Circulaire 2018/C/35 betreffende de wijziging van verscheidene bepalingen betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen (Pandwet)
Bespreking van de belangrijkste wijzigingen voor de AAII ingevolge de Pandwet
Pandrecht; pandregister; landbouwvoorrecht; eigendomsvoorbehoud; retentierecht
FOD Financiën, 09.03.2018
Algemene administratie van de inning en de invordering
II. Korte bespreking van de belangrijkste wijzigingen voor de AAII
1. Overgangsbepalingen inzake de bestaande inschrijvingen van landbouwvoorrechten
Afschaffing bepaalde bijzondere voorrechten
I. Doel van de wet
De Wet van 11 juli 2013[1] (verder Pandwet) beoogt de regels betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen te vereenvoudigen en meer coherent te maken.[2]
Een belangrijk onderdeel van de wet betreft de oprichting van een Nationaal Pandregister (verder pandregister), bewaard door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. De tegenwerpelijkheid aan derden van het pandrecht is afhankelijk van de registratie in dit pandregister.
De wet hervormt een aantal belangrijke zekerheidsmechanismen waaronder het pandrecht, het eigendomsvoorbehoud en het retentierecht.
II. Korte bespreking van de belangrijkste wijzigingen voor de AAII
1. Overgangsbepalingen inzake de bestaande inschrijvingen van landbouwvoorrechten
Het landbouwvoorrecht wordt afgeschaft vanaf 01.01.2018.[3]
De Pandwet voorziet in een overgangsregime voor de schuldeiser die vóór 01.01.2018 een voorrecht heeft ingeschreven overeenkomstig de wet van 15 april 1884 betreffende de landbouwleningen.
De schuldeiser behoudt immers zijn rang indien hij binnen de 12 maanden na 01.01.2018 een pandrecht op het bezwaarde goed registreert in het pandregister. Deze registratie geldt enkel voor de resterende termijn van de lopende 10 jaar waarvoor de inschrijving van het landbouwvoorrecht geldt.[4]
Vanaf 01.01.2018, begin van het overgangsregime, tot 31.12.2018, einde van dit regime, blijft het kantoor NFI bevoegd voor[5]:
- het afleveren van een afschrift van de bestaande inschrijvingen van het landbouwvoorrecht of van een getuigschrift vaststellend dat er geen inschrijving van een landbouwvoorrecht bestaat in zijn registers op naam van de persoon opgenomen in het verzoekschrift;
- de doorhaling overeenkomstig de artikelen 19 tot 22 van de wet van 15 april 1884 betreffende de landbouwleningen, van de inschrijvingen betreffende de landbouwleningen die niet werden geregistreerd overeenkomstig artikel 107, §2, tweede lid, Pandwet.
Om het pandrecht te registreren in het pandregister kan de schuldeiser dus een afschrift van de inschrijving van een landbouwvoorrecht aanvragen aan het bevoegde kantoor NFI.
2. Het pandregister
Pand
De Pandwet laat toe om een pand op roerende goederen te vestigen zonder buitenbezitstelling. De mogelijkheid om een pand te vestigen door buitenbezitstelling (zgn. vuistpand) blijft daarnaast behouden.
Dit bezitloos pandrecht is voortaan niet meer voorbehouden aan financiële instellingen maar kan door elke schuldeiser worden gevestigd. Is de pandgever een consument, dan gelden wel een aantal beschermende bepalingen.[6]
Voor de vestiging van het pand volstaat een overeenkomst tussen partijen.[7]
Het pandrecht verleent aan de pandhouder het recht om bij voorrang boven de andere schuldeisers te worden betaald uit de bezwaarde goederen. Dit recht van voorrang geldt als een voorrang zoals bedoeld in artikel 12 van de Hypotheekwet.[8]
In principe kunnen alle lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen in pand worden gegeven, zowel bestaande als toekomstige. Het pandrecht kan ook een goed dat roerend is uit zijn aard maar onroerend is geworden door bestemming tot voorwerp hebben. Het pandrecht kan evenwel geen zeeschepen of teboekgestelde schepen of vaartuigen tot voorwerp hebben.[9]
Ondeelbaarheid
Het pandrecht is ondeelbaar, niettegenstaande de schuld deelbaar is onder de algemene rechtsopvolgers of de rechtsopvolgers onder algemene titel van de schuldenaar of onder die van de schuldeiser.[10]
Tegenwerpelijkheid
Het pandrecht is tegenwerpelijk aan derden door de registratie in het pandregister en neemt rang vanaf het ogenblik van inschrijving in dit pandregister.[11]
De circulaire 2017/C/76 van 23.11.2017 verschaft een uitgebreide toelichting betreffende het gebruik en de werking van het pandregister.
Uitwinning
Er wordt een vereenvoudigde uitwinningsprocedure ingevoerd ten aanzien van pandgevers die geen consument zijn. Het voorafgaand verkrijgen van een uitvoerbare titel is in dit geval niet vereist.
De rechterlijke tussenkomst wordt gecentraliseerd bij de beslagrechter. Hiertoe werden de artikelen 633 en 1395 Ger.W aangepast.[12]
Rangconflicten
De pandhouder wordt bij voorrang boven alle schuldeisers voldaan uit de opbrengst van de verpande goederen.
Rangconflicten worden opgelost volgens de “prior tempore”-regel: een ouder pandrecht verslaat een jonger pandrecht.[13] De datum die in aanmerking komt om de rangorde te bepalen is de datum van registratie (bij bezitloos pandrecht) of bezitsverkrijging (bij buitenbezitstelling).
Eigendomsvoorbehoud
De regeling aangaande het eigendomsvoorbehoud van de onbetaalde verkoper wordt door de Pandwet[14] overgeheveld van de Faillissementswet[15] naar het Burgerlijk Wetboek. Het eigendomsvoorbehoud wordt een volwaardige zekerheid, tegenstelbaar in alle gevallen van samenloop en dus niet enkel bij faillissement.
Het eigendomsvoorbehoud dient voor zijn geldigheid noch voor zijn tegenwerpelijkheid te worden geregistreerd in het pandregister. Zijn de verkochte goederen onroerend door incorporatie geworden, dan blijft het eigendomsvoorbehoud behouden op voorwaarde van registratie in het pandregister.[16]
Retentierecht
Het retentierecht verleent de schuldeiser het recht om een zaak die hem door zijn schuldenaar werd overhandigd, te behouden zolang zijn schuldvordering met betrekking tot die zaak niet is voldaan.
Aan de meeste regels betreffende het retentierecht wordt niets gewijzigd. Wel wordt de externe werking wettelijk geregeld in het Burgerlijk Wetboek[17], en dus niet langer verspreid over het Burgerlijk Wetboek en diverse bijzondere wetten.
Aan het retentierecht worden dezelfde gevolgen gekoppeld als aan het pandrecht.
Afschaffing bepaalde bijzondere voorrechten
Ingevolge het bezitloos pandrecht, worden volgende bijzondere voorrechten[18] afgeschaft:
- het voorrecht voor de bedragen verschuldigd voor de zaden of voor de kosten van de oogst en het voorrecht voor de bedragen verschuldigd voor het gereedschap[19]
- het voorrecht van de pandhouder[20]
- het voorrecht van de hotelhouder[21]
Ten gevolge van de afschaffing van voormelde voorrechten worden de artikelen 24 en 25bis Hyp. W., die de desbetreffende rangconflicten regelen, opgeheven.
III. Inwerkingtreding
De Pandwet treedt in werking op 1 januari 2018.[22]
[1] Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, BS 2 augustus 2013, achtereenvolgens gewijzigd door de wet van 26 november 2014 tot wijziging van de datum van inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, BS 1 december 2014, door de wet van 25 december 2016 houdende de wijziging van verscheidene bepalingen betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen, BS 30 december 2016 en door de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 24 juli 2017.
[2] In Boek III van het Burgerlijk Wetboek wordt het opschrift van Titel XVII “Inpandgeving” vervangen door het opschrift “Zakelijke zekerheden op roerende goederen». De nummering begint met artikel 1 en eindigt met artikel 76.
[3] Art. 104 Pandwet
[4] Art. 107, § 3, tweede lid Pandwet
[5] Art. 107/1, tweede lid Pandwet
[6] Art. 4, tweede lid en 46 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[7] Art. 2 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[8] Art. 1, tweede lid Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek. Art. 12 Hyp.W. luidt als volgt: “Voorrecht is een recht dat uit hoofde van de bijzondere aard der schuldvordering aan een schuldeiser toekomt en hem voorrang verleent boven de andere schuldeisers, zelfs de hypothecaire.”
[9] Art. 7 en 8 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[10] Art. 13 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[11] Art. 15 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[12] Wet van 24 juni 2013 tot regeling van aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet inzake de zakelijke zekerheden op roerende goederen, B.S. 2 augustus 2013
[13] Art. 57 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[14] Art. 69 - 72 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[15] Art. 101 Faill.W.
[16] Art. 71 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[17] Art. 73 - 76 Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
[18] Art. 100 Pandwet
[19] Art. 20, 2° Hyp.W.
[20] Art. 20, 3° Hyp.W.
[21] Art. 20, 6° Hyp.W.
[22] Art. 109 Pandwet
