worden gesteld van de slachtoffers van dergelijke rampen terwijl zij eigendom blijven van de betrokken instellingen, dan wel of de goederen door de hulpverleningseenheden worden ingevoerd om in hun behoeften tijdens hun interventie te voorzien.
Indien de zending goederen bevat die voor meer dan een van deze doeleinden kunnen worden gebruikt, moet de bestemming van de goederen duidelijk voor elk soort goederen worden aangegeven.
6.3. Verbintenis
15. De aanvankelijke toekenning van vrijstelling door België is afhankelijk van de ontvangst door de AAD van een verbintenis van alle begunstigde instellingen om de rechten en heffingen te betalen die verschuldigd zouden worden op basis van de definitieve beoordeling van de Commissie, overeenkomstig de artikelen 75, 78 en 79 van de Verordening DV. Deze verbintenis moet vóór elke invoer worden neergelegd.
Deze door de Verordening DV vereiste verbintenis is geen vrijstelling van zekerheidstelling. Derhalve dient er een zekerheid overeenkomstig de regels van het DWU te worden gesteld ter dekking van het bedrag van de rechten en de btw die door alle invoerende instellingen en begunstigden van de vrijstelling zijn geschorst. De gebruikelijke regels inzake zekerheid zijn in dit geval van toepassing.
Van de instellingen zal er altijd een zekerheid worden geëist die 100 % van de rechten en btw dekt, zelfs als zij erkend zijn, indien zij wegens hoogdringendheid tot de invoer overgaan vooraleer de AAD in het bezit is van hun verbintenis. Er wordt echter geen zekerheidstelling voor opgeschorte rechten en heffingen geëist voor de staatsinstellingen of de begunstigde openbare instellingen (overeenkomstig artikel 89, lid 7 UCC).
6.4. Gebruik van goederen na invoer
6.4.1. Goederen bestemd voor hulp aan getroffen bevolking
16. Goederen die bestemd zijn om de bevolking waarvoor de vrijstelling is verleend te helpen (als bedoeld in artikel 74, lid 1, sub a), van de Verordening DV), mogen door de instellingen die de vrijstelling genieten, niet worden uitgeleend, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, zonder dat de AAD vooraf daarvan in kennis is gesteld (art. 78 van Verordening DV). De Administratie Operaties van AAD moet derhalve elektronisch (per e-mail aan da.ops.douane1@minfin.fed.be) in kennis worden gesteld van elke wijziging van bestemming van de goederen of wijziging van instelling, voordat het gebruik van de vrijgestelde goederen of de instelling wordt gewijzigd.
In geval van een lening, verhuur of overdracht aan een instelling die eveneens krachtens artikel 74 voor de vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoelde instelling de uitrusting gebruikt voor doeleinden welke op het verlenen van deze vrijstelling recht geven.
Voorbeeld: "Artsen Zonder Grenzen" beslist om na afloop van de hulpactie de tenten waarin de slachtoffers van de ramp zijn opgevangen, over te dragen aan het Rode Kruis, dat ter plaatse blijft. Deze overdracht is toegestaan voor zover het Rode Kruis een erkende instelling is.
In alle overige gevallen mag het uitlenen, verhuren of overdragen pas plaatsvinden na voorafgaande betaling van de rechten bij invoer, tegen het op de datum van het uitlenen, verhuren of overdragen van kracht zijnde tarief, zulks naar de soort en op grondslag van de douanewaarde die op die datum door de AAD als juist zijn erkend of aanvaard (art. 79 van Verordening DV).
Voorbeeld: een ziekenhuis dat de gewonden van de ramp heeft behandeld, heeft de extra bedden niet meer nodig en wil ze verkopen aan een handelaar in ziekenhuismateriaal. Deze overdracht kan niet kosteloos geschieden: er zijn rechten en btw verschuldigd.
6.4.2. Goederen bestemd ter dekking van de behoeften van de hulpverlenende eenheden
17. Goederen die bestemd zijn om te voorzien in de behoeften van hulpverlenende eenheden (en die bedoeld zijn in artikel 74, lid 1, sub b), van de Verordening DV) mogen, nadat zij niet langer door deze teams worden gebruikt, niet worden uitgeleend, verhuurd of overgedragen, noch onder bezwarende titel noch om niet, zonder voorafgaande kennisgeving aan de AAD
De Administratie Operaties van AAD moet derhalve elektronisch (per e-mail aan da.ops.douane1@minfin.fed.be) in kennis worden gesteld van elke wijziging van bestemming of instelling, voordat het gebruik van de vrijgestelde goederen of de instelling wordt gewijzigd.
In geval van een lening, verhuur of overdracht aan een instelling die krachtens artikel 74 (of in voorkomend geval krachtens artikel 61, lid 1 sub a) van de Verordening DV), voor de vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoelde instelling de goederen gebruikt voor doeleinden welke op het verlenen van deze vrijstelling recht geven.
In alle overige gevallen mag het uitlenen, verhuren of overdragen pas plaatsvinden na voorafgaande betaling van de rechten bij invoer, tegen het op de datum van het uitlenen, verhuren of overdragen van kracht zijnde tarief, zulks naar de soort en op grondslag van de douanewaarde die op die datum door de AAD als juist zijn erkend of aanvaard (art. 79 van Verordening DV).
6.4.3. Instellingen die niet langer voldoen aan de voorwaarden
18. Begunstigde instellingen die niet langer voldoen aan de voorwaarden om de vrijstelling te genieten, of die van plan zijn de goederen die met vrijstelling van rechten zijn ingevoerd voor andere doeleinden te gebruiken dan die waarvoor zij bestemd waren, dienen de douaneautoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis te stellen (art. 80, lid 1 van Verordening DV). Dit gebeurt per email naar de Administratie OPS - centrale component (da.ops.douane1@minfin.fed.be).
19. Wanneer instellingen die niet langer voldoen aan de voorwaarden om voor vrijstelling in aanmerking te komen, de ingevoerde goederen overdragen aan een instelling die krachtens artikel 74 van de Verordening DV (of in voorkomend geval krachtens artikel 61, lid 1 sub a) van de Verordening DV) voor de vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoelde instelling de goederen gebruikt voor doeleinden welke op het verlenen van dergelijke vrijstelling recht geven. Wanneer deze goederen worden overgedragen aan een instelling die niet voldoet aan de voorwaarden om voor een vrijstelling in aanmerking te komen, worden de genoemde goederen onderworpen aan de toepassing van de daarvoor geldende rechten bij invoer, tegen het tarief dat van kracht is op de datum waarop aan genoemde voorwaarden niet langer wordt voldaan, zulks naar de soort en op de grondslag van de douanewaarde die op die datum door de AAD als juist zijn erkend of aanvaard (Art. 80 §2 Verordening DV).
20. Goederen die in het bezit blijven van instellingen die niet langer voldoen aan de voorwaarden om voor vrijstelling in aanmerking te komen, worden onderworpen aan de toepassing van de daarvoor geldende rechten bij invoer, tegen het tarief dat van kracht is op de datum waarop zij voor andere doeleinden worden aangewend, zulks naar de soort en op de grondslag van de douanewaarde die op die datum door de AAD als juist zijn erkend of aanvaard (art. 80, lid 3, Verordening DV).
6.5. Controle
21. Voorafgaand aan het al dan niet goedkeuren van de aanvragende organisatie, wordt een controle uitgevoerd van de vrijstellingsvoorwaarden en de geschiktheid van de aanvrager. A posteriori moet de aanwezigheid van alle informatie die nodig is om aan de vereisten van de DG TAXUD te voldoen, alsook het al dan niet correcte gebruik van de met vrijstelling ingevoerde goederen, worden geverifieerd met het oog op de mededeling ervan aan de Europese Commissie.
6.6. Rapportering aan de Commissie
22. De Europese Commissie neemt in haar beschikking tot toekenning van de vrijstelling de verplichting op om statistieken over de betreffende invoer en bijkomende informatie te verstrekken. Deze worden opgesteld door de dienst Gegevensbeheer.
Deze verplichte gegevens omvatten onder meer de maandelijkse invoerstatistieken gedurende de gehele geldigheidsduur van de vrijstelling, de juiste namen van de begunstigden, de identificatie van de ingevoerde goederen, de data en hoeveelheden van de invoer onder schorsing van rechten en heffingen, m.a.w. alle informatie die de Commissie voor haar analyse nodig heeft. In haar beschikking stelt de Commissie ook de termijnen vast waarbinnen deze informatie moet worden verstrekt. Indien deze informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt, loopt België het risico op een ingebrekestelling en op de verplichte betaling van de desbetreffende rechten.
7. Bepalingen inzake btw
7.1. Algemeen
23. Net als voor de invoerrechten kunnen goederen die ten bate van slachtoffers van rampen worden ingevoerd, volledig vrij van btw worden ingevoerd, binnen de grenzen en onder de voorwaarden van artikel 25 van Koninklijk Besluit nr. 7 van 29 december 1992.
De bepalingen van dat artikel van het KB zijn inhoudelijk identiek aan die van de Verordening DV.
7.2. Toepassingsmodaliteiten
24. De toepassingsmodaliteiten inzake invoerrechten zijn "mutatis mutandis" van toepassing op de btw.
8. Accijnzen
25. Er bestaat geen vrijstelling van accijnzen voor de invoer van goederen ten bate van slachtoffers van rampen.
9. Samenvattende tabel
26.
Toekenningsvoorwaarden voor de vrijstelling bij RAMPEN | |
Begunstigden |
- Overheidsinstellingen, openbare instellingen en andere publiekrechtelijke instellingen - Organisaties die door de bevoegde overheden van de lidstaten zijn erkend - Hulpverlenende eenheden ("disaster relief agencies") met erkenning voor zover ze geen overheidsinstellingen zijn |
Bestemming van de goederen |
a) Kosteloze verdeling door begunstigde organisaties aan slachtoffers van rampen. b) Gratis terbeschikkingstelling aan slachtoffers van rampen, terwijl de goederen eigendom blijven van de begunstigde organisaties. c) Voldoen aan de behoeften van de hulpverlenende eenheden en hun personeel. |
Type goederen |
De goederen op de lijst van de beschikking van de Europese Commissie. In afwachting van deze beschikking, de goederen die op de lijst van de AAD staan of, indien zij niet op deze lijst staan, vóór invoer verplicht aan te vragen bij de AAD |
Gebruik | Geen bruikleen, verhuur of overdracht tegen bezwarende titel of om niet, BEHALVE met voorafgaande toestemming van de AAD (vrijstelling gehandhaafd indien aan een erkende instelling en uitsluitend voor hetzelfde doel). |
Geldigheidsduur | Beperkt tot de tijd die nodig is om de gevolgen van de ramp te bestrijden. De definitieve en volledige termijn moet door de Europese Commissie worden vastgesteld. |
Verbintenis |
Verbintenis om rechten en heffingen te betalen Voor en door alle begunstigden |
Zekerheid |
Vrijstelling alleen voor overheidsinstanties Verplicht voor anderen |
Uitsluitingen | Materiaal en materieel bestemd voor de wederopbouw in rampgebieden |
Btw | Identieke bepalingen als deze inzake douanerechten |
Accijnzen | Geen vrijstelling |
10. Slotbepalingen
27. Deze circulaire vervangt de vroegere wettelijke en reglementaire bepalingen (en de commentaren ervan) van Hoofdstuk I, Titel XVI, punt C (Vrijstelling voor goederen die worden ingevoerd ten bate van slachtoffers van rampen) van de Instructie Definitieve Vrijstellingen 1984 – DI 510.0 en heft de genoemde bepalingen op.
Voor de administrateur-generaal van de douane en accijnzen
Jo Lemaire
Adviseur-generaal
_____________________
Réf : D.I. 510.169/EOS/DD 018.792
BIJLAGEN
Bijlage I : Artikels 74 t/m 80 van de VERORDENING (EG) Nr. 1186/2009 VAN DE RAAD van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen
Artikel 74
1. Behoudens de artikelen 75 tot en met 80 zijn van rechtenbij invoer vrijgesteld goederen die worden ingevoerd dooroverheids- of andere instellingen met een liefdadig of filantropischkarakter, welke door de bevoegde autoriteiten zijn erkend, teneinde:
a) gratis te worden verstrekt aan slachtoffers van rampen waardoor het grondgebied van een of meer lidstaten werd getroffen, of
b) gratis ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffersvan dergelijke rampen, doch eigendom van de betrokkeninstellingen blijven.
2. De in lid 1 bedoelde vrijstelling geldt onder dezelfde voorwaarden ook voor goederen die door hulpeenheden voor het vrijeverkeer worden ingevoerd om voor de duur van hun bijstand inhun behoeften te voorzien.
Artikel 75
De vrijstelling wordt niet verleend voor materiaal en materieelbestemd voor de wederopbouw in rampgebieden.
Artikel 76
De vrijstelling wordt pas verleend nadat de Commissie, op verzoek van de betrokken lidstaat of lidstaten, volgens een urgentieprocedure die mede voorziet in overleg met de andere lidstaten, een beschikking heeft vastgesteld. In deze beschikking worden zonodig de omvang en de voorwaarden voor de toepassing van devrijstelling vastgesteld.
In afwachting van de kennisgeving van de beschikking van deCommissie, kunnen de door een ramp getroffen lidstaten toestemming geven de goederen voor de in artikel 74 genoemdedoeleinden in te voeren met schorsing van de betrokken rechtenbij invoer, mits de invoerende instelling zich ertoe verbindt dezete betalen indien geen vrijstelling wordt toegekend.
Artikel 77
De vrijstelling wordt slechts verleend aan instellingen waarvan deboekhouding het de bevoegde autoriteiten mogelijk maakt de verrichtingen te controleren en die alle nodig geachte garantiesbieden.
Artikel 78
1. De in artikel 74, lid 1, bedoelde goederen mogen door deorganisaties die voor vrijstelling in aanmerking komen, niet onderandere voorwaarden dan die van genoemd artikel worden uitgeleend, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet wordenovergedragen, zonder dat de bevoegde autoriteiten daarvan voorafin kennis zijn gesteld.
2. Indien de goederen worden uitgeleend, verhuurd of overgedragen aan een organisatie die krachtens artikel 74 voor vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voorzover bedoelde instelling de betrokken goederen gebruikt voordoeleinden welke recht geven op het verlenen van deze vrijstelling.
In de overige gevallen mag het uitlenen, verhuren of overdragenpas plaatsvinden na de voorafgaande betaling van de rechten bijinvoer, tegen het op de datum van het uitlenen, verhuren of overdragen van kracht zijnde tarief, zulks naar de soort en op degrondslag van de douanewaarde die op die datum door debevoegde autoriteiten als juist zijn erkend of aanvaard.
Artikel 79
1. De in artikel 74, lid 1, onder b), bedoelde goederen mogen, wanneer zij niet meer worden gebruikt door de slachtoffers vanrampen, niet worden uitgeleend, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, zonder dat debevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis zijn gesteld.
2. Indien de goederen worden uitgeleend, verhuurd of overgedragen aan een organisatie die krachtens artikel 74 voor vrijstelling in aanmerking komt, of, eventueel, aan een organisatie diekrachtens artikel 61, lid 1, onder a), voor vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoeldeorganisaties de betrokken goederen gebruiken voor doeleindenwelke recht geven op dergelijke vrijstellingen.
In de overige gevallen mag het uitlenen, verhuren of overdragenpas plaatsvinden na de voorafgaande betaling van de rechten bijinvoer, tegen het op het tijdstip van het uitlenen, verhuren ofoverdragen van kracht zijnde tarief, zulks naar de soort en op degrondslag van de douanewaarde die op die datum door debevoegde autoriteiten als juist zijn erkend of aanvaard.
Artikel 80
1. De in artikel 74 bedoelde organisaties die niet langer voldoen aan de voorwaarden om voor vrijstelling in aanmerking tekomen of die de met vrijstelling ingevoerde goederen voor anderedoeleinden willen gebruiken dan bedoeld in genoemd artikel, dienen de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen.
2. Wanneer goederen die in het bezit blijven van organisatiesdie niet langer voldoen aan de voorwaarden om voor vrijstellingin vrijstellingin aanmerking te komen, worden overgedragen aan een organisatie die krachtens artikel 74 voor vrijstelling in aanmerking komtof, eventueel, aan een organisatie die krachtens artikel 61, lid 1, onder a), voor vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoelde organisatie de betrokken goederen gebruikt voor doeleinden welke recht geven op dergelijkevrijstellingen. In de overige gevallen zijn de genoemde goederenonderworpen aan de toepassing van de daarvoor geldende rechten bij invoer, tegen het tarief dat van kracht is op de datumwaarop aan genoemde voorwaarden niet langer wordt voldaan, zulks naar de soort en op de grondslag van de douanewaarde dieop die datum door de bevoegde autoriteiten als juist zijn erkendof aanvaard.
3. Goederen die door de organisatie die vrijstelling geniet, worden gebruikt voor andere doeleinden dan bedoeld in artikel 74, zijn onderworpen aan de toepassing van de daarvoor geldenderechten bij invoer, tegen het tarief dat van kracht is op de datumwaarop zij voor een ander gebruik worden aangewend, zulks naarde soort en op de grondslag van de douanewaarde die op diedatum door de bevoegde autoriteiten als juist zijn erkend ofaanvaard.
Bijlage II : Artikel 27°van de Koninklijk besluit nr. 7, van 29 december 1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde
Artikel 27
§ 1. Vrijstelling van de belasting wordt verleend voor de definitieve invoer van:
1° goederen die worden ingevoerd door overheids- of andere instellingen met een liefdadig of filantropisch karakter, welke door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde zijn erkend, ten einde:
a) hetzij gratis te worden verstrekt aan slachtoffers van rampen waardoor het grondgebied van één of meer lidstaten werd getroffen;
b) hetzij gratis ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van dergelijke rampen, doch eigendom van de betrokken instellingen blijven;
2° goederen die door hulpeenheden onder dezelfde voorwaarden als die gesteld onder 1° worden ingevoerd om voor de duur van hun bijstand in hun behoeften te voorzien.
§ 2. De vrijstelling wordt niet verleend voor materiaal en materieel bestemd voor de wederopbouw in rampgebieden.
§ 3. De vrijstelling wordt pas verleend nadat de Europese Commissie een beschikking heeft vastgesteld.
In afwachting van de kennisgeving van de beschikking van de Commissie kan toestemming worden gegeven om de goederen voor de in paragraaf 1 genoemde doeleinden in te voeren met schorsing van de betrokken belasting, mits de invoerende instelling zich ertoe verbindt deze te betalen indien geen vrijstelling wordt toegekend.
§ 4. De vrijstelling wordt slechts verleend aan instellingen waarvan de boekhouding het de administratie mogelijk maakt de verrichtingen te controleren en die alle nodig geachte garanties bieden.
§ 5. De in paragraaf 1, 1°, bedoelde goederen mogen door de organisaties die voor vrijstelling in aanmerking komen niet onder andere voorwaarden dan die van genoemde paragraaf worden uitgeleend, verhuurd of overgedragen noch onder bezwarende titel noch om niet, zonder dat de administratie daarvan vooraf in kennis is gesteld.
Indien de goederen worden uitgeleend, verhuurd of overgedragen aan een organisatie die krachtens paragraaf 1 voor vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoelde instelling de betrokken goederen gebruikt voor doeleinden welke recht geven op het verlenen van deze vrijstelling.
In de overige gevallen mag het uitlenen, verhuren of overdragen pas plaatsvinden na de voorafgaande betaling van de belasting, tegen het op het tijdstip van het uitlenen, verhuren of overdragen van kracht zijnde tarief en over de op diezelfde datum vastgestelde maatstaf van heffing.
§ 6. De in paragraaf 1, 1°, b), bedoelde goederen mogen, wanneer zij niet meer worden gebruikt door de slachtoffers van rampen, niet worden uitgeleend, verhuurd of overgedragen noch onder bezwarende titel noch om niet, zonder dat de administratie daarvan vooraf in kennis is gesteld.
Indien de goederen worden uitgeleend, verhuurd of overgedragen aan een organisatie die krachtens paragraaf 1 voor vrijstelling in aanmerking komt of, eventueel, aan een organisatie die krachtens artikel 25, § 1, 1°, voor vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoelde organisaties de betrokken goederen gebruiken voor doeleinden welke recht geven op het verlenen van dergelijke vrijstellingen.
In de overige gevallen mag het uitlenen, verhuren of overdragen pas plaatsvinden na de voorafgaande betaling van de belasting, tegen het op het tijdstip van het uitlenen, verhuren of overdragen van kracht zijnde tarief en over de op diezelfde datum vastgestelde maatstaf van heffing.
§ 7. De in paragraaf 1 bedoelde organisaties die niet langer voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling of die de voor vrijstelling in aanmerking genomen goederen voor andere doeleinden willen gebruiken dan bedoeld in genoemde paragraaf, dienen de administratie daarvan in kennis te stellen.
Wanneer goederen die in het bezit blijven van organisaties die niet langer voldoen aan de voorwaarden om voor vrijstelling in aanmerking te komen, worden overgedragen aan een organisatie die krachtens het bepaalde in dit artikel voor vrijstelling in aanmerking komt, of eventueel, aan een organisatie die krachtens artikel 25, §§ 1 en 2, voor vrijstelling in aanmerking komt, blijft de vrijstelling van kracht voor zover bedoelde organisatie de betrokken goederen gebruikt voor doeleinden welke recht geven op dergelijke vrijstellingen. In de overige gevallen zijn de genoemde goederen onderworpen aan de toepassing van de belasting, tegen het tarief dat van kracht is op de datum waarop aan genoemde voorwaarden niet langer wordt voldaan en over de op diezelfde datum vastgestelde maatstaf van heffing.
§ 8. De goederen die door de organisatie die vrijstelling geniet worden gebruikt voor andere doeleinden dan bedoeld in dit artikel, zijn onderworpen aan de toepassing van de belasting, tegen het tarief dat van kracht is op de datum waarop zij voor een ander gebruik worden aangewend en over de op diezelfde datum vastgestelde maatstaf van heffing
Bijlage III : Artikel 40; §1, 1, b van de BTW Wetboek
§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld:
1° de invoer en de intracommunautaire verwerving:
a) …
b) van goederen die een definitieve vrijstelling genieten op grond van de door de
Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering;
…Annexe 1 : Articles 74 à 80, du Règlement (CE) n° 1186/2009 du Conseil du 16 novembre 2009 relatif à l’établissement du régime communautaire des franchises douanières.« Article 741. Sont admises en franchise de droits à l’importation, sous réserve des dispositions des articles 75 à 80, les marchandises importées par des organismes d’État ou par d’autres organismes à caractère charitable ou philanthropique agréés par les autorités compétentes en vue :a) soit d’être distribuées gratuitement à des victimes de catastrophes affectant le territoire d’un ou de plusieurs États membres ;b) soit d’être mises gratuitement à la disposition des victimes de telles catastrophes tout en restant la propriété des organismes considérés.2. Sont également admises au bénéfice de la franchise visée au paragraphe 1, et dans les mêmes conditions, les marchandises importées pour la libre pratique par les unités de secours pour couvrir leurs besoins pendant la durée de leur intervention.Article 75Sont exclus de la franchise les matériaux et les matériels destinés à la reconstruction des zones sinistrées.Article 76L’octroi de la franchise est subordonné à une décision de la Commission statuant, à la demande du ou des États membres concernés, selon une procédure d’urgence comportant la consultation des autres États membres. Si nécessaire, cette décision fixe la portée et les conditions d’application de la franchise.Dans l’attente de la notification de la décision de la Commission, les États membres touchés par une catastrophe peuvent autoriser l’importation des marchandises aux fins prévues à l’article 74 en suspension des droits à l’importation y afférents, moyennant l’engagement de l’organisme importateur de les acquitter si la franchise n’est pas accordée.Article 77La franchise n’est accordée qu’aux organismes dont les écritures permettent aux autorités compétentes de contrôler les opérations et qui offrent toutes les garanties estimées nécessaires.Article 781. Les marchandises visées à l’article 74, paragraphe 1, ne peuvent faire l’objet, de la part des organismes bénéficiaires de la franchise, d’un prêt, d’une location ou d’une cession à titre onéreux ou à titre gratuit dans des conditions autres que celles prévues audit article, sans que les autorités compétentes en aient été préalablement informées.2. En cas de prêt, location ou cession à un organisme fondé à bénéficier de la franchise en application de l’article 74, la franchise reste acquise pour autant que celui-ci utilise les marchandises en cause à des fins ouvrant droit à l’octroi de cette franchise.Dans les autres cas, la réalisation du prêt, de la location ou de la cession est subordonnée au paiement préalable des droits à l’importation selon le taux en vigueur à la date du prêt, de la location ou de la cession, d’après l’espèce et sur la base de la valeur en douane reconnues ou admises à cette date par les autorités compétentes.Article 791. Les marchandises visées à l’article 74, paragraphe 1, point b), ne peuvent, après cessation de leur utilisation par les victimes de catastrophes, être prêtées, louées ou cédées à titre onéreux ou à titre gratuit, sans que les autorités compétentes en aient été préalablement informées.2. En cas de prêt, location ou cession à un organisme fondé à bénéficier de la franchise en application de l’article 74 ou, le cas échéant, à un organisme fondé à bénéficier de la franchise en application de l’article 61, paragraphe 1, point a), la franchise reste acquise pour autant que ceux-ci utilisent les marchandises en cause à des fins ouvrant droit à l’octroi de telles franchises.Dans les autres cas, la réalisation du prêt, de la location ou de la cession est subordonnée au paiement préalable des droits à l’importation selon le taux en vigueur à la date de prêt, de la location ou de la cession, d’après l’espèce et sur la base de la valeur en douane reconnues ou admises à cette date par les autorités compétentes.Article 801. Les organismes visés à l’article 74 qui ne remplissent plus les conditions requises pour bénéficier de la franchise, ou qui envisagent d’utiliser les marchandises admises en franchise à des fins autres que celles prévues par ledit article, sont tenus d’en informer les autorités compétentes.2. Pour les marchandises demeurant en la possession des organismes qui cessent de remplir les conditions requises pour bénéficier de la franchise, lorsqu’elles sont cédées à un organisme fondé à bénéficier de la franchise en application de l’article 74 ou, le cas échéant, à un organisme fondé à bénéficier de la franchise en application de l’article 61, paragraphe 1, point a), la franchise reste acquise pour autant que celui-ci utilise les marchandises en cause à des fins ouvrant droit à l’octroi de telles franchises. Dans les autres cas, lesdites marchandises sont soumises à l’application des droits à l’importation qui leur sont propres, selon le taux en vigueur à la date à laquelle lesdites conditions cessent d’être remplies, d’après l’espèce et sur la base de la valeur en douane reconnues ou admises à cette date par les autorités compétentes.3. Les marchandises utilisées par l’organisme bénéficiaire de la franchise à des fins autres que celles prévues à l’article 74 sont soumises à l’application des droits à l’importation qui leur sont propres, selon le taux en vigueur à la date à laquelle elles sont utilisées à un autre usage, d’après l’espèce et sur la base de la valeur en douane reconnues ou admises à cette date par les autorités compétentes. »Annexe 2 : Article 27 de l’A.R. n°7 du 29 décembre 1992 en matière de TVAArticle 27
§ 1er. Sont admis définitivement en exonération de la taxe :1° les biens importés par des institutions publiques ou par d'autres organismes à caractère charitable ou philanthropique agréés par le Ministre des Finances ou son délégué, en vue :a) soit d'être distribués gratuitement à des victimes de catastrophes affectant le territoire d'un ou de plusieurs Etats membres ;b) soit d'être mis gratuitement à la disposition des victimes de telles catastrophes tout en restant la propriété des organismes considérés ;2° les biens importés dans les mêmes conditions que sous 1° par les unités de secours pour couvrir leurs besoins pendant la durée de leur intervention.§ 2. Sont exclus de l'exonération les matériaux et les matériels destinés à la reconstruction des zones sinistrées.§ 3. L'octroi de l'exonération est subordonné à une décision de la Commission européenne. Dans l'attente de la notification de la décision de la Commission, l'importation des biens peut être autorisée aux fins prévues au paragraphe 1er en suspension de la taxe y afférente, moyennant l'engagement de l'organisme importateur de l'acquitter si l'exonération n'est pas accordée.§ 4. L'exonération n'est accordée qu'aux organismes dont les écritures permettent à l'administration de contrôler leurs opérations et qui offrent toutes les garanties estimées nécessaires.§ 5. Les biens visés au paragraphe 1er, 1°, ne peuvent faire l'objet de la part des organismes bénéficiaires de l'exonération d'un prêt, d'une location ou d'une cession à titre onéreux ou à titre gratuit dans des conditions autres que celles prévues audit paragraphe, sans que l'administration en ait été préalablement informée.En cas de prêt, location ou cession à un organisme fondé à bénéficier de la franchise en application du paragraphe 1er, l'exonération reste acquise pour autant que celui-ci utilise les marchandises en cause à des fins ouvrant droit à l'octroi de cette exonération.Dans les autres cas, la réalisation du prêt, de la location ou de la cession est subordonnée au paiement préalable de la taxe, selon le taux en vigueur et sur la base d'imposition établie à la date du prêt, de la location ou de la cession.§ 6. Les biens visés au paragraphe 1er, 1°, b), ne peuvent après cessation de leur utilisation par les victimes de catastrophes, être prêtés, loués ou cédés à titre onéreux ou à titre gratuit, sans que l'administration en ait été préalablement informée.En cas de prêt, location ou cession à un organisme fondé à bénéficier de l'exonération en application du paragraphe 1er ou le cas échéant, à un organisme fondé à bénéficier de l'exonération en application de l'article 25, § 1er, 1°, l'exonération reste acquise pour autant que ceux-ci utilisent les biens en cause à des fins ouvrant droit à l'octroi de telles exonérations.Dans les autres cas, la réalisation du prêt, de la location ou de la cession est subordonnée au paiement préalable de la taxe, selon le taux en vigueur et sur la base d'imposition établie à la date du prêt, de la location ou de la cession.§ 7. Les organismes visés au paragraphe 1er qui ne remplissent plus les conditions requises pour bénéficier de l'exonération, ou qui envisagent d'utiliser les biens admis en exonération à des fins autres que celles prévues par ledit paragraphe, sont tenus d'en informer l'administration.Pour les biens demeurant en la possession des organismes qui cessent de remplir les conditions requises pour bénéficier de l'exonération, lorsqu'ils sont cédés à un organisme fondé à bénéficier de l'exonération en application du présent article ou, le cas échéant, à un organisme fondé à bénéficier de l'exonération en application de l'article 25, §§ 1er et 2, l'exonération reste acquise pour autant que celui-ci utilise les biens en cause à des fins ouvrant droit à l'octroi de telles exonérations. Dans les autres cas, lesdits biens sont soumis à l'application de la taxe, selon le taux en vigueur et sur la base d'imposition établie à la date à laquelle lesdites conditions cessent d'être remplies.§ 8. Les biens utilisés par l'organisme bénéficiaire de l'exonération à des fins autres que celles prévues au présent article sont soumis à l'application de la taxe, selon le taux en vigueur et sur la base d'imposition établie à la date à laquelle ils sont utilisés à un autre usage. »Annexe 3 : Article 40, §1er, 1er, b du Code de la TVA§ 1er. Sont exemptées de la taxe :1° les importations et les acquisitions intracommunautaires :a) …b) de biens qui bénéficient d'une franchise définitive sur base de la réglementation édictée par les Communautés européennes ;
…
_____________________
Réf : C.D. 510.169/EOS/DD xxx.xxx
[1] Hierbij wordt erop gewezen dat de Europese Commissie deze definitie naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne heeft uitgebreid: in dit kader van de hulp aan Oekraïne worden voortaan alle goederen die nodig zijn om de slachtoffers van rampen te helpen, aanvaard indien de verdeling ervan voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling.
