01.10.2015 - Omzendbrief D.I. 537.02 - D.D. 277.560

Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Dienst Operationele Expertise Ondersteuning (OEO) Expertise Wet- Regelgeving

Afdeling Douanewetgeving

EXPORT CONTROL SYSTEM (ECS) EUROPEES SYSTEEM VOOR CONTROLE OP DE UITVOER

D.I. 537.02

D.D. 011.917

Bijlagen : 15 Brussel, 1 oktober 2015.

SUPPLEMENT 2

  1. De omzendbrief nr. D.D. 277.560 van 25 juli 2007 betref- fende het Export Control System (ECS) (D.I. 537.02) moet worden gewijzigd om het hoofdstuk inzake alternatief bewijs in overeen- stemming te brengen met de bepalingen van artikel 796 quinquies bis van de toepassingsbepalingen van het Communautair douanewet- boek.

Tevens wordt de term “gewaarmerkt” verduidelijkt.

Voorts wordt de aandacht gevestigd op de bepalingen van de omzendbrief nr. D.D. 011.471 van 22 mei 2015 betreffende uitvoer van goederen – bevoegdheid van de kantoren (D.I. 537.02), in het bijzonder inzake de afwijkingen op het algemene principe voor het indienen van uitvoeraangiften op het principieel bevoegde hulpkan- toor, zoals opgenomen in artikel 161, § 5 van het Communautair douanewetboek


Ten slotte worden de oude modellen van het uitvoer- geleidedocument (UGD) en de lijst van artikelen, evenals hun toelichtingen, verwijderd aangezien de overgangsperiode, waarbij zowel de oude als de nieuwe modellen aanvaard konden worden, verstreken is.

  1. De overige wijzigingen behoeven geen commentaar.
  1. Bijgevolg dient de voormelde omzendbrief als volgt te worden bijgewerkt :

- de bladen 1 t/m 21 en de bijlagen 2 t/m 5 bis vervangen door de bijgaande bladen.

Voor de Administrateur-generaal van de Douane en Accijnzen, Joëlle DELVAUX

Adviseur-generaal dd


BELASTINGEN EN INVORDERING

Administratie der Douane en Accijnzen

DOUANEPROCEDURES

EXPORT CONTROL SYSTEM (ECS) EUROPEES SYSTEEM VOOR CONTROLE OP DE UITVOER

D.I. 537.02

D.D. 293.256

Bijlagen : 26 Brussel, 1 september 2009.

SUPPLEMENT 1

  1. De omzendbrief nr. D.D. 277.560 van 25 juli 2007 betref- fende het export control system (ECS) (D.I. 537.02) moet worden gewijzigd omdat vanaf 23 september 2009 in België de aangifte- formaliteiten bij uitvoer verplicht elektronisch met gebruikmaking van PLDA moeten plaatsvinden.

Bovendien moet voor wat betreft de formaliteiten en de verrichtingen die op douanekantoor van uitgang in de Belgische havens moeten plaatsvinden de voor het vaststellen van het uitgaan van de ten uitvoer aangegeven goederen te volgen procedure gedetailleerder worden uitgelegd.

Voorts worden de in geval van de noodprocedure te gebrui- ken begeleidingsdocumenten gecommentarieerd die bij de uitvoer- procedure worden gebruikt.


  1. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat in de voormelde omzend- brief als volgt moet worden bijgewerkt :

- de bladen 1 tot 17 en bijlage 1 vervangen door de bijgaande bladen;

- de nieuwe bijlagen 2 bis, 3 bis, 4 bis, 5 bis en 6 tot 13 in-

lassen.

Voor de Administrateur Douane en Accijnzen : De Directeur, diensthoofd,

G. CAPIAU


SUPPLEMENTEN

Volg- nummer

Nr. en datum

1

1 september 2009 - D.D. 293.256

2

1 oktober 2015 – D.D. 011.917

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20


Federale Overheidsdienst FINANCIEN

Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Dienst Operationele Expertise Ondersteuning (OEO) Expertise Wet- Regelgeving

Afdeling Douanewetgeving

EXPORT CONTROL SYSTEM (ECS) EUROPEES SYSTEEM VOOR CONTROLE OP DE UITVOER

D.I. 537.02

D.D. 277.560

Bijlagen : 5 Brussel, 25 juli 2007.

1. WETTELIJKE BASIS

De Verordening (EG) Nr. 1875/2006 van de Commissie van 18 december 2006 (PB nr. L 360/2006) tot wijziging van de toepas- singsbepalingen op het Communautair douanewetboek (CTW) heeft, in uitvoering van artikel 182 ter van het gewijzigd Communautair douanewetboek (CDW), een elektronisch systeem voor controle op de uitvoer ingevoerd dat gedurende een overgangsperiode parallel met de op papier gebaseerde uitvoerprocedure werkte.

Bon O.S.D. nr. A/I 127/07


Vanaf 1 juli 2009 liep de overgangsperiode ten einde en moe- ten alle economische operatoren verplicht elektronisch aangeven bij uitvoer. Een aangifte ten uitvoer op papier wordt enkel aanvaard ingeval van noodprocedure. Wegens specifieke omstandigheden wordt deze verplichting in België slechts vanaf 23 september 2009 van toepassing.

Bovendien moeten de uitvoeraangiften vanaf 1 juli 2009 bin- nen een bepaalde termijn bij het bevoegde douanekantoor worden in- gediend en moeten ze de veiligheidsgegevens bevatten, teneinde een risicoanalyse op het gebied van de veiligheid te kunnen verrichten.

  1. ECS (Export Control System) is voorzien in het “Multi-an- nual Strategic Plan” (d.w.z. het meerjarig strategisch plan) dat, op voorstel van de Commissie, werd goedgekeurd op het niveau van de Directeurs-Generaal van de 28 lidstaten van de Europese Unie.

Een lijst met de in deze omzendbrief gebruikte letterwoorden wordt opgenomen in bijlage 1.

2. PRINCIPE

  1. ECS laat toe om de uitgang uit het douanegebied van de Europese Unie te controleren door elektronische berichten uit te wisselen tussen het kantoor van uitvoer in de zin van artikel 161 van het CDW en het kantoor van uitgang uit de Unie. Dit systeem is geïnspireerd door het NCTS dat een uitwisseling van berichten voorziet tussen het kantoor van vertrek en het kantoor van bestemming.

Suppl. 2


  1. ECS is bedoeld als een elektronische samenwerkingsproce- dure tussen de lidstaten om het uitgaan uit de Europese Unie van ten uitvoer aangegeven goederen te controleren. Het gebruik van PLDA heeft automatisch voor gevolg dat ECS wordt toegepast. De econo- mische operatoren zullen daarvoor gebruik kunnen maken van PLDA-EDI of van PLDA-Web.

Vanaf 1 juli 2009 moeten overeenkomstig artikel 787 van het CTW, ingevoegd met de Verordening (EG) 1875/2006 van 18 de- cember 2006 (PB nr. L 360/2006) alle economische operatoren ver- plicht elektronisch aangeven bij uitvoer. Wegens specifieke omstan- digheden wordt die verplichting in België slechts vanaf 23 septem- ber 2009 van toepassing.

3. TOEPASSINGSVELD

  1. Het systeem wordt bij directe en bij indirecte uitvoer toege- past. De uitvoeraangiften met veiligheidsgegevens moeten verplichtend elektronisch met gebruikmaking van PLDA worden ingediend.

Onder “indirecte uitvoer” moet worden verstaan :

- enerzijds het vervullen van de uitvoerformaliteiten (met inbegrip van de wederuitvoer en de tijdelijke uitvoer) in de ene lidstaat en

- anderzijds, het vaststellen van de uitgang uit de Europese Unie in een andere lidstaat.

Voorbeelden :

- de uitvoerformaliteiten worden vervuld in Duitsland en het uitgaan uit de Europese Unie wordt vastgesteld in België door het uitgaan via Antwerpen;


- de uitvoerformaliteiten worden in België vervuld en het uit- gaan uit de Europese Unie wordt in Polen vastgesteld.

  1. De toepassing van het systeem ECS voor de directe uitvoer (waarbij de uitvoer- en uitgangsformaliteiten in dezelfde lidstaat plaatsvinden), zal tegelijkertijd als voor de indirecte uitvoer in België worden ingevoerd.

Voorbeeld : Voor de aangifte die via PLDA in België wordt ingezonden met uitgaan langs Antwerpen, zal het ECS eveneens worden toegepast.

  1. Aldus vallen onder het toepassingsveld van ECS :

De volgende soorten aangiften

  • de normale uitvoeraangifte (met inbegrip van de domici- liëringsprocedure)

of

  • de onvolledige of de vereenvoudigde aangifte

voor zover de aangifte elektronisch door de aangever wordt ingege- ven volgens het PLDA systeem.

Dit betekent dat bij noodprocedure ECS niet toegepast wordt.

De volgende bewegingen :

  • uitvoer via PLDA;
  • wederuitvoer via PLDA;
  • tijdelijke uitvoer via PLDA (met inbegrip van passieve ver- edeling).

Zijn dus betrokken de toelichtingen A, C, D en E van het Enig document.

Suppl. 2


4. UITSLUITINGEN

  1. Zijn uitgesloten van het toepassingsveld van ECS :

a) de aangiften op papier (met inbegrip van inschrijving in de voorraadadministratie ingeval van domiciliëring) (de douane brengt de gegevens van de aangiften slechts in PLDA in om de gegevens te registreren voor het CIV (BTW) en de uitvoerstatistiek (NBB);

b) de uitvoeraangiften die in de Europese Unie vervangen worden door een ander document; de goederen verlaten dan de Europese Unie onder dekking van een document voor extern communautair douanevervoer of intern communautair douanevervoer of nog in geval van overladen in een vrije zone;

c) uitvoer in het kader van een grensoverschrijdende vergun- ning die de toepassing van ECS uitsluit;

d) uitvoer met multilaterale overeenkomsten met andere lid- staten in het kader van een vergunning AEO (nog niet van toe- passing);

e) uitvoer per spoor, door de lucht of over zee onder dekking van een enkele vervoersovereenkomst waarvan sprake in artikel 793, 2, b) van het CTW;

f) goederen die onder dekking van de regeling douanevervoer worden verzonden, met als bestemming een derde land of een dou- anekantoor van uitgang;

g) uitvoerbewegingen onder AGD voor accijnsgoederen (het AGD vergezelt de goederen naar het kantoor van uitgang met het oog op de vaststelling via het AGD, van de uitgang uit de Europese Unie);


h) in principe de uitvoer van landbouwproducten vergezeld van een controle-exemplaar T5 (de lidstaten hebben er mee in- gestemd om deze bewegingen op te nemen maar zonder dat dit een verplichtend karakter heeft : dit betekent dat als een bericht uit een andere lidstaat werd verstuurd, het nodig is om deze in België te behandelen maar om eveneens in parallel het controle exemplaar T5 te behandelen aangezien dit exempaar primordiaal is)

(Nochtans wordt deze mogelijkheid met vertrek uit België uitgesloten);

i) uitvoer gecombineerd met een carnet TIR of een car- net ATA;

j) uitvoer door middel van een pijpleiding of elektrische energie;

k) postzendingen;

l) goederen met een waarde minder dan 3.000 EUR;

m) mondelinge aangiften of aangifte door enige andere han-

deling.

5. UITVOERGELEIDEDOCUMENT UGD

  1. Het document dat als ondersteuning voor deze elektro- nische procedure geldt, is het Uitvoergeleidedocument (UGD).

Het uitvoergeleidedocument is uitgebreid met de veiligheids- gegevens en is van toepassing vanaf 1 juli 2009.

Suppl. 2


Dit document UGD mag niet verward worden met het begeleidingsdocument inzake NCTS noch met het exemplaar 3 van de uitvoeraangifte.

Verschillende eenvoudige elementen laten toe om het UGD te herkennen, te weten :

- de naam van het document wordt vertikaal boven aan de linkerkant hernomen;

- de afwezigheid van het vak C (kantoor van vertrek), van het vak 55 (overladingen), van het vak 56 (andere incidenten tijdens het transport), deze vakken dienen voor het douanevervoer en komen dus niet voor op het UGD.

  1. Het model van het UGD is opgenomen in bijlage 2. De toelichting van het UGD is opgenomen in bijlage 3.
  1. Wanneer een uitvoerzending uit meer dan één artikel be- staat, wordt het UGD aangevuld met een lijst van artikelen.

De lijst van artikelen is uitgebreid met de veiligheidsgegevens sinds 1 juli 2009.

Deze lijst maakt integraal deel uit van het UGD.


Het model van de lijst van artikelen is opgenomen in bijlage 4. De toelichting van de lijst van artikelen is opgenomen in bijlage5.

  1. Met toestemming van het enig kantoor kan het UGD vanaf het informaticasysteem van de aangever worden afgedrukt.

6. PROCEDURE

  1. De uitwisselingsprocedure tussen de kantoren van uitvoer en van uitgang werkt zoals voorzien bij §§ 14 tot 29 hierna. Deze omzendbrief behelst enkel de procedure inzake ECS, en niet de elektronische behandeling van ECS via PLDA.

6.1. Taak van het hulpkantoor van uitvoer in België bij de vrijgave

  1. Wanneer PLDA in België het bericht van vrijgave ver- stuurt of de in de vergunning domiciliering voorziene wachttijd ver- streken is, kan de aangever op basis van het vrijgavebericht van PLDA een UGD afdrukken. Voor de goederen die op het hulpkan- toor van uitvoer worden aangeboden, kan de aangever bij de vrijgave van de goederen ook een afdruk vragen van het UGD op het hulp- kantoor.
  1. Bij de vrijgave van de goederen zendt PLDA de gegevens van deze uitvoer door aan het opgegeven douanekantoor van uitgang, met behulp van het bericht “voorafgaand bericht van uitvoer” (VBU). Dit bericht wordt opgesteld aan de hand van de gegevens van de aangifte die via PLDA word ingevoerd en worden in voor- komend geval door de douane aangevuld.

  1. Wanneer de goederen in meer dan één zending naar meer dan één kantoor van uitgang worden vervoerd, wordt elke zending door een afzonderlijk VBU en een afzonderlijk UGD gedekt.

Voorbeeld : als er in Brussel vrijgave gegeven wordt voor goederen waarvan het uitgaan moet gebeuren via Bremen en via Hamburg, moeten er twee VBU’s en 2 UGD’s gecreëerd worden.

  1. Het identificatienummer voor verzending (MRN) (of INV in het Nederlands maar de Engelse versie is gebruikelijker, zodat in het vervolg van de tekst de term MRN wordt gebruikt) wordt mee- gedeeld aan de aangever en vermeld in de rechterbovenhoek van het UGD.

6.2. Taak van het hulpkantoor in België bij uitgang uit de Euro- pese Unie

  1. Het aantal hulpkantoren van uitgang uit de Europese Unie in België is beperkt rekening houdende met de beoogde uitsluitingen in voorgenoemde § 8.

Hierdoor komen enkel de hulpkantoren van de havens en de luchthavens in aanmerking om als kantoor van uitgang op te treden.

  1. De goederenbehandelaar, de vervoerder of een andere per- soon die de op het hulpkantoor van uitgang aangebrachte goederen onder zich heeft, moet het kantoor van uitgang elektronisch op de daartoe bepaalde wijze van de aankomst van de goederen in kennis stellen. Hij kan hiervoor gebruik maken van PLDA-EDI of van PLDA-Web. De kennisgeving bevat de plaats waar de goederen zich bevinden met gebruikmaking van dezelfde UNLOCodes als die ge- bruikt voor het vermelden van de plaats van de goederen in vak 30 van het Enig document. Geen UGD moet daartoe op het kantoor van uitgang worden overgelegd.

  1. In de hulpkantoren van uitgang is het nodig er zich van te vergewissen, door middel van, op risicoinschatting gebaseerde con- troles en volgens de regels bepaald inzake verificatie en de sub- stitutiecontrole inzake landbouwproducten, dat de aangebrachte goe- deren overeenstemmen met de aangegeven goederen aan de hand van het van het kantoor van uitvoer ontvangen VBU.
  1. In de Belgische havens moet de scheepsagent of de goe- derenbehandelaar voor de ten uitvoer aangegeven zendingen, die aan boord van het uitgaand vaartuig werden gebracht, met gebruik- making van PLDA een elektronische ladingslijst insturen waarin de lading wordt gespecifieerd aan de hand van hun verpakking (bij- voorbeeld containernummers) anderszins indien dit niet mogelijk is. De ladingslijst verwijst naar de identificatie van het vaartuig en naar de referentie van de uitvoeraangifte. De douane van het kantoor van uitgang wordt door middel van een met gebruikmaking van PLDA ingezonden bericht door de bevoegde havenautoriteit van het uitgaan van het vaartuig uit het douanegebied van de Europese Unie in kennis gesteld.

Wanneer het elektronisch systeem aldus, via de gegevens en de referte van de uitvoeraangifte, het bericht van aankomst bedoeld in § 19, de ladingslijst en het bericht van uitgaan van het vaartuig, de binding kan leggen tussen ten uitvoer aangegeven goederen en de lading aan boord van het uitgaand vaartuig, zal automatisch het be- richt “resultaten bij uitgaan” (RU) worden gegenereerd. In het geval dat het elektronisch systeem niet in staat is die binding te leggen zal de douane van het hulpkantoor van uitgang de overeenstemming tus- sen de verschillende gegevens betreffende de ten uitvoer aangegeven goederen onderzoeken en eventueel manueel ten behoeve van het uitvoerkantoor een bericht RU genereren. De douane van het kantoor van uitgaan neemt alle noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat de goederen waarvoor de voormelde procedure wordt gevolgd daadwerkelijk fysiek het douanegebied van de Europese Unie heb- ben verlaten.


  1. PLDA zendt het bericht “resultaten bij uitgaan” (RU) naar het kantoor van uitvoer, uiterlijk op de werkdag volgend op de dag waarop de goederen de Europese Unie hebben verlaten en de informatie over het vervoermiddel waarmede de goederen zijn uitgegaan aan PLDA werd verstrekt.

In gerechtvaardigde omstandigheden kan het hulpkantoor van uitgang het RU bericht later zenden.

6.2.1 Geval van uitvoer in gedeelten en fysiek uitgaan langs één hulpkantoor

  1. Wanneer goederen gedekt door een VBU, als één zen- ding naar een Belgisch hulpkantoor van uitgang worden vervoerd, maar vervolgens de Europese Unie vanaf dat hulpkantoor van uitgang in meer dan één zending verlaten, zendt het hulpkantoor van uitgang het RU bericht slechts nadat alle goederen de Europese Unie hebben verlaten.

Voorbeeld : goederen worden in één zending verstuurd van Praag over de weg naar Antwerpen.

Deze goederen komen aan in Antwerpen voor uitgaan in verschillende partijen.

De eerste partij wordt naar Hong Kong verstuurd en het uitgaan wordt vastgesteld op 3 juli.

De tweede partij wordt naar de VS verstuurd en het uitgaan wordt vastgesteld op 5 juli.

Het RU bericht wordt ten laatste verstuurd op 5 of 6 juli (overeenkomstig § 22 hiervoor).


6.2.2 Geval van fysiek uitgaan langs verschillende hulpkantoren of kantoren met aanbieding van de eerste partij in een hulpkantoor van uitgang in België

  1. Wanneer goederen die door een VBU worden gedekt als één zending naar een Belgisch hulpkantoor van uitgang worden vervoerd, maar vervolgens de Europese Unie in meer dan één zending, over één of meer hulpkantoren van uitgang (België) en/of langs verschillende kantoren van uitgang (in één of meer andere lidstaten) verlaten, waarmerkt het hulpkantoor van uitgang waar de goederen het eerst zijn aangebracht, op een met redenen omkleed verzoek, een exemplaar van het UGD voor elke hoeveelheid van de goederen uitgegaan langs verschillende hulpkantoren of kantoren.

De douane van het hulpkantoor van uitgang die de eerste plaats van uitgaan is, gaat uitsluitend tot tot deze waarmerking over indien de gegevens in het UGD overeenstemmen met die in het VBU.

  1. Het exemplaar van het UGD en de goederen worden te- zamen bij de betrokken hulpkantoren en/of kantoren van uitgang aangebracht. Elk hulpkantoor of kantoor tekent het exemplaar van het UGD af voor de door het hulpkantoor of kantoor in kwestie te specificeren hoeveelheid en door zoals gebruikelijk de ronde datum- stempel aan te brengen. Vervolgens verstuurt elk hulpkantoor of kan- toor, waar een deel van de oorspronkelijke zending werd aange- bracht, het UGD naar het hulpkantoor waar de goederen voor het eerst zijn aangebracht.
  1. Dit laatste hulpkantoor zendt het RU bericht slechts nadat alle goederen de Europese Unie hebben verlaten.
  1. Om de procedure te verduidelijken, wordt hierna een

voorbeeld opgenomen.

Suppl. 2


Kantoor

van

Voorzien kan-

Effectieve kantoren van

uitvoer

toor van uitgang

uitgang

=

=

1ste uitgang

2de uitgang

Praag

Hulpkantoor

Antwerpen

Datum van

Datum van

Uitgang

Uitgang

10.07.2007

12.07.2007

Antwerpen

Rotterdam

Volgens de commerciële mogelijkheden wordt de oorspron- kelijke zending aangeboden in Antwerpen voor een gedeeltelijke uit- gang langs het hulpkantoor Antwerpen en het andere deel vertrekt naar een kantoor in Rotterdam.

Het hulpkantoor te Antwerpen stelt het fysiek uitgaan van de partij uitgegaan via Antwerpen op 10.07.2007 vast, tekent het UGD voor de ad hoc hoeveelheid af en bewaart dit UGD. In dit stadium wordt geen RU bericht verstuurd naar het kantoor van uitvoer. Op met redenen omkleed verzoek waarmerkt dit hulpkantoor een exem- plaar van het UGD voor elke hoeveelheid van goederen die zal uitgaan via Rotterdam.

Het is slechts als het hulpkantoor te Antwerpen het door het kantoor in Rotterdam naar behoren op 12.07.2007 geviseerde UGD, ontvangt dat dit hulpkantoor het uitgaan vaststelt in PLDA en PLDA het RU bericht mag sturen naar het kantoor van uitvoer in Praag.

6.2.3 Geval van fysiek uitgaan langs verschillende hulpkantoren of kantoren, de eerste partij werd niet aangeboden in een hulpkantoor van uitgang in België

  1. In dit geval handelt het hulpkantoor van uitgang zoals voorzien in § 25 hiervoor. Geen RU bericht wordt verstuurd naar het kantoor van uitvoer.

6.3. Taak van het hulpkantoor van uitvoer bij ontvangst van het RU bericht

6.3.1. RU bericht dat het fysiek uitgaan van de goederen be- vestigt

  1. Wanneer PLDA het RU bericht ontvangt dat het fysiek uitgaan van de goederen bevestigt, zendt de applicatie aan de aan- gever een elektronisch bericht “kennisgeving uitvoer”. Op basis van dit bericht kan de aangever een exemplaar 3 van het Enig document afdrukken waarop in vak D zowel de datum van de vrijgave voor het uitgaan als de datum van het uitgaan zelf van de goederen zal voorkomen.

Indien de aangever in zijn aangiftebericht een e-mailadres heeft opgegeven waarop hij een PDF-kopie van de aangifte wil ont- vangen, wordt een door PLDA gegenereerde PDF-kopie van het exemplaar 3 naar dit e-mailadres gestuurd.

Een door PLDA gegenereerde pdf kopie van het in alinea 1vermelde exemplaar 3 kan ook worden gedownload via PLDA-web.

6.3.2. Alternatief bewijs

Het hulpkantoor van uitvoer kan indien ze het bericht “resul- taten bij uitgang” na 90 dagen niet heeft ontvangen, de exporteur of de aangever verzoeken de datum op te geven, waarop en het douane- kantoor vanwaar de goederen het douanegebied van de Europese Unie hebben verlaten.


De exporteur of aangever kan 20 dagen na het uitgaan van de goederen, uit eigen beweging dan wel ingevolge een verzoek als bedoeld in de vorige paragraaf, het hulpkantoor van uitvoer mede- delen, dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, met opgave van de datum waarop en het douanekantoor van uitgang vanwaar de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, en hierbij het hulpkantoor van uitvoer om bevestiging van de uitgang verzoeken.

In dit geval verzoekt het hulpkantoor van uitvoer het douane- kantoor van uitgang om toezending van het bericht “resultaten bij uitgang”.

Als het desbetreffende douanekantoor van uitgang de uitgang van de goederen niet binnen de 10 dagen bevestigt, deelt het hulp- kantoor van uitvoer dit aan de exporteur of aangever mede.

De exporteur of aangever mag vervolgens aan het hulpkan- toor van uitvoer het bewijs leveren, waaruit blijkt dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

Het bewijs kan met name worden geleverd door middel van een van de volgende stukken of een combinatie daarvan :

a) een kopie van de pakbon die door de geadresseerde buiten het douanegebied van de Unie is ondertekend of gewaarmerkt (*);

b) het betalingsbewijs, de factuur of de pakbon, ondertekend of gewaarmerkt (*) door de marktdeelnemer die de goederen buiten het douanegebied van de Unie heeft gebracht;

c)
een verklaring, ondertekend of gewaarmerkt (*) door de onderneming die de goederen buiten het douanegebied van de Unie heeft gebracht;

(*) Tenzij uitdrukkelijk bepaald in de douanewetgeving moet dit alternatief bewijs door de douaneautoriteiten niet gewaarmerkt worden door middel van een douanestempel.


d) een door de douane van een lidstaat of een land buiten het douanegebied van de Unie gecertificeerd document dat de uitgang buiten de Unie aantoont;

e) de administratie van de marktdeelnemer waaruit de leve- ring van goederen aan olie-, gasboor- of productieplatforms of windturbines blijkt.

Als het geleverde bewijs voldoende is en het hulpkantoor van uitvoer het bewijs heeft aanvaard, bevestigt het hulpkantoor van uit- voer de uitgang aan de exporteur of de aangever. Het hulpkantoor van uitvoer stelt het opgegeven douanekantoor van uitgang hiervan in kennis.

6.3.3. Nietigverklaring (annulering) van een uitvoeraangifte

  1. Wanneer de aangever of de uitvoerder het kantoor van uit- voer mededeelt dat de voor uitvoer vrijgegeven goederen de Europese Unie niet hebben en niet moeten verlaten, dan annuleert het hulpkantoor van uitvoer onmiddellijk de uitvoeraangifte en PLDA stelt het voorziene kantoor van uitgang in kennis van deze nietigverklaring met een elektronisch bericht “kennisgeving van annulering uitvoer”. De aangever wordt eveneens van de annulering van de aangifte ten uitvoer op de hoogte gesteld.

Voortaan is het zo dat als het hulpkantoor van uitvoer 150 dagen na de vrijgave van de goederen voor uitvoer noch het bericht “resultaten bij uitgang” van het douanekantoor van uitgang noch het bewijs geleverd door de exporteur of de aangever ont- vangen hebben, het hulpkantoor van uitvoer dit kan beschouwen als informatie dat de goederen het douanegebeid van de Unie niet hebben verlaten.

Het hulpkantoor van uitvoer stelt de exporteur of aangever en het opgegeven douanekantoor van uitgang in kennis van de ongel- digverklaring van de aangifte.


7. AANGIFTEN TEN UITVOER OP PAPIER

7.1. Gevallen

  1. De douaneautoriteiten aanvaarden een aangifte ten uitvoer op papier indien :

a) het computersysteem van de douane niet werkt;

b) de elektronische applicatie van de indiener van de aangifte ten uitvoer niet werkt.

  1. In deze situaties die hierna uiteengezet worden, heeft één principe de bovenhand :

PRINCIPE

Indien een uitvoerbeweging begint met een papieren aangifte, dan moet die eindigen op papier.

Indien een uitvoerbeweging begint met ECS, dan moet deze eindigen met ECS of op papieren drager, het UGD.

7.2. Procedures

  1. Indien ECS niet werkt, wordt het ED gebruikt in com- binatie met het document veiligheid (SSD) of kan men gebruik maken van het enig document uitvoer/veiligheid (ESS). Dit document wordt daarna ter visering aan de douane van het hulpkantoor (kantoor) van uitgang aangeboden. Na visering door de douane wordt dit document terug overhandigd aan de vervoerder.

Het SSD document is opgenomen in bijlage 6.


De toelichting van het SSD is opgenomen in bijlage 7.

Wanneer een uitvoerzending uit meer dan één artikel bestaat, wordt het SSD aangevuld met een lijst van artikelen (SSLoI) waarvan het model is opgenomen in bijlage8.

De toelichting van de lijst van artikelen is opgenomen in bij- lage 9. Deze lijst maakt integraal deel uit van het SSD.

Het EES is opgenomen in bijlage 10.

De toelichting van het ESS is opgenomen in bijlage 11. Wanneer een uitvoerzending uit meer dan één artikel bestaat,

wordt het ESS aangevuld met een lijst van artikelen waarvan het model is opgenomen in bijlage 12.

De toelichting van de lijst van artikelen (ESSLoI) is opgeno- men in bijlage 13. Deze lijst maakt integraal deel uit van het ESS.

  1. Indien ECS werkt bij vertrek in het hulpkantoor (kantoor) van uitvoer, maar als bij aankomst van de goederen in het hulp- kantoor (kantoor) van uitgang ECS niet werkt, dan wordt een kopie van het UGD bewaard en wordt het origineel van het UGD, na con- trole van de uitgang, zonder visering overhandigd aan de aangever of zijn vertegenwoordiger.

Na het heropstarten van ECS in het hulpkantoor (kantoor) van uitgang, worden de gegevens van de bewaarde kopie van het UGD onverwijld in ECS ingevoerd.

  1. Opgeheven.

Suppl. 2


  1. Het volgende schema wordt toegepast indien ECS ofwel bij vertrek ofwel bij aankomst niet werkt :

Hulpkantoor (kantoor) van uitvoer

Hulpkantoor (kantoor) van uitgang

ECS werkt niet

Gebruik van papieren aangifte

Of ECS nu werkt of niet werkt

Gebruikelijke behandeling van de papieren aangifte

ECS werkt

Gebruik van ECS

Bij aankomst van de goederen werkt ECS niet

Behandeling van het UGD vervol- gens ingave van de gegevens in ECS (zie detail § 34)

37 t/m 39. Opgeheven.

8. DIVERSEN EN AANPASSING VAN DE OMZENDBRIEF NR. D.D. 273.416

40. Er wordt gewezen op het feit dat de bepalingen van artikel 161, § 5 van het CDW in verband met het verplicht kantoor van aangifte voor de uitvoer van goederen van toepassing blijven, rekening houdend met de gevolgen van de oprichting van het enig kantoor (BUEK).

De artikelen 789 t/m 791 en 794 van het CTW voorzien dat om diverse redenen van het algemene principe van artikel 161, § 5 van het CDW kan worden afgeweken. Deze afwijkingen zijn opgenomen in § 11 van de omzendbrief van 22 mei 2015, nr.

D.D. 011.471) (D.I. 537.02) betreffende uitvoer van goederen – bevoegdheid van de kantoren.


*

* *

In de omzendbrief nr. D.D. 273.416 van 1 mei 2007 betref- fende de papierloze aangifte inzake douane en accijnzen (PLDA) (D.I. 530.11) moet in de §§ 158 en 208 als datum van de invoegetre- ding van ECS 3 september 2007 te worden gelezen i.p.v. 1 juli 2007. § 226 van diezelfde omzendbrief moet worden opgeheven. De betreffende omzendbrief zal bij de eerstvolgende bijwerking worden aangepast.

Voor de Administrateur-generaal van de Douane en Accijnzen, Joëlle DELVAUX

Adviseur-generaal dd


LIJST VAN DE LETTERWOORDEN

Engels

Nederlands

Export accompanying docu- ment (EAD)

Uitvoergeleidedocument (UGD)

Anticipated Export record (AER)

Voorafgaand bericht van uitvoer (VBU)

Movement Reference Number (MRN)

Identificatienummer voor verzen- ding (INV)

Export Notification

Kennisgeving uitvoer

Export Cancellation Notifica- tion

Kennisgeving van annulering uit- voer

Exit results (ER)

Resultaten bij uitgaan (RU)

Security and safety docu- ment (SSD)

Document veiligheid (SSD)

Security and safety list of items (SSLoI)

Lijst van artikelen veiligheid (SSLoI)

Export/security SAD (ESS)

Ed uitvoer/veiligheid (ESS)

Export/security SAD list of items (ESSLoI)

Lijst van artikelen bij het ed uit- voer/veiligheid (ESSLoI)


UITVOERGELEIDEDOCUMENT


TOELICHTING EN NADERE GEGEVENS BETREFFENDE HET UITVOERGELEIDEDOCUMENT

De in dit hoofdstuk gebruikte afkorting BCP (“bedrijfsconti- nuïteitsplan”) verwijst naar situaties waarin de in artikel 787, lid 2, omschreven noodprocedure van toepassing is.

De gegevens in het uitvoergeleidedocument zijn geldig voor de gehele aangifte en voor één artikel.

De informatie in het uitvoergeleidedocument wordt gebaseerd op de gegevens die zijn vermeld op de aangifte ten uitvoer; indien nodig wordt die informatie gewijzigd door de aangever/vertegen- woordiger en/of geverifieerd door het kantoor van uitvoer.

Behalve de bepalingen in de toelichtingen bij de bijla- gen 30 bis en 37 geldt voor het afdrukken van de gegevens het vol- gende :

  1. VAK MRN (movement reference number)

Het MRN moet op de eerste bladzijde en op alle lijsten van artikelen worden afgedrukt, behalve wanneer deze formulieren in het kader van het BCP worden gebruikt, in welk geval geen MRN wordt toegekend.

Deze informatie is alfanumeriek en omvat 18 tekens die als volgt zijn samengesteld :

Inhoud

Veldtype

Voorbeeld

1

Laatste twee cijfers van het jaar van formele aanvaarding van de uitvoeraangifte (YY)

Numeriek 2

06


BIJLAGE 3 (blz. 2)

Inhoud

Veldtype

Voorbeeld

2

Code van het land van uit- voer (alpha 2-code zoals in bijlage 38 vastgesteld voor vak 2 van het enig document)

Alfabetisch 2

PL

3

Unieke code voor de uitvoer- verrichting per jaar en land

Alfa- numeriek 13

9876AB8890123

4

Controlecijfer

Alfa- numeriek 1

5

Veld 1 en 2 : zie uitleg hierboven.

Veld 3 : code voor de verrichting in het kader van het export- controlesysteem. De wijze waarop het veld wordt gebruikt, valt onder de verantwoordelijkheid van de nationale douaneautoriteiten, maar elke uitvoer die in de loop van het jaar in het betreffende land is afgehandeld, dient een uniek nummer te krijgen. Nationale douaneautoriteiten die het identificatienummer van het douane- kantoor in het MRN willen opnemen, kunnen de eerste zes tekens gebruiken om het nationale nummer van het douanekantoor in te voegen.

Veld 4 : in dit veld moet een waarde worden ingevuld die een controlecijfer voor het gehele MRN is. Aan de hand van dit veld kunnen fouten bij het registreren van het gehele MRN worden op- gespoord.

Het MRN wordt ook in de vorm van een streepjescode ge- drukt, waarbij de standaard “code 128”, tekenset “B” wordt gebruikt.

  1. VAK AANG. VEIL. (S00)

Vermeld code S wanneer het uitvoergeleidedocument ook veiligheidsinformatie bevat.


Wanneer dit document geen veiligheidsinformatie bevat, blijft dit vak leeg.

  1. VAK DOUANEKANTOOR Identificatienummer van het kantoor van uitvoer.
  2. VAK REFERENTIENUMMER (7) Vermeld het LRN en/of het UCR.

LRN - lokaal referentienummer als omschreven in bij- lage 37 bis.

UCR - uniek referentienummer van de zending als omschre- ven in bijlage 37, titel II, vak 7.

  1. VAK INDIC. ABO (S32)

Vermeld de indicator van een andere bijzondere omstandig-

heid.

  1. DE GEGEVENS IN DE VERSCHILLENDE VAKKEN OP ARTIKELNIVEAU MOETEN ALS VOLGT WORDEN AFGE- DRUKT :

a) Vak Art. nr. (32) - volgnummer van het betrokken artikel;

b) UNDG (44/4) - VN-code gevaarlijke goederen.

Het uitvoergeleidedocument mag niet worden gewijzigd en aanvullingen of weglatingen mogen niet worden aangebracht tenzij in deze verordening anders is bepaald.


LIJST VAN ARTIKELEN UITVOER


TOELICHTING EN NADERE GEGEVENS BETREFFENDE DE LIJST VAN ARTIKELEN UITVOER

De lijst van artikelen uitvoer bevat de gegevens die specifiek betrekking hebben op in de aangifte opgenomen artikelen.

De hoogte van de vakken van de lijst van artikelen uitvoer kan worden aangepast.

Behalve de bepalingen in de toelichtingen bij de bijla- gen 30 bis en 37 geldt voor het afdrukken van de gegevens, die indien nodig gecodeerd worden, het volgende :

  1. Vak MRN - identificatienummer voor verzending (“move- ment reference number”) als omschreven bijlage 3 bis. Het MRN moet op de eerste bladzijde en op alle lijsten van artikelen worden afgedrukt.
  1. De gegevens in de verschillende vakken op artikelniveau moeten als volgt worden afgedrukt :

a) Vak Art. nr. (32) - volgnummer van het betrokken artikel;

b) Vak UNDG (44/4) - VN-code gevaarlijke goederen.


DOCUMENT VEILIGHEID (SSD)


TOELICHTING EN NADERE GEGEVENS BETREFFENDE HET DOCUMENT VEILIGHEID (SSD)

Het formulier bevat informatie op rubriekniveau en voor één

artikel.

De informatie in het document veiligheid wordt gebaseerd op de gegevens die zijn vermeld op de summiere aangifte bij binnen- komst of uitgang; indien nodig wordt die informatie gewijzigd door de indiener van de summiere aangifte en/of geverifieerd door het kantoor van binnenkomst respectievelijk uitgang.

Het document veiligheid wordt ingevuld door de indiener van de summiere aangifte.

Behalve de bepalingen in de toelichtingen bij de bijla- gen 30 bis en 37 geldt voor het afdrukken van de gegevens het vol- gende :

  1. Vak MRN - identificatienummer voor verzending (“move- ment reference number”) als omschreven in bijlage 3 of door het douanekantoor toegekende ad-hocreferenties. Het MRN moet op de eerste bladzijde en op alle lijsten van artikelen worden afgedrukt.
  1. Douanekantoor

Identificatienummer van het kantoor van binnenkomst/uit-

gang.

  1. Vak Soort aangifte (1)

De codes “IM” of “EX” naargelang het document gegevens van een summiere aangifte bij binnenkomst dan wel bij uitgang be- vat.

  1. Vak Referentienummer (7)

Vermeld LRN - lokaal referentienummer als omschreven in bijlage 37 bis.

Suppl. 1


BIJLAGE 7 (blz. 2)

  1. Vak Code 1e pl. aankomst (S11) Code eerste plaats van aankomst.
  2. Vak Dat/tijdst. aank. 1e pl. douanegeb. (S12)

Vermeld datum en tijdstip van aankomst op de eerste plaats van aankomst in het douanegebied.

  1. Vak Code bet. verv.kst. (S29)

Vermeld de code voor de betalingswijze van de vervoers- kosten.

  1. Vak UNDG (S27) - VN-code gevaarlijke goederen.
  1. Vak Indic. ABO (S32)

Vermeld de indicator van een andere bijzondere omstandig-

heid.

Het document veiligheid mag niet worden gewijzigd en aan- vullingen of weglatingen mogen niet worden aangebracht tenzij in deze verordening anders is bepaald.


LIJST VAN ARTIKELEN VEILIGHEID (SECURITY AND SAFETY LIST OF ITEMS OF SSLoI)


TOELICHTING EN NADERE GEGEVENS BETREFFENDE DE LIJST VAN ARTIKELEN VEILIGHEID (SSLoI)

De hoogte van de vakken van de lijst van artikelen kan niet worden aangepast.

Behalve de bepalingen in de toelichtingen bij de bijla- gen 30 bis en 37 geldt voor het afdrukken van de gegevens in de ver- schillende vakken het volgende :

Vak Art. nr. (32) - volgnummer van het betrokken artikel;

Vak Code bet. verv.kst (S29) - code voor de betalingswijze van de vervoerskosten;

Vak UNDG (S27) - VN-code gevaarlijke goederen.


ED UITVOER/VEILIGHEID (EXPORT/SECURITY SAD OF ESS)


TOELICHTING EN NADERE GEGEVENS BETREFFENDE HET ED UITVOER/VEILIGHEID (EXPORT/SECURITY SAD OF ESS)

De in dit hoofdstuk gebruikte afkorting BCP („bedrijfsconti- nuïteitsplan”) verwijst naar situaties waarin de in artikel 787, lid 2, omschreven noodprocedure van toepassing is.

Het formulier bevat alle informatie die noodzakelijk is in het geval van gegevens inzake uitvoer en uitgang wanneer gegevens inzake uitvoer en veiligheid tezamen worden verstrekt. Het formulier bevat informatie op rubriekniveau en voor één artikel. Het is speciaal ontworpen om in het kader van het BCP te worden gebruikt.

Het ED uitvoer/veiligheid bestaat uit drie exemplaren : Exemplaar 1 wordt bewaard door de autoriteiten van de lid-

staat waar de formaliteiten bij uitvoer (verzending) of communautair

douanevervoer worden vervuld.

Exemplaar 2 wordt gebruikt voor statistische doeleinden door de lidstaat van uitvoer.

Exemplaar 3 wordt na visering door de douane teruggezonden naar de exporteur.

De gegevens in het ED uitvoer/veiligheid zijn geldig voor de gehele aangifte.

De informatie in het ED uitvoer/veiligheid wordt gebaseerd op de gegevens die zijn vermeld op de aangifte ten uitvoer en bij uit- gang; indien nodig wordt die informatie gewijzigd door de aan- gever/vertegenwoordiger en/of geverifieerd door het kantoor van uit- voer.

Behalve de bepalingen in de toelichtingen bij de bijla- gen 30 bis en 37 geldt voor het afdrukken van de gegevens het volgende :

Suppl. 1


BIJLAGE 11 (blz. 2)

  1. Vak MRN (movement reference number).

Het MRN moet op de eerste bladzijde en op alle lijsten van artikelen worden afgedrukt, behalve wanneer deze formulieren in het kader van het BCP worden gebruikt, in welk geval geen MRN wordt toegekend.

Deze informatie is alfanumeriek en omvat 18 tekens die als volgt zijn samengesteld :

Inhoud

Veldtype

Voorbeeld

1

Laatste twee cijfers van het jaar van formele aanvaarding van de uitvoeraangifte (YY)

Numeriek 2

06

2

Code van het land van uit- voer (alpha 2-code zoals in bijlage 38 vastgesteld voor vak 2 van het enig document)

Alfabetisch 2

PL

3

Unieke code voor de uitvoer- verrichting per jaar en land

Alfa- numeriek 13

9876AB8890123

4

Controlecijfer

Alfa- numeriek 1

5

Veld 1 en 2 : zie uitleg hierboven.

Veld 3 : code voor de verrichting in het kader van het export- controlesysteem. De wijze waarop het veld wordt gebruikt, valt onder de verantwoordelijkheid van de nationale douaneautoriteiten, maar elke uitvoer die in de loop van het jaar in het betreffende land is afgehandeld, dient een uniek nummer te krijgen. Nationale douaneautoriteiten die het identificatienummer van het douane- kantoor in het MRN willen opnemen, kunnen de eerste zes tekens gebruiken om het nationale nummer van het douanekantoor in te voegen.

Suppl. 1


Veld 4 : in dit veld moet een waarde worden ingevuld die een controlecijfer voor het gehele MRN is. Aan de hand van dit veld kunnen fouten bij het registreren van het gehele MRN worden op- gespoord.

Het MRN wordt ook in de vorm van een streepjescode ge- drukt, waarbij de standaard „code 128”, tekenset „B” wordt gebruikt.

  1. Vak 7 Referentienummer :

Vermeld het LRN en/of het UCR.

LRN - lokaal referentienummer als omschreven in bijla- ge 37 bis.

UCR - uniek referentienummer van de zending als omschre- ven in bijlage 37, titel II, vak 7.

  1. Vak Indic. ABO (S32) :

Vermeld de indicator van een andere bijzondere omstandig-

heid.

Het ED uitvoer/veiligheid mag niet worden gewijzigd en aan- vullingen of weglatingen mogen niet worden aangebracht tenzij in deze verordening anders is bepaald.


LIJST VAN ARTIKELEN BIJ HET ED UITVOER/VEILIGHEID (EXPORT/SECURITY SAD LIST OF ITEMS OF ESSLoI)


TOELICHTING EN NADERE GEGEVENS BETREFFENDE DE LIJST VAN ARTIKELEN BIJ HET ED UITVOER/VEILIGHEID

(EXPORT/SECURITY SAD LIST OF ITEMS OF ESSLoI)

De lijst van artikelen bij het ED uitvoer/veiligheid bevat de gegevens die specifiek betrekking hebben op in de aangifte opge- nomen artikelen.

De hoogte van de vakken van de lijst van artikelen kan wor- den aangepast.

Behalve de bepalingen in de toelichtingen bij de bijla- gen 30 bis en 37 geldt voor het afdrukken van de gegevens het vol- gende :

  1. Vak MRN - identificatienummer voor verzending („move- ment reference number”) als omschreven in bijlage 11. Het MRN moet op de eerste bladzijde en op alle lijsten van artikelen worden afgedrukt.
  1. De gegevens in de verschillende vakken op artikelniveau moeten als volgt worden afgedrukt :

- Vak Art. nr. (32) - volgnummer van het betrokken artikel;

- Vak Voorgelegde stukken/Certificaten (44/1) : hier wordt in voorkomend geval ook het vervoersdocumentnummer vermeld;

- Vak UNDG (44/4) – VN-code gevaarlijke goederen.