Circulaire 2017/C/90 betreffende het nemen van een beschikking naar aanleiding van een aanvraag (Opgeheven)
Deze circulaire werd aangepast dd. 11/10/2021
beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving; aanvraag; aanvaarding; overgangsmaatregelen
FOD Financiën, 22.12.2017
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudstafel
II. Wettelijke basis vanaf 1 mei 2016
Herbeoordeling van vergunningen uitgevaardigd onder CDW/CTW en geldig op 1 mei 2016
Het gebruik van vergunningen uitgereikt onder CDW/CTW en geldig op 1 mei 2016
Beschikkingen gedekt door het systeem DWU Douanebeschikkingen
Beschikkingen met betrekking tot vergunningen in de ICT overgangsperiode
Bijlage I: Beschikkingen genomen na aanvraag
Bijlage III: Schematisch overzicht voor de behandeling van een aanvraag
I. Inleiding
§ 1. Het douanewetboek van de Unie (DWU) heeft getracht om een diepere harmonisatie te creëren met betrekking tot beschikkingen omtrent de toepassing van de douanewetgeving. Er werden wettelijke bepalingen neergeschreven zodat deze beschikkingen gedekt worden door dezelfde regels. Ondanks deze regels is het niet altijd even makkelijk om het verschil te onderscheiden tussen een beschikking en een vergunning. Een vergunning wordt aanzien als een positieve beschikking conform de artikelen 22 en 5, 39) DWU (1). Deze omzendbrief biedt een leidraad bij het nemen van beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving.
II. Wettelijke basis vanaf 1 mei 2016
§ 2. De voornaamste, betrokken wettelijke bepalingen zijn gebundeld terug te vinden in bijlage II aan deze omzendbrief.
Het betreft hoofdzakelijk de volgende wetsbepalingen:
• Artikel 22 DWU (2);
• Artikelen 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 DA (3);
• Artikelen 8, 9, 11, 12 en 14 IA (4).
III. Toepassingsgebied
§ 3. Er zijn veel interpretatieproblemen met betrekking tot beschikkingen genomen door de douane naar aanleiding van een aanvraag.
Deze omzendbrief heeft een algemeen karakter en doet geen afbreuk aan de bepalingen voor bepaalde specifieke beschikkingen genomen omtrent de toepassing van de douanewetgeving, zoals bijvoorbeeld: geautoriseerde marktdeelnemer (AEO), bindende tariefinlichtingen (BTI), vereenvoudigde procedures, bijzondere regelingen, Uniedouanevervoer en zekerheidsstelling.
§ 4. Een lijst met beschikkingen, zoals bedoeld bij deze omzendbrief, kan men terugvinden in bijlage I. In bijlage I vindt men ook de beschikkingen terug die toepassing zullen vinden zolang als de elektronische systemen nog niet beschikbaar zijn. Zoals bijvoorbeeld: voor DWU Bewijs van Uniestatus (PoUS) en DWU nieuw geautomatiseerd systeem voor douanevervoer (NCTS).
Opgelet: bijlage I is geen volledige lijst van alle mogelijke beschikkingen genomen naar aanleiding van een aanvraag. Ze is bedoeld om de beschikkingen die het meest worden aangenomen onder de horizontale regels van titel I DWU te definiëren. Dit evenwel zonder afbreuk te doen aan andere beschikkingen genomen naar aanleiding van een aanvraag. Zoals bijvoorbeeld beschikkingen genomen met betrekking tot EORI registratie.
IV. Definities
§ 5. Voor het gebruik van deze omzendbrief verstaat men het volgende onder:
• Beschikking: elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft (definitie artikel 5, 39) DWU).
• Douaneautoriteiten: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving (definitie artikel 5, 1) DWU). In het kader van deze omzendbrief dient dit gelezen te worden als zijnde de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor het verlenen van een beschikking (wat in de huidige structuur overeenkomt met de pijler Operations).
• Vergunning: een positieve beschikking in de zin van de artikelen 22 en 5, 39) DWU (5).
V. Algemene principes
Aanvraag
Bevoegde douaneautoriteit
§ 6. De algemene regel is neergeschreven in artikel 22, lid 1, derde alinea DWU waarin gesteld wordt dat de bevoegde douaneautoriteit diegene is van de plaats: waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of toegankelijk is EN
waar tenminste een deel van de activiteiten die onder de beschikking vallen, zal worden uitgevoerd.
§ 7. Indien op basis van het voorgaande de bevoegde douaneautoriteit niet bepaald kan worden (artikel 12 DA), dan is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats:
waar de administratie en de documentatie van de aanvrager zich bevinden of toegankelijk is EN
aan de hand waarvan de douaneautoriteit een beschikking kan geven (hoofdboekhouding voor douanedoeleinden).
Met betrekking tot AEO aanvragen is er nog een verdere aanvullende regel neergelegd in artikel 27 DA.
De lidstaten delen aan de Commissie een lijst mee van de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor het in ontvangst nemen van aanvragen (artikel 11 IA).
§ 8. Als algemeen principe kan men dus stellen dat de aanvraag het best wordt onderworpen aan de douaneautoriteiten van de lidstaat die de douaneactiviteiten van de aanvrager het best kennen.
Aanvaarding van de aanvraag
§ 9. De aanvaarding van een aanvraag vindt plaats in de voorbereidende fase van het besluitvormingsproces en daarbij is het relevant dat de douaneautoriteiten beschikken over alle elementen die nodig zijn om een beslissing te nemen. De aanvaarding vereist een onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek zelf, maar op dit moment nog geen onderzoek naar de inhoud van hetgeen gevraagd wordt.
§ 10. Eénmaal aanvaard door de douaneautoriteiten wordt de aanvraag geacht de volgende elementen te bevatten:
• alle noodzakelijke gegevens;
• voldoen aan de voorwaarden voor aanvaarding;
• in het bezit zijn van de vereiste, stavende bewijsstukken (zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de douaneautoriteiten om nadere informatie te vragen na de aanvaarding van de aanvraag als bedoeld in artikel 13, lid 1 DA).
§ 11. De belangrijkste voorwaarde van acceptatie is dat de aanvraag alle inlichtingen bevat nodig voor het verlenen van een beschikking (artikel 22, lid 2, tweede alinea DWU) aangevuld met de voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag zoals vermeld in artikel 11 DA.
De voorwaarden vervat in artikel 11 DA zijn:
• indien nodig registratie van de aangever;
• indien nodig vestiging van de aanvrager in het douanegebied van de Unie;
• indiening van de aanvraag bij de aangewezen douaneautoriteiten;
• de aanvraag mag geen betrekking hebben op een beschikking die in het voorafgaande jaar werd ingetrokken of nietig verklaard wegens niet nakoming van de verplichtingen.
Verdere praktische regels met betrekking tot de aanvaarding van een aanvraag vindt men terug in artikel 12 IA en hebben betrekking op de datum van aanvaarding van de aanvraag. Hieronder wordt daar verder op ingegaan.
§ 12. Er zijn bijzondere, bijkomende voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag in specifieke gevallen (zie hiervoor de specifieke omzendbrieven), met name:
• bij een beschikking betreffende bindende inlichtingen (artikel 33, lid 1 DWU);
• bij een aanvraag met betrekking tot AEO (artikel 26 DA);
• bij een aanvraag met betrekking tot vergunning bijzondere regelingen (artikel 211 DWU).
§ 13. Indien aan de voorwaarden niet werd voldaan, zal de aanvraag worden afgewezen. Dit is bijgevolg een negatieve beschikking die genomen wordt. Bijgevolg is er geen recht om gehoord te worden, maar wel administratief beroep mogelijk.
Datum van aanvaarding van de aanvraag
§ 14. De datum van aanvaarding is belangrijk, vanaf deze datum begint immers de termijn van 120 dagen om een beslissing door de douane te nemen over de inhoud van het verzoek te lopen (conform artikel 22, lid 3 DWU).
Overeenkomstig artikel 12, lid 1 IA, is de datum van aanvaarding van de aanvraag de datum waarop alle vereiste informatie door de douaneautoriteiten werd ontvangen overeenkomstig artikel 22, lid 2, tweede alinea DWU.
Overeenkomstig artikel 22, lid 2 DWU gaan de douaneautoriteiten na of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag is voldaan, delen dit onverwijld mee aan de aanvrager en dit uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag.
§ 15. Er kunnen 3 situaties onderscheiden worden:
1. De datum van aanvaarding wordt meegedeeld door de douaneautoriteiten.
Indien er aan alle voorwaarden uit artikel 22, lid 2 DWU en 11 DA is voldaan en de aanvrager alle relevante informatie reeds heeft meegedeeld op het moment van zijn aanvraag, dan is de datum van aanvaarding dezelfde als de datum waarop de douaneautoriteiten alle vereiste informatie hebben ontvangen. Bijvoorbeeld de datum van ontvangst van de brief of de datum van ontvangst van de email.
Voorbeelden:
- Een aanvraag voor een vergunning wordt (elektronisch) ingediend op 24/2. Deze aanvraag bevat reeds op moment van indiening alle vereiste informatie om een beschikking te kunnen nemen. Bijgevolg zal de datum van aanvaarding van deze aanvraag 24/2 zijn. Niet omdat op die datum de aanvraag werd ingediend maar omdat op 24/2 alle vereiste informatie die nodig is voor het nemen van een beschikking werd ontvangen door de douaneautoriteiten.
- Een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend op 24/2. De aanvraag is niet volledig, er ontbreken enkele stukken. Op 28/2 bezorgt de aanvrager spontaan de bijkomende informatie vereist voor het vervolledigen van zijn aanvraag. Deze informatie wordt op 28/2 ontvangen door de douaneautoriteiten. 28/2 zal bijgevolg de datum van aanvaarding van de aanvraag zijn want dit is de datum waarop de douaneautoriteit (met de bijkomende informatie)alle vereiste informatie heeft om te beslissen over het al dan niet toekennen van de gevraagde vergunning. De termijn voor het nemen van een beschikking begint dus te lopen vanaf 28/2.
2. Aanvaarding zonder mededeling door de douaneautoriteiten.
Indien de douaneautoriteiten het nalaten om enige melding te doen omtrent de aanvaarding of niet aanvaarding van de aanvraag wordt de aanvraag geacht aanvaard te zijn. De datum van aanvaarding wordt dan geacht te zijn de datum waarop de aanvrager de aanvraag heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld de postdatum van de aanvraag of de datum van ontvangst van de email zijn.
3. Aanvaarding waarbij bijkomende informatie vereist is.
Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat er bijkomende informatie nodig is voor de aanvaarding van de aanvraag melden zij dit aan de aanvrager. Deze wordt gevraagd om de benodigde informatie mee te delen binnen een termijn van maximaal 30 dagen (artikel 12, lid 2 IA).
Praktisch gezien komt dit erop neer dat de 30 dagen termijn voor de aanvaarding van de aanvraag (artikel 22, lid 2 DWU) verlengd kan worden met een nieuwe periode van maximum 30 dagen indien het nodig is om bijkomende informatie te vragen.
In de gevallen waarbij aanvullende informatie door de aanvrager werd bezorgd volgend op een verzoek zal de datum van aanvaarding deze zijn op het moment waarop de laatste bijkomende informatie werd aangeleverd (artikel 12, lid 3 IA).
In de gevallen waarbij geen reactie werd ontvangen op de vraag om bijkomende informatie zal de aanvraag worden afgewezen. Dit is bijgevolg een negatieve beschikking waarbij de aanvrager enkel de mogelijkheid heeft om gehoord te worden en daarna eventueel een administratief beroep in te dienen.
§ 16. Met betrekking tot de juridische gevolgen van deze datum van aanvaarding moeten de douaneautoriteiten oppassen bij aanvragen waarbij de deadline om een beslissing te nemen korter is dan de algemene tijdslimiet van 120 dagen conform artikel 22, lid 3 DWU.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij:
• een vergunning voor het opstellen van weegcertificaten voor bananen en
• vergunningen voor bijzondere regelingen zoals bedoeld in artikel 211, lid 1 DWU.
Voor de beschikkingen met betrekking tot opstellen van weegcertificaten voor bananen moet binnen 30 dagen een beslissing worden genomen vanaf de datum van de aanvaarding van de aanvraag (artikel 156 DA). Voor de vergunningen met betrekking tot de bijzondere regelingen zoals hierboven vermeld is dit 30 of 60 dagen (artikel 171, lid 1 DA).
§ 17. Wanneer de economische voorwaarden moeten worden onderzocht in het kader van een vergunning voor bijzondere regelingen overeenkomstig artikel 211, lid 6 DWU is de termijn één jaar vanaf de datum waarop het dossier naar de Commissie is doorgezonden (artikel 171, lid 2 DA).
Het recht om gehoord te worden
§ 18. Het recht om gehoord te worden wordt uitgebreid toegelicht in de omzendbrief “Voorafgaande kennisgeving van een ongunstige beschikking - Recht om te worden gehoord/Recht van administratief beroep – Dwangbevel” met referte D.C. 248.132/D.I. 800.50. De te volgen procedure kan men in deze omzendbrief terugvinden.
Het recht om gehoord te worden is van toepassing op situaties waarbij de douaneautoriteiten van plan zijn om een beslissing te nemen - op verzoek of niet - dat negatieve gevolgen zou hebben voor de persoon die de beschikking vraagt.
Uitzonderingen op het recht om gehoord te worden
§ 19. In de onderstaande gevallen heeft men GEEN recht om gehoord te worden (artikel 22, lid 6, tweede alinea DWU en artikel 10 DA):
• beschikkingen betreffende bindende inlichtingen (artikel 33, lid 1 DWU);
• beschikkingen betreft tot weigering van de toekenning van een tariefcontingent wanneer het vastgestelde invoer- of uitvoervolume is bereikt (artikel 56, lid 4 DWU);
• indien de aard of de omvang van een gevaar voor de veiligheid van de Unie en haar inwoners, de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of de consument daartoe aanleiding geeft;
• indien de beschikking strekt tot uitvoering van een andere beschikking waarvoor de eerste alinea van artikel 22, lid 6 DWU is toegepast, onverminderd het recht van de betrokken lidstaat (m.a.w. reeds heeft kunnen genieten van het recht om gehoord te worden);
• indien dit een onderzoek met het oog op de bestrijding van schade zou berokkenen;
• indien een aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden voor de aanvaarding ervan;
• wanneer de douaneautoriteiten de persoon die de summiere aangifte bij binnenbrengen heeft ingediend, meedelen dat de goederen niet mogen worden geladen in het geval van containervervoer over zee en van luchtverkeer;
• wanneer de beschikking betrekking heeft op een mededeling van een besluit van de Commissie aan de aanvrager over de terugbetaling of kwijtschelding (artikel 116, lid 3 DWU);
• wanneer een EORI-nummer ongeldig wordt verklaard.
VI. Overgangsmaatregelen
Herbeoordeling van vergunningen uitgevaardigd onder CDW/CTW en geldig op 1 mei 2016
§ 20. Met betrekking tot de bestaande vergunningen, deze moeten tegen 1 mei 2019 een nieuwe beoordeling ondergaan om te voldoen aan de criteria van DWU/DA/IA (artikel 250, lid 1 DA en artikel 345, lid 1 IA).
Dit betekent dat vanaf 1 mei 2016 tot het moment dat de vergunning opnieuw wordt beoordeeld, de oorspronkelijke vergunning geldig blijft en de houder deze kan blijven gebruiken (artikel 251, lid 1, punt b) DA).
Bijvoorbeeld: een vergunning die zonder de nieuwe vereiste van zekerheidsstelling werd afgegeven, geldig blijft. De economische operator moet geen zekerheidsstelling hebben op 1 mei 2016.
§ 21. Vergunningen met een beperkte geldigheidsduur blijven geldig tot het einde van hun geldigheidsduur of ten laatste tot 1 mei 2019.
Overeenkomstig artikel 345 lid 1, tweede alinea, IA, heeft de herbeoordeling van die bestaande beschikking als gevolg dat:
a) de bestaande vergunning wordt ingetrokken en
b) een nieuwe vergunning wordt toegestaan of geweigerd.
In de specifieke situatie van bestaande AEO’s wordt de herroeping gedekt door een positieve beslissing van het EOS systeem.
§ 22. Aanvragen tot wijziging van een bestaande vergunning en ingediend na 1 mei 2016, moeten in de praktijk behandeld worden als een aanvraag onder DWU. Het is niet mogelijk om een bestaande vergunning te wijzigen zonder het toepassen van de nieuwe DWU regels. Bijgevolg zal een aanvraag voor een significante verandering voor een bestaande vergunning op 1 mei 2016 het voorwerp uitmaken van een herbeoordeling. Deze herbeoordeling zal leiden tot intrekking van de bestaande vergunning en tot de toekenning van een nieuwe vergunning overeenkomstig DWU regels (zie artikel 345, lid 1, tweede alinea IA).
Echter, als de aanvraag betrekking heeft op kleine veranderingen in de bestaande vergunning wordt het aan de beoordeling van de dienst die de vergunning aflevert overgelaten om onmiddellijk over te gaan tot een nieuwe beoordeling of de bestaande vergunning verder te gebruiken tot aan de latere herbeoordeling.
§ 23. Voor vergunningen met een beperkte geldigheidsduur kunnen eveneens kleine wijzigingen worden geaccepteerd, zolang de douaneautoriteiten besluiten dat de vergunning kan worden gehandhaafd tot het einde van de geldigheidsduur of tot uiterlijk 1 mei 2019.
Het gebruik van vergunningen uitgereikt onder CDW/CTW en geldig op 1 mei 2016
§ 24. Het gebruik van deze vergunningen wordt niet gedekt door de herbeoordeling zoals beschreven hierboven, omdat de herbeoordeling alleen betrekking heeft op de toelating zelf en niet het operationeel gebruik.
Er wordt op gewezen dat alle vergunningen die geldig blijven op 1 mei 2016 niet meer kunnen gebruikt worden volgens de regels van CDW en CTW. Er moet voldaan worden aan de nieuwe wettelijke bepalingen van DWU/DA/IA. Dit betekent dat faciliteiten en/of procedures die bestonden onder CDW en CTW en die niet meer bestaan in de nieuwe wettelijke bepalingen niet meer gebruikt kunnen worden vanaf 1 mei 2016.
§ 25. De voorwaarden voor het gebruik van de vergunningen die zijn verleend onder CDW/CTW moeten worden gelezen en toegepast op basis van de huidige voorwaarden van het DWU. Zie daarvoor de concordantietabel in bijlage 90 van de DA (artikel 254 DA). De benamingen van de reeds verleende vergunningen kunnen worden gehandhaafd maar het gebruik ervan dient te gebeuren volgens DWU regels vanaf 1 mei 2016.
§ 26. Opgepast: sommige vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016 zijn niet opgenomen in bijlage 90. Dit geldt voor:
a. vergunningen met betrekking tot vereenvoudigingen waarde (artikel 156bis CTW);
b. vereenvoudigde procedures voor goederen vervoerd via het spoor (artikel 412 CTW en volgende);
c. vereenvoudigde procedures voor het vervoer door de lucht (artikel 444 CTW);
d. vereenvoudigde procedures voor het vervoer door de lucht – niveau 2 (artikel 445 CTW);
e. vereenvoudigde procedures voor het vervoer over zee - niveau 1 (artikel 447 CTW);
f. vereenvoudigde procedures voor het vervoer over zee – niveau 2 (artikel 448 CTW).
Deze vergunningen kunnen verder blijven gebruikt worden:
- tot hun herbeoordeling voor vergunningen vermeld onder punt a;
- tot aan de update van het NCTS systeem voor de vergunningen vermeld onder de punten b), c) en e);
- tot 1 mei 2018 voor de vergunningen vermeld onder de punten d) en f).
De manier waarop ze onder DWU regels moeten worden gebruikt, wordt behandeld in de desbetreffende specifieke richtsnoeren van de Europese Commissie.
ICT overgangsperiode
Beschikkingen gedekt door het systeem DWU Douanebeschikkingen
§ 27. De aanvragen en beschikkingen die zullen vallen onder het systeem DWU Douanebeschikkingen zijn:
a) aanvragen en vergunningen met betrekking tot de vereenvoudiging van de
bepaling van de bedragen die deel uitmaken van de douanewaarde van de goederen;
b) aanvragen en vergunningen met betrekking tot doorlopende zekerheid;
c) aanvragen en vergunningen omtrent uitstel van betaling;
d) aanvragen en vergunningen voor de exploitatie van tijdelijke opslaginstallaties (artikel 148 van DWU);
e) aanvragen en vergunningen voor lijndiensten;
f) aanvragen en vergunningen voor toegelaten afzender;
g) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften;
h) aanvragen en vergunningen voor gecentraliseerde vrijmaking;
i) aanvragen en vergunningen voor inschrijving van gegevens in de voorraadadministratie;
j) aanvragen en vergunningen voor zelfbeoordeling (Self assessment);
k) aanvragen en vergunningen voor toegelaten weger bananen;
l) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van actieve veredeling;
m) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van passieve veredeling;
n) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van de bijzondere bestemming;
o) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van tijdelijke invoer;
p) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van opslagfaciliteiten voor douane-entrepots;
q) aanvragen en vergunningen met betrekking tot de status van toegelaten geadresseerde bij een TIR-operatie;
r) aanvragen en vergunningen met betrekking tot de status van toegelaten afzender bij Uniedouanevervoer;
s) aanvragen en vergunningen met betrekking tot de status van toegelaten geadresseerde bij Uniedouanevervoer;
t) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van bijzondere douaneverzegelingen;
u) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van een douaneaangifte voor Uniedouanevervoer met een beperkte dataset;
v) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als douaneaangifte.
§ 28. Tot aan de datum van operationalisering van het DWU Douanebeschikkingen systeem (in principe voorzien tegen 02/10/2017) kunnen al deze aanvragen en vergunningen behandeld worden op basis van de huidige systemen van de lidstaten en/of via papieren procedures (artikel 2 TDA)
De gegevensvereisten van de hierboven vermelde aanvragen en vergunningen kunnen deze zijn zoals vermeld in bijlage A van de DA of alternatieve gegevensvereisten zoals vermeld in met artikel 2 (5), (6) en (7) van de DA.
Beschikkingen met betrekking tot vergunningen in de ICT overgangsperiode
§ 29. Zes vergunningen bestaan enkel tijdens de ICT overgangsperiode. Deze vergunningen zijn opgesomd in bijlage I onder punt B bij deze circulaire.
§ 30. De aanvragen en beschikkingen tot toekenning van de hierboven vermelde vergunningen worden behandeld op basis van de bestaande procedures.
De benodigde gegevensvereisten moeten bepaald worden door de lidstaten en moeten de douaneautoriteiten in staat stellen om na te gaan of aan de voorwaarden voor het toekennen van vergunningen voldaan is.
Alternatieve gegevensvereisten
§ 31. Tot de datum van de uitrol van het DWU-systeem Douanebeschikkingen (Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU), kunnen de douaneautoriteiten beslissen dat passende alternatieve gegevensvereisten voor de vastgestelde vereisten van bijlage A van de DA van toepassing zijn (6).
Dit kan voor:
a) aanvragen en vergunningen voor de vereenvoudiging van de bepaling van bedragen die deel uitmaken van de douanewaarde van de goederen;
b) aanvragen en vergunningen voor doorlopende zekerheidstellingen;
c) aanvragen en vergunningen voor uitstel van betaling;
d) aanvragen en vergunningen voor het beheer van opslagruimten voor tijdelijke opslag (artikel 148 DWU );
e) aanvragen en vergunningen voor lijndiensten;
f) aanvragen en vergunningen voor toegelaten afgever;
g) aanvragen en vergunningen voor de status van erkende weger van bananen;
h) aanvragen en vergunningen voor zelfbeoordeling (Self-assessment);
i) aanvragen en vergunningen voor de status van toegelaten geadresseerde voor TIR-operaties;
j) aanvragen en vergunningen voor de status van toegelaten afzender voor Uniedouanevervoer;
k) aanvragen en vergunningen voor de status van toegelaten geadresseerde voor Uniedouanevervoer;
l) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model;
m) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van een aangifte voor douanevervoer met beperkte gegevensset;
n) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als douaneaangifte.
§ 32. Deze alternatieve gegevensvereisten moeten de douaneautoriteiten wel in staat stellen om na te gaan of aan de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning in kwestie is voldaan.
De volgende vereisten moeten minimum gekend zijn (7):
a) de identificatie van de aanvrager/houder van de vergunning;
b) het soort aanvraag of vergunning;
c) het gebruik van de vergunning in één of meer lidstaten.
§ 33. Tot de datum van de uitrol van het DWU-systeem Douanebeschikkingen kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de gegevensvereisten voor aanvragen en vergunningen die zijn vastgesteld in bijlage 12 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 (TDA) van toepassing zijn (8). Dit in de plaats van de gegevensvereisten die zijn vastgesteld in bijlage A bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (DA).
Dit kan voor:
a) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van de vereenvoudigde aangifte;
b) aanvragen en vergunningen voor gecentraliseerde vrijmaking;
c) aanvragen en vergunningen voor inschrijving in de administratie van de aangever;
d) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van de regeling actieve verdeling;
e) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van de regeling passieve veredeling;
f) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming;
g) aanvragen en vergunningen voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer;
h) aanvragen en vergunningen voor het beheer van opslagruimten voor de opslag in een douane-entrepot.
§ 34. De formulieren voor aanvragen en vergunningen uit bijlage 12 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 zijn te raadplegen via de volgende links: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2016:069:FULL
Bijlage 12 TDA werd gewijzigd door een Gedelegeerde verordening van de Commissie die werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (L121) op 11 mei 2016.
Dit is te raadplegen via de volgende link: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2016:121:FULL
VII. Slotbepalingen
§ 35. De huidige omzendbrief treedt onmiddellijk in werking.
Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen:
De Adviseur-generaal,
Jo LEMAIRE
(1) Zie hiervoor “Guidance document on special procedures” TAXUD/A2/SPE/2016/001-Rev9-EN
(2) Zie Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.
(3) Zie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie.
(4) Zie Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.
(5) Zie hiervoor “Guidance document on special procedures” TAXUD/A2/SPE/2016/001-Rev9-EN.
(6) Zie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/341 van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016).
(7) Zie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016).
(8) Zie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016).
Bijlage I: Beschikkingen genomen na aanvraag
A. De verschillende soorten beschikkingen die douaneautoriteiten kunnen nemen na aanvraag onder DWU/DA/IA zijn de volgende:
1) Beschikkingen betreffende bindende tariefinlichtingen (BTI) (artikelen 33 DWU, 19-22 DA en 16-23 IA);
2) Beschikkingen betreffende bindende oorsprongsinlichtingen (BOI) (artikelen 33 DWU, 19-22 DA en 16-23 IA);
3) Vergunning tot het bekomen van de status geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) (artikelen 38 DWU, 26-30 DA en 24-35 IA);
4) Vergunning tot het bekomen van de status toegelaten exporteur (artikelen 64, lid 1 en 3 DWU, 39 DA en 67 en 120 IA);
5) Registratie van een exporteur (artikelen 64, leden 1 en 3 DWU, 40 DA, 68 en 80-90 IA)
6) Vergunning voor het beheer van materialen gebruikt bij de gescheiden boekhouding (artikelen 64, lid 3 DWU en 58 DA);
7) Vergunning met betrekking tot vereenvoudigingen voor de bepaling van bedragen die in de douanewaarde moeten worden begrepen (artikelen 73 DWU en 71 DA);
8) Vergunning met betrekking tot de doorlopende zekerheid, daarin begrepen een mogelijke vermindering of vrijstelling (artikelen 95 DWU, 84 DA en 158 IA);
9) Vergunning met betrekking tot uitstel van betaling (artikel 110 DWU);
10) Beschikkingen met betrekking tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten (artikelen 116 DWU, 92-102 DA en 172-181 IA);
11) Goedkeuring van een andere plaats voor de aanbrenging van de goederen dan het bevoegde douanekantoor (artikelen 5, 33) en 139, lid 1 DWU en 115 DA);
12) Goedkeuring voor tijdelijke opslag van een andere plaats dan een ruimte voor tijdelijke opslag (artikelen 147, lid 1 DWU en 115 DA);
13) Vergunning voor het beheer van opslagruimten voor tijdelijke opslag, inbegrepen mogelijke overbrenging van goederen (artikelen 148 DWU, 117-118 DA en 191-193 IA);
14) Vergunning voor het onderhouden van een lijndienst (artikelen 155, lid 2 DWU, 120 DA en 195 IA);
15) Vergunning toegelaten afgever (artikelen 153, lid 2 en 128 DA);
16) Vergunning voor het regelmatig gebruik van een vereenvoudigde douaneaangifte (artikelen 166, lid 2 DWU en 145 DA);
17) Overeenkomst tot vereenvoudiging van de opstelling van douaneaangiften betreffende goederen die onder verschillende tariefonderverdelingen vallen (artikelen 177 DWU en 228 IA);
18) Vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking (artikelen 179 DWU, 149 DA en 229-230 IA);
19) Vergunning tot inschrijving in de administratie van de aangever (artikelen 182 DWU, 150 DA en 233 IA);
20) Vergunning voor beoordeling door de marktdeelnemer zelf (artikelen 185 DWU en 151 DA);
21) Vergunning voor het opstellen van weegcertificaten voor bananen (artikelen 163, lid 3 DWU en 155 DA);
22) Vergunning voor het gebruik van de regeling actieve veredeling (artikelen 211, lid 1, punt a), 2 - 6 DWU, 161-177 DA en 258-262 IA);
23) Vergunning voor het gebruik van de regeling passieve veredeling (artikelen 211, lid 1, punt a), 2 - 6 DWU, 161-177 DA en 258-262 IA);
24) Vergunning voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer (artikelen 211, lid 1, punt a), 2 - 6 DWU, 161-177, 204-206 en 207 DA en 258-262 IA);
25) Vergunning voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming (artikelen 211, lid 1, punt a), 2 – 6 DWU, 161-177 en 239 DA en 258-262 IA);
26) Vergunning voor het beheer van een opslagruimte voor opslag in een douane-entrepot (artikelen 211, lid 1, punt b), 2 - 6 DWU, 161-177 en 201-203 DA en 258-262 IA);
27) Vergunning voor TIR-doeleinden toegelaten geadresseerde (artikelen 230 DWU en 186-187 DA);
28) Vergunning tot bekomen van status toegelaten afzender onder de regeling Uniedouanevervoer (artikelen 233, lid 4, punt a) DWU en 191-193 DA)
29) Vergunning tot het bekomen van status toegelaten geadresseerde onder de regeling Uniedouanevervoer (artikelen 233, lid 4, punt b) DWU en 191, 194-195 DA);
30) Vergunning voor het gebruik van zegels van een speciaal soort (artikelen 233, lid 4, punt c) DWU en 191, 197 DA);
31) Vergunning voor het gebruik van een douaneaangifte met beperkte gegevensvereisten om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen (artikelen 233, lid 4, punt d) DWU en 191, 198 DA);
32) Vergunning voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als douaneaangifte voor goederen onder de regeling Uniedouanevervoer (artikelen 233, lid 4, punt e) DWU en 191, 199-200 DA).
B. Indien de relevante, elektronische systemen nog niet operationeel zijn tijdens de overgangsperiode kunnen de douaneautoriteiten, na aanvraag, beslissen om de volgende beschikkingen te nemen:
B.1. Tot aan de datum van uitrol van het systeem DWU Bewijs van Uniestatus (PoUS) zoals vermeld in bijlage 8 van het DWU werkprogramma:
a) Vergunning voor het gebruik van een factuur of vervoersdocument (voor Uniegoederen met een waarde boven 15 000 euro), of een T2L of T2LF of een douanemanifest als bewijs van douanestatus zonder visering van het bevoegde douanekantoor (artikel 128, lid 2 DA);
b) Vergunning tot het opstellen van een douanemanifest na vertrek (artikel 129, punt c) DA).
B.2. Tot aan de datum van upgrade van DWU nieuw geautomatiseerd systeem voor douanevervoer (NCTS) zoals vermeld in bijlage 9 van het DWU werkprogramma:
a) Vergunning voor het gebruik van de papieren regeling Uniedouanevervoer per spoor (artikelen 25 en 29 TDA);
b) Vergunning voor het gebruik van de papieren regeling Uniedouanevervoer door de lucht of over zee (artikelen 26 en 29 TDA).
B.3. Tot 1 mei 2018:
a) Vergunning voor het gebruik van de regeling Uniedouanevervoer door de lucht op basis van een elektronisch manifest (artikelen 27 en 29 TDA);
b) Vergunning voor het gebruik van de regeling Uniedouanevervoer over zee op basis van een elektronisch manifest (artikelen 28 en 29 TDA).
Bijlage II: Vergelijking van de wettelijke bepalingen inzake (het beheer van) beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
Artikel 22, lid 1 DWU
| DWU – artikel 22, lid 1 | DA – artikel 12 (Artikel 22, lid 1 + artikel 24, punt a) DWU) Beschikkingsbevoegde douaneautoriteit | IA – artikel 11 (Artikel 22, lid 1, derde alinea, DWU) Aangewezen douaneautoriteit om aanvragen in ontvangst te nemen |
|---|---|---|
| 1. Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt hij alle door de bevoegde douane- autoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking af te geven. | ||
| Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden. | ||
| Tenzij anders is bepaald, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd. | Wanneer het niet mogelijk is de bevoegde douaneautoriteit te bepalen overeenkomstig artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de administratie en de documentatie van de aanvrager aan de hand waarvan de douaneautoriteit een beschikking kan geven (hoofdboekhouding voor douanedoeleinden), zich bevinden of waar deze toegankelijk zijn. | De lidstaten delen de Commissie een lijst mee van de in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek bedoelde douaneautoriteiten die voor het in ontvangst nemen van aanvragen zijn aangewezen. De lidstaten delen de Commissie ook alle latere wijzigingen aan deze lijst mee. |
Artikel 22, lid 2 DWU
| DWU – artikel 22, lid 2 | DA – artikel 11 (Artikel 22, lid 2 + artikel 24, punt b) DWU) Voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag | IA – artikel 12 (Artikel 22, lid 2 + artikel 25, punt a) DWU) Aanvaarding van de aanvraag |
|---|---|---|
|
2. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan. Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat opdat zij de beschikking zouden kunnen verlenen, stellen zij de aanvrager binnen de in de eerste alinea vermelde termijn daarvan in kennis. |
1. Een aanvraag voor een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving wordt aanvaard mits de volgende voorwaarden zijn vervuld: a) de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, geregistreerd overeenkomstig artikel 9 van het wetboek; b) de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, gevestigd in het douanegebied van de Unie; c) de aanvraag is ingediend bij een douaneautoriteit die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van aanvragen in de lidstaat van de bevoegde douaneautoriteit zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek; d) de aanvraag ziet niet op een beschikking met hetzelfde oogmerk als een vorige, tot dezelfde aanvrager gerichte beschikking, die gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag nietig is verklaard of ingetrokken op grond van het feit dat de aanvrager niet heeft voldaan aan een krachtens die beschikking opgelegde verplichting. 2. In afwijking van lid 1, punt d), bedraagt de daarin genoemde termijn drie jaar wanneer de vorige beschikking nietig is verklaard overeenkomstig artikel 27, lid 1, van het wetboek of wanneer de aanvraag een overeenkomstig artikel 38 van het wetboek ingediende aanvraag voor de status van geautoriseerde marktdeelnemer betreft. |
1. Wanneer de douaneautoriteit een aanvraag aanvaardt overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, is de datum van aanvaarding van die aanvraag de datum waarop alle vereiste informatie door de douaneautoriteit werd ontvangen overeenkomstig artikel 22, tweede alinea, van het wetboek. 2. Wanneer de douaneautoriteit vaststelt dat de aanvraag niet alle vereiste gegevens bevat, vraagt zij de aanvrager binnen een redelijke termijn, die ten hoogste 30 dagen bedraagt, om de relevante informatie. Wanneer de aanvrager de door de douaneautoriteiten gevraagde informatie niet binnen de door de hen gestelde termijn verstrekt, wordt de aanvraag niet aanvaard en wordt de aanvrager hiervan in kennis gesteld. 3. Indien elke mededeling aan de aanvrager ontbreekt aangaande de vraag of de aanvraag al dan niet is aanvaard, wordt de aanvraag geacht te zijn aanvaard. De datum van aanvaarding wordt dan de datum waarop de aanvraag is ingediend of, in de gevallen waarin de aanvrager na een verzoek van de douaneautoriteit zoals bedoeld in lid 2 aanvullende informatie heeft verstrekt, de datum waarop het laatste informatiestuk is verstrekt. |
Artikel 22, lid 3 DWU
| DWU – artikel 22, lid 3 | DA – artikel 13 (Artikel 22, lid 3 + artikel 24, punt c) DWU) Verlenging van de beschikkingstermijn |
|---|---|
|
3. De bevoegde douaneautoriteit verleent een beschikking als bedoeld in lid 1 en deelt deze aan de aanvrager onverwijld en uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard mee, tenzij anders is bepaald. Indien de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te geven. Tenzij anders bepaald, is die nieuwe termijn niet langer dan 30 dagen. Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea kunnen de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking, zoals vastgelegd in de douanewetgeving, verlengen indien de aanvrager daarom verzoekt voor het uitvoeren van aanpassingen teneinde aan de voorwaarden en criteria te voldoen. Deze aanpassingen en de aanvullende termijn die noodzakelijk is om ze uit te voeren, worden ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten, die een besluit nemen over de verlenging. |
1. Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, na aanvaarding van de aanvraag, het nodig acht de aanvrager aanvullende informatie te vragen om haar beschikking te kunnen geven, stelt zij een termijn vast van ten hoogste 30 dagen waarbinnen de aanvrager die informatie moet verstrekken. De in artikel 22, lid 3, van het wetboek vastgestelde beschikkingstermijn wordt met dezelfde duur verlengd. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging van de beschikkingstermijn. 2. Wanneer artikel 8, lid 1, toepassing vindt, wordt de in artikel 22, lid 3, van het wetboek vastgestelde beschikkingstermijn met 30 dagen verlengd. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging. 3. Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de termijn om een andere douaneautoriteit te raadplegen, heeft verlengd, wordt de beschikkingstermijn met dezelfde duur verlengd als de raadplegingstermijn. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging van de beschikkingstermijn. |
| 4. Wanneer er ernstige vermoedens van een inbreuk op de douanewetgeving bestaan en de douaneautoriteiten op deze gronden een onderzoek verrichten, wordt de beschikkingstermijn verlengd met de tijd die nodig is om dat onderzoek te voltooien. Deze verlenging mag niet meer dan negen maanden bedragen. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging, tenzij dit het onderzoek in het gedrang zou brengen. |
Artikel 22, leden 4 en 5 DWU
| DWU – artikel 22, leden 4 en 5 | DA – artikel 14 (Artikel 22, leden 4 en 5 + artikel 24, punt d) DWU) Datum van vankrachtwording |
|---|---|
|
4. Tenzij in de beschikking of de douanewetgeving anders is bepaald, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. Met uitzondering van de in artikel 45, lid 2, bedoelde gevallen zijn de afgegeven beschikkingen vanaf die datum uitvoerbaar door de douaneautoriteiten. 5. Tenzij de douanewetgeving anders bepaalt, is de beschikking onbeperkt geldig. |
In de volgende gevallen wordt de beschikking van kracht op een andere datum dan die waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen: a) wanneer de beschikking gunstig is voor de aanvrager en de aanvrager heeft verzocht om een andere datum waarop deze van kracht wordt, wordt de beschikking van kracht op de door de aanvrager gevraagde datum, mits deze later is dan de datum waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen; b) wanneer een eerdere beschikking met een beperkte geldigheidsduur is gegeven en de huidige beschikking er alleen toe strekt die geldigheidsduur te verlengen, wordt de beschikking van kracht vanaf de dag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige beschikking; c) wanneer de beschikking pas van kracht wordt nadat de aanvrager bepaalde formaliteiten heeft vervuld, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager de mededeling van de bevoegde douaneautoriteit waarin wordt verklaard dat de formaliteiten naar behoren zijn vervuld, ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen. |
Artikel 22, lid 6 DWU
| DWU – artikel 22, lid 6 | DA – artikel 8 (Artikel 22, lid 6 + artikel 24, punt f) DWU) Termijn voor het recht om te worden gehoord | DA – artikel 9 (Artikel 6, lid 3, punt a) DWU) Wijze van mededeling van de gronden |
|---|---|---|
|
6. Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking. De eerste alinea is niet van toepassing in elk van de volgende gevallen: a) indien het een beschikking betreft als bedoeld in artikel 33, lid 1; b) indien de toekenning van een tariefcontingent wordt geweigerd wanneer het vastgestelde volume van het tariefcontingent is bereikt, als bedoeld in artikel 56, lid 4, eerste alinea; c)indien de aard of de omvang van een gevaar voor de veiligheid van de Unie en haar ingezetenen, de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of de consument daartoe aanleiding geeft; d) indien de beschikking strekt tot uitvoering van een andere beschikking waarvoor de eerste alinea is toegepast, onverminderd het recht van de betrokken lidstaat; e) indien dit een onderzoek met het oog op de bestrijding van fraude zou belemmeren; f) andere specifieke gevallen. |
1. De termijn waarbinnen de aanvrager zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven, bedraagt 30 dagen. 2. Niettegenstaande lid 1 kunnen de douaneautoriteiten, wanneer de beschikking betrekking heeft op de resultaten van de controle van goederen waarvoor geen summiere aangifte, aangifte tot tijdelijke opslag, aangifte tot wederuitvoer of douaneaangifte is ingediend, eisen dat de betrokkene zijn standpunt kenbaar maakt binnen 24 uur. |
Wanneer de in artikel 22, lid 6, eerste alinea, van het wetboek bedoelde mededeling wordt gedaan als onderdeel van het verificatie- of controleproces, kan zij worden verricht met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken. Wanneer voor de indiening van de aanvraag of de mededeling van de beschikking andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken zijn gebruikt, kan de mededeling met behulp van dezelfde middelen worden gedaan. |
|
DA – artikel 10 (Artikel 22, lid 6, tweede alinea + artikel 24, punt g) DWU) Uitzonderingen op het recht om te worden gehoord |
|
De specifieke gevallen waarin de aanvrager niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, zijn de volgende: a) wanneer de aanvraag voor een beschikking niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 11; b) wanneer de douaneautoriteiten de persoon die de summiere aangifte bij binnenbrengen heeft ingediend, meedelen dat de goederen niet mogen worden geladen in het geval van containervervoer over zee en van luchtverkeer; c) wanneer de beschikking betrekking heeft op een mededeling van een besluit van de Commissie aan de aanvrager zoals bedoeld in artikel 116, lid 3, van het wetboek; d) wanneer een EORI-nummer ongeldig moet worden verklaard. |
| DWU – artikel 22, lid 6 | IA – artikel 8 (Artikel 22, lid 6 DWU) Algemene procedure voor het recht om te worden gehoord | IA – artikel 9 Artikel 22, lid 6 DWU) Specifieke procedure voor het recht om te worden gehoord |
|---|---|---|
|
6. Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking. De eerste alinea is niet van toepassing in elk van de volgende gevallen: a) indien het een beschikking betreft als bedoeld in artikel 33, lid 1; b) indien de toekenning van een tariefcontingent wordt geweigerd wanneer het vastgestelde volume van het tariefcontingent is bereikt, als bedoeld in artikel 56, lid 4, eerste alinea; c) indien de aard of de omvang van een gevaar voor de veiligheid van de Unie en haar ingezetenen, de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of de consument daartoe aanleiding geeft; d) indien de beschikking strekt tot uitvoering van een andere beschikking waarvoor de eerste alinea is toegepast, onverminderd het recht van de betrokken lidstaat; e) indien dit een onderzoek met het oog op de bestrijding van fraude zou belemmeren; f) andere specifieke gevallen. |
1. De in artikel 22, lid 6, eerste alinea, van het wetboek bedoelde mededeling: a) bevat een verwijzing naar de documenten en de informatie waarop de douaneautoriteiten voornemens zijn hun beschikking te baseren; b) vermeldt de termijn waarbinnen de betrokkene zijn standpunt kenbaar kan maken en deze termijn vangt aan op de datum waarop hij deze mededeling ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen; c) bevat een verwijzing naar het recht van de betrokkene op toegang tot de documenten en informatie zoals bedoeld onder a), overeenkomstig de toepasselijke bepalingen. 2. Wanneer de betrokkene zijn standpunt kenbaar maakt vóór het verstrijken van de termijn zoals bedoeld in lid 1, onder b), kunnen de douaneautoriteiten overgaan tot het nemen van de beschikking, tenzij de betrokkene gelijktijdig zijn voornemen kenbaar maakt om zijn standpunt binnen de voorgeschreven termijn nader uiteen te zetten. |
1. De douaneautoriteiten kunnen de in artikel 22, lid 6, eerste alinea, van het wetboek bedoelde mededeling doen als onderdeel van het verificatie- of controleproces wanneer zij voornemens zijn een beschikking te nemen op basis van een van de volgende zaken: a) de resultaten van een verificatie na het aanbrengen van de goederen; b) de resultaten van een verificatie van de douaneaangifte zoals bedoeld in artikel 191 van het wetboek; c) de resultaten van de controle na vrijgave zoals bedoeld in artikel 48 van het wetboek, wanneer de goederen zich nog steeds onder douanetoezicht bevinden; d) de resultaten van een verificatie van het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen of, in voorkomend geval, de resultaten van de verificatie van de aanvraag voor de registratie van dergelijk bewijs of voor de goedkeuring van dergelijk bewijs; e) de afgifte van een bewijs van oorsprong door de douaneautoriteiten; f) de resultaten van de controle van goederen waarvoor geen summiere aangifte, aangifte tot tijdelijke opslag, aangifte tot wederuitvoer of douaneaangifte is ingediend. 2. Wanneer een mededeling is gedaan overeenkomstig lid 1, kan de betrokkene: a) onmiddellijk zijn standpunt kenbaar maken via dezelfde middelen als deze die zijn gebruikt voor de mededeling in overeenstemming met artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 of b) om een mededeling vragen overeenkomstig artikel 8 behalve in de gevallen als bedoeld in lid 1, punt f). De betrokkene wordt door de douaneautoriteiten over deze twee opties geïnformeerd. 3. Wanneer de douaneautoriteiten een beschikking nemen die nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene, leggen zij vast of deze persoon zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt in overeenstemming met lid 2, punt a). |
Artikel 22, lid 7 DWU
| DWU – artikel 22, lid 7 |
| 7. Een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt met redenen omkleed en maakt melding van de mogelijkheid tot beroep als bepaald in artikel 44. |
Bepalingen die gelden voor het volledige Artikel 22 DWU
|
IA – artikel 14
Raadpleging tussen de douaneautoriteiten |
|
1. Wanneer een beschikkingsbevoegde douaneautoriteit een douaneautoriteit van een andere betrokken lidstaat moet raadplegen over de vervulling van de vereiste voorwaarden en criteria om een gunstige beschikking te nemen, vindt deze raadpleging plaats binnen de voor de betreffende beschikking voorgeschreven termijn. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit stelt een raadplegingstermijn vast die aanvangt vanaf de datum waarop deze douaneautoriteit de voorwaarden en criteria meedeelt die door de geraadpleegde douaneautoriteit moeten worden onderzocht. Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit na het in de eerste alinea bedoelde onderzoek vaststelt dat de aanvrager niet aan een of meer voorwaarden en criteria voldoet om een gunstige beschikking te kunnen nemen, bezorgt zij haar resultaten, naar behoren gedocumenteerd en met argumenten onderbouwd, aan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit. 2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde raadplegingstermijn kan in elk van de volgende gevallen door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit worden verlengd: a) wanneer gelet op de aard van de te verrichten onderzoeken de geraadpleegde autoriteit om meer tijd verzoekt; b) wanneer de aanvrager aanpassingen uitvoert om te garanderen dat wordt voldaan aan de voorwaarden en criteria zoals bedoeld in lid 1, en deze meedeelt aan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, die de geraadpleegde douaneautoriteit daarvan vervolgens in kennis stelt. 3. Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit niet antwoordt binnen de overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde raadplegingstermijn, wordt aan de voorwaarden en criteria waarvoor de raadpleging heeft plaatsgevonden, geacht te zijn voldaan. 4. De in de leden 1 en 2 vastgelegde raadplegingsprocedure kan ook worden toegepast voor de herziening van en het toezicht op een beschikking. |
Opgelet!! Zie ook artikel 3, lid 1 TDA
Bijlage III: Schematisch overzicht voor de behandeling van een aanvraag
———
Interne ref.: OEO/D.D. 012.886/500.00
